JEREMIA

1976-05-21
  • Jaargang 20
  • nummer 21
Gods oordeel

Kijk clan toch zelf, zegt Jahweh (vs 23). Ga je eigen gangen maar eens na: je weg in het dal. Met dat dal wordt het dal van Hinnom bedoeld, waar kinderoffers aan Moloch gebracht werden. Koning Josia zou aan die kinderoffers een einde maken. Maar op het moment dat Jerema deze woorden tot het volk moet spreken, is het nog nietzo ver.
De HERE vergelijkt Israël dat de afgoden naloopt, met een bronstige kemelin en ezelin (vs 23, 24).
Dat beeld zal wel mee bepaald zijn door de sexuele uitspattingen die aan de afgodendienst verbonden waren.
Het is zinvol erop te wijzen, dat het verlaten van de HERE ook van invloed is op het sexuele gedragspatroon van de mensen. Dat wordt erdoor ontregelden uit zijn door God gestelde voegen gelicht.
Het gaat een andere rol spelen dan de rol die de HERE eraan gegeven heeft. Het gaat dan om zo te zeggen de perken te buiten, buiten zijn oevers treden. En dan werkt het verwoestend en destructief.
Maar Jahweh laat het er niet bij zitten (vs 26). Hij gaat met Zijn oordeel komen, Dan lopen ze met hun goden vast. Ze komen muurvast te zitten. En dan roepen ze in hun vertwijfeling wel: Jahweh, verlos ons! (vs 27), maar dan zal Ik zeggen: Zoek het zelf maar uit.
Laat die goden die je zelf gemaakt hebt, je maar redden (vs 28).
Met zelfgemaakte goden loopt een mens altijd vlast. Want ze zijn niet meer dan een stuk hout of steen (vs 27). Zelfgemaakte goden kunnen nooit meer zijn dan produkten van de mens. En het is de dwaasheid gekroond, dat de mens tegen zijn eigen produkt en "vader" en "moeder" gaat zeggen. Het is het toppunt van dwaasheid, dat de mens zichzelf als een voortbrengsel gaat zien van wat hij zelf gemaakt heeft. Waar dat gebeurt, kan het niet anders dan fout gaan.
Als de mens zich ondergeschikt maakt aan zijn eigen produkt, moet het wel op een fiasco uitlopen.
Wanneer de mens de oplossing van zijn problemen verwacht van de wetenschap en de techniek, raakt hij onherroepelijk in de vernieling.
Want omdat dit produkten van de mens zijn, kunnen ze de mens nooit boven zijn eigen problematiek uittillen. Wat ikzelf maak, kan nooit boven mijn eigen problematiek uitstijgen. En wanneer ik daar dan toch de oplossing van verwacht, maak ik mijn problemen alleen maar groter en werk ik mezelf steeds dieper in het moeras.
Jullie zullen het aan de weet komen, zegt Jahweh. En reken erop, dat Ik jullie dan niet even uit de narigheid haal, als jullie dan tot Me roepen (vs 28).
Is dat niet vreemd? Gaat dat niet lijnrecht in tegen de centrale boodschap van de bijbel, dat God klaar staat als we tot Hem roepen?
We moeten wel even scherp voor ogen houden in welke situatie Jeremia deze woorden moet spreken.
Hij moet dit zeggen tot een volk dat zijn zelfgemaakte goden niet wil loslaten en zich niet van hen wil afkeren. Die goden falen wel op een bepaald moment, maar dat brengt het volk niet tot het inzicht dat het zelf heeft gefaald. Het volk komt niet tot erkenning van eigen schuld en zonde. Het roept dan wel tot Jahweh, maar houdt de afgoden achter de hand.
Bij het volk zelf is niets veranderd.
En dan luistert God niet.
Dat heeft Christus ook gezegd: Niet een ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer, zal ingaan in het koninkrijk der hemelen, maar wie doet de wil van mijn Vader die in de hemelen is (Matth. 7: 21). Alleen waar bekering is, waar men de afgoden afzweert en zijn heil verwacht, alleen daar luistert God alleen maar van Jezus Christus en verlost Hij. En dan ook helemaal.

JEREMIA 3 : 19-4 : 4

Afvalligheid en trouweloosheid

Als Jeremia zijn profetische arbeid begint, is het al bijna 100 jaar geleden dat het Tienstammen-rijk ten onder ging. Samaria werd toen verwoest en het volk werd door de Assyriërs in ballingschap afgevoerd.
Dat was niet zo maar het noodlot geweest. Het was geen fatale onvermijdelijke ontwikkeling geweest, die louter het gevolg was van de politieke machtsverhoudingen.
Neen, de hand van Jahweh was daarin aan het werk. Hij wilde de ondergang van het Tienstammen-rijk. Niet omdat Hij een onberekenbare God is, die nu eens goed gemutst en dan weer ronder aanwijsbare reden ongenietbaar is.
Zo is Jahweh niet. Maar omdat men zich, ondanks de talloze waarschuwingen, niet had bekeerd van de afgoderij (vgl. 2 Kon. 18 : 11, 12). Gods oordeel kwam vanwege Israëls afvalligheid en afkerigheid.
"Afkerigheid" is dan ook de naam die Israël in Jer. 3:6 van de HERE krijgt. Zo'n naam karakteriseert de drager. Typerend voor Israël was de afkerigheid van Jahweh.
Het zat Israël in het bloed zich van Hem af te keren en van Hem weg te lopen. Daarom verstootte de HERE Israël (3 : 8).
Nu zou je denken, dat Juda, die dat allemaal gezien had en die wist dat het Tienstammen-rijk van de kaart geveegd was als Gods oordeel over het nalopen van de afgoden, daardoor de schrik wel in de benen zou slaan en dat het zich zou bekeren tot Jahweh. Dat zou je verwacht.
Stel u eens voor dat er tengevolge van een vergissing in een partij blikken soep een giftige stof terecht gekomen is, die zeer schadelijk is voor de gezondheid. Verschillende mensen zijn al in een ziekenhuis opgenomen, voordat de oorzaak ontdekt wordt. Maar dan wordt er op de grote schaal bekendheid aan gegeven. En iedereen die zo'n blik in huis heeft, wordt opgeroepen. ze in te leveren.
Wie dan ondanks die waarschuwingen en ondanks de wetenschap dat veel mensen ziek geworden zijn door het eten van die soep, toch die soep zou gebruiken, is dwaas. Maar we kunnen veilig dwaas zou zijn. Iedereen die zo'n aannemen, dat geen sterveling zo blik in huis heeft, zal zich er haastig van ontdoen.
Maar Juda deed dat niet. Het liet die soep niet slechts in de kast staan, maar at er ook dagelijks van. Het trok zich van alle waarschuwingen niets aan. Hoewel Juda zag wat er met het Tienstammen-rijk gebeurd was en wist dat het zich letterlijk dood gegeten had aan die soep, bleef het ijskoud doorgaan met de afgoderij. Het deed alsof zijn neus bloedde.
Dan geeft Jahweh Juda de naam: Trouweloze (vs 7). Dat is typerend voor Juda: trouweloosheid.
Juda weet niet wat trouw is. En de HERE zegt: Ik neem Juda de afgoderij nog kwalijker dan Israël (vs 11). Want Juda heeft nota bene het afschrikwekkende einde van Israël gezien (vs 7). Het weet ook heel goed waarom het zo verschrikkelijk met Israël afliep. Als het dan desondanks toch blijft doorgaan met het bedrijven van afgoderij, kan het niet anders' of het zal ook ten onder gaan.
Daarom moet Jeremia het oordeel aankondigen over Juda en Jeruzalem en ligt er in zijn profetieën zo'n zwaar accent op het komende oordeel.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief