3. Godservaring en aardse Werkelijkheid
1976-05-21
Het boek Deuteronomium heeft betrekking op een zeer speciale historische situatie. Wie bij het lezen van de bijlbel op de historische volgorde acht geslagen heeft, weet, dat .hij bij het lezen van Deuteronomium, het volk Israël voor zich moet zien, zoals het daar ná de tocht door de woestijn, gelegerd was vóór de Jordaan, wachtend op het ogenblik, waarop het die Jordaan 2l0U oversteken om Kanaän binnen te gaan.- Jaargang 20
- nummer 21
De oudsten onder hen hadden in de veertig jaar, die voorbij waren, alles meegemaakt Hetgeen betekent dat zij in hun leven getuige waren geweest van heel bijzondere "Godservaringen".
Je zou je kunnen voorstellen dat eronder die mensen iemand geweest is, die daar vóór de oever van de Jordaan heeft zitten nadenken over de vraag hoe het nu zou gaan met zijn nageslacht als ze daar aan de andere kant zich gevestigd zouden hebben als een volk van landbouwers en veehouders. Als ze iedere dag hun handen vol houden hebben met de taken en de zorgen van het alledaagse leven.
Die man kon alles weten van de "inzettingen en verordeningen", die God gegeven had. Maar dat had betrekking op wat ze zelf moesten doen.
Zoo God straks ook aan zijn nageslacht laten blijken dat Hij er werkelijk is, dat Hij werkelijk woont onder Zijn volk? Of moesten die kinderen, klein- en achterkleinkinderen dat "maar geloven"? Moest je zeggen: het is voor biet nageslacht voldoende om hun de geschiedenis in te prenten - de Thora van Mozes? Zou God van Zijn kant óók iets doen?
Als er iemand is geweest, die daarover heeft zitten nadenken, dan heeft die man ook antwoord gekregen. Van God zelf.
Daarover moeten we b.v. maar eens Deut. 28 lezen, En dan maar bij het begin beginnen: aandachtig luisteren ... naarstig onderhouden. Of ook: "Gods wet (de onderwijzing van Mozes) bij dag en bij nacht overpeinzen", zijn wegen daarnaar richten en zijn toekomstverwachting daarop afstemmen. (Zie Psalm 1.) Dat is leven in de werkelijkheid van Gods liefde.
Als het volk Israël dat gaat doen, dan zullen ze merken dat God er is en dat Zijn werkelijkheid een werkelijkheid is van liefde, vrede, blijdschap, Dat zullen ze merken in de werkelijkheid van hun leven van iedere dag. God spreekt met geen woord over de mogelijkheid van heel bijzondere "Godservaringen", maar Hij wijst hen helemaal terug naar de menselijkheid van hun menselijk leven, dat met al zijn vezels verbonden is aan de aarde, die God hun als woon- en werkplaats heeft gegeven.
Over die zichtbare en tastbare werkelijkheid gaat God de werkelijkheid van Zijn liefde uitspreiden. Het menselijk leven in al zijn aardse werkelijkheid wordt overkoepeld door Gods liefde, Daarover spreekt het eerste dool van Deut. 28. Als we dat lezen, moeten we niet uitsluitend denken aan de sociale, economische en politieke aspecten daarvan, maar we moeten ons er rekenschap van geven, dat dat eerste deel van Deut. 28 de deur opent naar die levensblijdschap en levenszekerheid, waardoor een mens met ongeschokt vertrouwen deelneemt aan de werkelijkheid van het aardse leven. In de arbeid en in het ontvangen en genieten van de vruchten daarvan; in het uithuwelijken, in het ontvangen en grootbrengen van de kinderen, die geschonken worden; in een samenleving, waarin de mensen met elkaar hun problemen oplossen in de eensgezindheid van de Heide. Dáár spreekt God over en dáár richt Hij alle aandacht op van een volk, dat om zo te zeggen nog met het leven een begin moet maken.
Moet juist deze heenwijzing van God ons niet voorzichtig maken, als Wie de gedachte zouden willen koesteren, dat het "echte" toch dáár te vinden is, waar God iets bijzonders doet, iets, waar je met verbazing naar kijkt?
Ik zie niet over het hoofd, dat God in de latere geschiedenis van het volk Israël nog heel wat verbazingwekkende dingen gedaan heeft.
Maar God zegt nergens dat dáár nu het eigenlijke doel van Zijn liefde ligt. Integendeel, zo'n hoofdstuk als Deut. 28 openbaart ons dat het eigenlijke, het wezenlijke doel van Gods liefde is, dat de aarde weer met Zijn heerlijkheid vervuld zal worden. En dat die heerlijkheid zich gaat manifesteren binnen de kaders van de Werkelijkheid, die Hij geschapen heeft. De vrucht van die openbaring van Zijn liefde betekent in het menselijk leven: levensventrouwen. levenszekerheid en levensblijdschap, We weten nog helemaal niet hoe dat zijn zal als straks de Here Jezus terugkomt Maar dát komt, omdat wij Gods mogelijkheden binnen de kaders van wat Hij geschapen heeft bij lange na niet uitputtend kennen.
Natuurlijk moeten we dat "akelige" tweede deel van Deut. 28 niet overslaan.
En ook bij het lezen daarvan niet blijven staan bij die politieke en economische aspecten daarvan en bij die ziekten en zo. Maar vooral er op letten dat daar gesproken wordt over een situatie, waarin het levensvertrouwen, de levenszekerheid en de levensblijdschap wegvallen: de mensen krijgen een "bevend hart" (vs. 65); 's morgens zullen ze zeggen was het maar avond en 's avonds was het maar morgen (vs. 67).
Dat is ook een weg, waarop je merkt dat God er is. Ik zou haast zeggen dat is ook een "Godservaring". Laten we maar zeggen dat God ons in de bijlbel de uitgangspunten voor het geschiedenis-onderwijs toont en de aspecten, die we in de geschiedenis in het oog moeten houden, En dat moeten we dan doen om Hem te volgen en met Hem verder te gaan.
Want hoe de geschiedenis ook verlopen mag, het is de weg naar de vervulling van Gods plan. En dat plan is: "zegen voor alle geslachten des aardrijks". De hele geschiedenis en de helle wereld worden omvat en gedragen door Gods liefde voor de wereld, die Hij geschapen heeft.
"Leven met God" is Hem volgen in de geschiedenis. Met het oog gericht op de onvéranderlijke werkelijkheid van Zijn plan.
Alleen: dat kan nooit in een soort "stoïcijnse rust" gebeuren. We moeten zelf de volle spanning er van dragen, méédragen met God door de kracht van de liefde, die God in onze harten heeft uitgestort door de Heilige Geest.
Maart '76