De minste der minsten
1976-05-21
Het is een triest feit dat de zin, het doel van het lijden en sterven van onze Heer Jezus Christus door alle eeuwen heen in de christenheid steeds werd misduid - tot op de dag van vandaag. Dat behoeft ons evenwel niet te verwonderen.- Jaargang 20
- nummer 21
Want er is niets dat voor de ongebroken, zichzelf handhavende mens zó vernederend, zo vernietigend is als het lijden en het kruis van Christus. Paulus heeft eens geschreven dat het Evangelie van het kruis voor de Joden - d.w.z.: voor alle mensen die in eigen kracht, en dan speciaal met behulp van religieuze prestaties, met God in het reine menen te kunnen komen - een ergernis is. En hij voegde er aan toe dat dit Evangelie voor de Grieken - d.w.z. voor alle mensen die van oordeel zijn dat zij door eigen intellectueel vermogen de ware wijsheid te kunnen ontdekken - een dwaasheid is.
Wat Paulus zo schreef was de vertolking van wat hij in jarenlange arbeid met ontzetting en droefheid had ervaren. En dat woord van Paulus heeft van het moment af waarop hij dat neerschreef niets van zijn actualiteit verloren. Omdat zijn Evangelie een ergernis en een dwaasheid is heeft Christus en zijn woord en werk, steeds zo'n fanatieke weerstand opgewekt.
Hij werd ven slotte vermoord. Op geen enkele wijze wordt evenwel het ergerniswekkende en als dwaasheid gediskwalificeerde Evangelie van het lijden en sterven van Christus in de Schrift bedekt of gecamoufleerd.
We willen nu zien hoe dat geschiedt in het verhaal van de voerwassing zoals die door Jezus werd verricht aan de vooravond van de dag waarop Hij werd gekruisigd.
Johannes begint zijn beschrijving daarvan met een paar opmerkelijke uitspraken.
De eerste is deze dat Jezus vóór het Paasfeest terwijl Hij wist dat het uur gekomen was om uit deze wereld over te gaan tot de Vader, Hij de zijnen die Hij in deze wereld steeds had Liefgehad, zijn liefde betoonde tot het einde. Johannes accentueert hier dat Jezus met volstrekte zekerheid wist dat Hij de volgende dag het zwaarste lijden, dat ooit in de kosmos doorleden werd of zal geleden worden, zal moeten doorstaan en en dat Hij daarna naar zijn Vader in de hemelen zou gaan. En dat Christus, met het visioen daarvan voor ogen, zijn discipelen, die Hij reeds vanaf het moment dat Hij ze riep had liefgehad, tot het einde toe met zijn liefde omvatte. Dit betekent zeker niet dat Hij die liefde tot een eindpunt betoonde. Hoe zou dat kunnen? Zijn liefde duurt: immers tot in eeuwigheid! Neen, dit woord wil zeggen dat Jezus zijn liefdebetoon aan zijn discipelen in wat Hij nu zal gaan doen, tot zulk een hoogte, diepte, volheid zou opvoeren dat een nog groter liefdebetoon niet meer mogelijk was. Wat Johannes nu gaat verhalen is niet het einde, maar de rijkste ontplooiing, de voleinding van Christus' liefde voor de zijnen.
Het twee/de dat Johannes in dit verband noemt is dat Jezus de voeten van zijn discipelen gaat wassen terwijl Hij wist dat de duivel reeds Judas Simonszoon Iskaniot in het hart had gegeven Hem te verraden. En dat Christus die voetwassing volbracht in de wetenschap dat de Vader Hem alles in handen had gegeven, dat Hij van Gold was uitgegaan en naar God terugging, Op geen duidelijker en krachtiger wijze dan zo kon worden uitgedrukt dat Jezus, met volledig inzicht in wat komen zou, volkomen vrijwillig zal doen en ondergaan wat de volgende dag met Hem geschieden zal.
Voor het oog van de mensen is Hij dan de passieve, de onmachtige, de gebondene, de dulder. Maar in werkelijkheid heeft Hij de Joden, het Sanhedrin, Herodes, Pilatus volledig in zijn macht. Ze kunnen geen woord zeggen, geen vin verroeren, geen hand uitsteken buiten die "macht", die "bevoegdheid" van Jezus om. Met, in die macht gaat Jezus de lijdensweg betreden tot het bittere einde, om daarna in te gaan in de heerlijkheid van zijn Vader. Dit alles, aldus Johannes, of, betere gezegd: de Heilige Geest" moeten we weten, om iets te verstaan van wat Jezus nu zal gaan doen.
Jezus gaat nu met zijn discipelen een maaltijd houden. Hoogstwaarschijnlijk, al staat dat er niet uitdrukkelijk bij, was dat een Paasmaaltijd. Als dat het geval is geweest, was dat het laatste Paasmaal dat naar Gods ordening, en dus op wettige wijze, in de wereld werd gevierd. Het zou aan het einde daarvan voor goed overgaan in het eerste Heilig Avondmaal dat in de wereld werd aangericht.
Als die maaltijd begonnen is gebeurt er iets zeer vreemds, iets dat voor de discipelen zonder meer verbijsterend was. Jezus staat namelijk van de matras, waarop Hij bij de maaltijd gelegen was, op legt zijn bovenkleren af, neemt het wasbekken en de linnen doek die bij de requisieten van zo'n maaltijd behoorden, omgordt zich met die doek, vult het wasbekken en begint de voeten van de apostelen te wassen.
Wat Jezus dan doet is inderdaad verbijsterend. Want wat de discipelen dan beleven, ondergaan, is dat de eeuwige Zoon van God, God uit God, Licht uit Licht, de Almachtige en Heerlijke, op de grond kruipt en het meest verachtelijke werk doet dat een Jood zich denken kon. Een ander de voeten wassen was een zo vuil en vernederend werk, dat dat alleen aan een slaaf mocht worden opgedragen. Het was in de vol1e zin van het woord slavenwerk. En dan nog wel zo, dat dat van een joodse slaaf niet eens mocht worden geëist, Dàt werk doet nu Jezus.
Het kan niet anders of de disoipelen hebben dat met ontzetting beleefd en zich afgevraagd wat da t moest betekenen. Er zal wel een beklemmende, een angstaanjagende stilte in de zaal hebben geheerst toen Jezus dit werk verrichtend van discipel naar discipel kroop.
Zo van discipel tot discipel gaande komt Jezus ook bij Petrus. Als de Heiland zich achter Hem neerbuigt en zijn handen naar diens voeten uitstrekt kan Petrus zich niet langer inhouden: Hij valt tegen Jezus uit met de woorden: "Heer, wilt GIJ mij de voeten wassen?" Het flitste Petrus door de geest dat in die voetwassing iets zeer vreemds geschiedde. Daarin worden, zo ervaart hij dat, de dingen volkomen op zijn kop gezet.
Jezus, de Meester is toch zeker wel de allerlaatste die dat verachtelijke, dat slavenwerk, ter hand moet nemen! Gij MIJ? Meester? - Ik U!
Rustig wijst Jezus dan Petrus terecht: Wat Ik doe, Petrus, kunt gij nu nog niet verstaan. Dat kan pas nadat ge Mij verloochend en daarover berouw gehad hebt; dat kan pas nadat Ik gekruisigd en opgestaan ben en mijn Geest ook op u is uitgestort. Eerder niet.
Petrus denkt er evenwel niet aan zich naar het woord van de Meester te schikken, Hij geeft zich niet zo maar gewonnen, Met grote felheid valt hij tegen Jezus uit met de woorden: Gij zult mijn voeten niet wassen in eeuwigheid!
Maar dan zegt Jezus een voor Petrus verpletterend woord: Dit: indien Ik u niet was hebt gij geen deel aan Mij. Dit woord opent een afgrond. Want het wil zeggen: Petrus, als gij Mij niet toestaat uw voeten te wassen bestaat er geen gemeenschap tussen u en Mij, zijt ge vreemd aan Mij en het heil dat Ik ben en geef. Als ge in uw weigering volhardt betekent dat eeuwige ondergang.
Ik weet het: dit woord van Jezus klinkt ons vreemd in de oren. Is dát niet heel erg overtrokken te zeggen dat de gemeenschap met Christus afhangt van een wasbeurt en dat nog wel van de voeten?
Maar wie zo vraagt heeft van de zin van wat Jezus hier zegt en doet niets verstaan! Jezus Christus is de Zoon van God! En zoals Paulus later zeggen zal: Hij heeft zich aan zijn gelijkheid met God niet willen vastklampen. Hij heeft zich ontledigd, tot niets gemaakt, door het bestaan van een slaaf aan te nemen. Als mens op aarde gekomen heeft Hij zich vernederd en is de minste der minsten geworden.
Straks door als een boef te worden gekruisigd! En deze vernedering brengt Jezus nu in praktijk door op de grond rond te kruipen en het meest verachtelijke werk dat denkbaar is ten behoeve van zijn discipelen te doen.
En nu komt het er voor Petrus op aan zich dat doen van Jezus te lanen welgevallen! Of, anders gezegd: het komt er voor hem op aan in deze zich als slaaf vernederende Jezus de Verlosser der wereld, zijn Verlosser, te zien. Dat het voor hem een zaak van leven of dood zich door deze Jezus te laten dienen. Jezus is immers niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven als een losprijs voor velen.
Alleen het geloven in deze Jezus, het Hem aan zich te laten doen wat Jezus aan hem moet doen, betekent gemeenschap met Christus en het waarachtige heil.
De weg die leidt tot het deelachtig worden van de verlossing die Christus tot stand brengt, wordt in de Schrift op allerlei wijze getekend.
Hij wordt aangeduid als wedergeboorte, geloof, bekering en op nog veel andere manieren meer.
Hier predikt Christus met woord en daad dat hij ook is het zich laten dienen door Hem, die zich daarin zo vernedert dat Hij het verachtelijkste werk dat denkbaar is aan hen volbrengt en Hij zo de minste der minsten voor hen wordt.
In dit optreden van Jezus openbaart zich nu op een zeer navrante wijze de ergernis en de dwaasheid van het Evangelie. En in Petrus' woord: Gij zult mij niet wassen in der eeuwigheid manifesteert zich bij deze discipel van Jezus, onbewust èn fanatiek, de afkeer om in deze Jezus de Verlosser, de Bevrijder te zien; de hoogmoed die het niet dulden wil dat de Heilige Gods ter wille van de verlossing van rondaren zich zo diep vernedert en hen met het oog daarop deze dienst betoont. Een Jezus die met een zweep de geldzuchtige scharrelaars de tempel uitranselt - die aanvaarden de mensen graag! Ook een Jezus, die op aarde compromisloos gerechtigheid predikt en daarom, tegen Gods wil, door mensen wordt vermoord, wordt graag vereerd. Evenzo is de prediking dat geloven in het kruis van Jezus betekent dat kruis als het zijne op nemen, zich met Christus laten kruisigen, voor een “natuurlijk." mens aanvaardbaar.
Maar de Christus die om onze zonde te verzoenen zich tot in de diepste diepte vernedert, de minste der minsten wordt en daarin zondaars dient - Die is en blijft een ergernis en een dwaasheid!
Maar goddelijke genade en goddelijke wijsheid ontdekken zij in deze Jezus, wier ogen zijn opengegaan voor hun zonde, hun onmetelijke schuld en hun totale verlorenheid.
Zij, maar ook alléén zij, laten het zich in diepe beschaming, grote verwondering en onuitsprekelijke blijdschap welgevallen dat Jezus zich voor hen zo diep vernederde en zo ook voor hen de minste der minsten werd.