"Welzijn" in Israël voor de pachters van Jahweh

1976-05-21
  • Jaargang 20
  • nummer 21
Er is veel sprake van "welzijn". Wat laat Gods Woord zien, dat daarvoor nodig is?

Voor welzijn heeft een mens nodig vervulling van het verlangen van Adam naar een hulp die bij hem past, zoals dat beschreven is in Gen. 2 : 20-25.
Hij heeft een stukje grond nodig om een onderkomen op te bouwen, en die gewassen te telen, die hem en zijn gezin kunnen voorzien van voedsel en kleding.
Hij heeft kontakt nodig met andere mensen en dat kontakt gaf de Here Zijn volk overvloedig, in het opgaan naar Jeruzalem.
Hij heeft bovenal een Heer nodig, wiens vriendschap hij ondervindt.
Het is die Heer, die hem onderwijst en Zijn volk geeft wetten ten leven.
Het onderwijs van Gen. 2 : 20-25, één man, één vrouw, herhaalt zich eigenlijk bij elke geboorte, want of het een jongen of een meisje is, heeft Hij als het ware als een dubbeltje op zijn kant gezet.
Dan leren we dat er voor elke man maar één vrouw is om lief te hebben.
Telkens, in alle eeuwen, hebben mensen gedacht dat ze wel veel meer dan één vrouw lief konden hebben. Wel twee, wel zeven, wel tachtig, wel duizend.

Maar liefde is een plant die moeilijk groeit. Veel groei voorwaarden moeten er aanwezig zijn, anders verwelkt het plantje.
Het is al heel moeilijk, om één man, één vrouw een beetje geluk te brengen.
Altijd genegen zijn om meer te doen dan redelijkerwijs verwacht mag worden, is een hele opgaaf, maar het is wel een belangrijke groeivoorwaarde.
Het zijn de kleine dingen die het doen.
Maar zo te zijn voor twee mannen is te veel, voor één is het al zo moeilijk.
Want de mens is een liefhebber van zichzelf. Veel moet hij leren, en streng zich houden aan de wetten voor het leven van de liefde, eer hij de liefde vindt.

Om zelf te leven en voor vrouwen kinderen te leven moest een mens een stukje grond hebben.
Een stukje grond om lief te hebben.
Telkens in alle eeuwen hebben mensen gedacht "welzijn" te vinden als ze maar véél grond hadden, 10 ha, 60 ha, 1000 ha en nog veel meer, steeds meer.
Maar ik weet heel goed, dat veel grond lief te hebben een moeilijke zaak is, als het weer tegen zit.

Het najaar van '74 staat in vele harten geschreven als een droeve zaak.
Als dag aan dag de regen valt en de grond vraagt naar twintig handen en je hebt er maar twee, dan ga je de grond haten.
En de grond heeft liefde nodig. Die is onmisbaar. Zware machines zijn niet onmisbaar, de liefde voor de grond moet er zijn.
De ploegschaar is van zilver, de spapunt is van goud.
We weten niet, hoe wéinig grond een gezin, een volk nodig heeft.
Als de liefde er is, heel weinig.
Daarom kunnen we niet zuinig redeneren over overbevolking, als we niet weten wat voor "welzijn" nodig is.

Eén vrouw is genoeg; een stukje grond, groot genoeg om voor vrouw en kinderen voedsel te verzamelen, is genoeg; want spitten is een zwaar werk er met liefde een stukje grond bewerken, vraagt veel aandacht, veel zorg.
Dat strikje grond moet wel eigendom zijn van degene die er op werkt, want anders bloeit de liefde niet.
Als het van een ander is en de bewerker weet, dat, als door zijn arbeid de grond verbetert, de eigenaar komt om zoveel meer huur te vragen, dan kan de liefde niet bloeien.
De liefde is de grote stimulans voor het leven van een vrouw, van een man. Ook een stimulans om een stukje grond met liefde te bewerken.
Dat kon. alles in Israël, want de Heer was de enige landheer.
De mens heeft, om wel te zijn, ook veel behoefte aan omgang met andere mensen, Een Feest is daar een goede gelegenheid voor.
Nu is er in de wereldgeschiedenis geen betere feestmaker geweest dan de Heere God ..
Op bepaalde tijden, als er op het land niet veel te doen was, moest er feest gevierd worden. Dan ging men op naar Jeruzalem.
We moeten wel onze fantasie laten werken om een voorstelling te hebben, van wat dat opgaan betekende en hoe dat gegaan is met het Feestvieren.

Laten we het proberen door de kaart van Nederland in de plaats te stellen van de kaart van Kanaän, met Utrecht in de plaats van Jeruzalem.
Laten we ons dan voorstellen, dat de mensen uit Goes op gaan naar Utrecht, een reis van 160 km, 20 km per dag. Acht dagen vóór het feest gaan ze van huis. Op de avond van de dag van vertrek weten de mensen te Krabbedijke: straks komen de gasten uit Goes; te Rilland verwachten ze de gasten uit Kapelle, te Woensdrecnt de gasten uit Kruiningen.

Er wordt gezorgd voor goed eten, voor een echt oosterse waardige ontvangst.
Op de vaste tijd komen de gasten er aan. Er zal niets ontbreken aan de oosterse hoffelijkheid. Die oosterse mensen weten wel hoe het moet.
De tongen komen los, ieder vertelt zijn verhalen. De jonge mensen ontmoeten ook elkaar. Een goede gelegenheid voor Amor om met pijl en boog op jacht te gaan. Als hij die avond geen buit behaalt is het nog geen ramp, er komen nog meer dagen.
De volgende dag gaan de gasten van Krabbendijke met de inwoners van Krabbendijke naar Bergen op Zoom. Die van Rilland naar Wouw, die van Woensdrecht naar Roosendaal. Steeds groter wordt de schare, steeds schoner het feest.
En elke avond wordt er een groter beest geofferd en een grotere zak wijn opengemaakt. All maar meer mensen ontmoeten elkaar, Steeds meer gedachten worden er uitgewisseld. Steeds meer relaties komen tot stand.
Uitwisseling van gedachten is voorwaarde voor maatschappelijke ontwikkeling.

De pachters van Jahweh, ze vertellen over hun grond en hun methoden van bewerking. En als ze in de gaten krijgen, dat een jongen uit Breda verliefd wordt op een meisje uit Goes, dan gaat de familie van dat meisje haar prijzen.

Langs deze weg komt er straks nieuw Moed in de stam, komen er nieuwe betrekkingen tussen de stammen, en het feest gaat door.
Straks dreunt Utrecht van de Feestvreugde.
In Utrecht ontmoeten Noord en Zuid, Oost en West elkaar voor het aangezicht van de Heer. En ze moeten daar leven naar het grote gebod voor het feest: vrolijk te zijn.

De Pachtheer wil zijn pachters vrolijk zien.
Alles bij elkaar, zal zo'n feest voor de mensen uit Goes wel een drie weken geduurd hebben. Dat was geen bezwaar. Het land dat ze bezaten, was hun land, ze behoefden de vruchten niet te brengen naar één die er niet voor gewerkt had; ze waren allen pachters van Jahweh.

En de pachters zongen hun lied: Loof den Heer, mijn ziel, en alles wat binnen in mij is Zijn heilige naam. Ze zongen Ps, 84, Ps. 121, Ps, 122 en zoveel andere.
Ze konden zingen, want ze hadden een Heer om lief te hebben. Had Hij hun dit alles niet gegeven? Zagen ze niet dagelijks de blijken van Zijn gunst? En mochten ze van Hem, die hen verwekt had in de dode schoot van hun moeder Sara, niet alles verwachten?

De dood was er ook, maar de prikkel des doods was weg. Als er een dode was, dan was het hun Heer, die zei, dat ze niet al te veel misbaar moesten maken, want ze waren toch Zijn kinderen, en ze gingen naar de plaats van Abraham, Izaäk en Jacob (Deut. 14).
En telkens vertelde Hij hun in de offeranden, dat hun zonden verzoend waren.
Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn enig geboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe.

Dit alles heeft de Heer Zijn volk onderwezen opdat het zou weten, wat voor welzijn nodig is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief