4. Het Gebed van Jesaja en Bijbelse Toekomstverwachting

1976-05-28
  • Jaargang 20
  • nummer 22
Al heeft God in Deut. 28 met geen woord gesproken over "bijzondere Godservaringen" , waaruit Gods nabijheid zou blijken, het verdere verloop van de geschiedenis bewijst wel, dat God zulke ervaringen niet uitsloot. Met de Thora van Mozes was trouwens ook Gods openbaring niet afgesloten, maar afgezien dáárvan, we kunnen - dacht ik - in het O.T. wel momenten aanwijzen, waarop God door bijzondere daden het volk Israël uit een dieptepunt weer omhoog haalde, of althans dat trachtte te doen.
Maar ik houd vol dat God de toekomstverwachttng van de gelovige Israëliet richtte op een levenssituatie, die feitelijk pas echt helemaal vervuild gaat worden bij de wederkomst van Christus.
Nabuur lijk heb ik geen ernstig meningsverschil met drs H. de Jong, als hij het gebed van Jesaja uit Jes. 63-64 een gebed om de komst van de Heilige Geest noemt. Zijn verwijzing naar Marc. 1 lijkt mij heel erg ter zake en bovendien erg nuttig om voor ons zo'n gebed eens wat concreter te maken, opdat we niet blijven steken bij een zekere "emotionele aandoening", die de woorden van dat gebed wel bij ons oproepen.
Ik schuif die emotie niet opzij als waardeloos, maar die heenwijzing raar Marcus 1 verdiept onze aandacht en daarmee ook onze blijdschap.
Maar al een en ander in verband gebracht wordt met het streven van hedendaagse “bewegingen", dan helpen we elkaar door goed te onderscheiden.
Het hele Horeb-verbond was er op gericht om te bewerken dat de gelovige Israëliet zou uitzien naar de vervulling. Hij moest daarvoor ongetwijfeld blijven staan op de basis van de onderwijzing van Mozes, maar moest hij niet tegelijkertijd in zekere zin "vergeten wat achter is en zich uitstrekken naar hetgeen vóór hem lag?" Is die levenshouding in onze wereld nu eenmaal niet onlosmakelijk aan geloof verbonden?
Die levenshouding krijgt bij Jesaja een geweldige diepte, omdat hij ziet op de onvruchtbaarheid van het Sinaï-verbond. Dat is bij hem ,geen "dogmatische beschouwing", maar een intens doorleefde levenswerkelijkheid.
Hij ziet de wereld in elkaar storten, het leven prijsgegeven aan ontbinding. Waar moet nu de Vierlossing vandaan. komen? Door dat Sinaï-verbond nog eens wat op te poetsen? Dát ziet Jesaja niet meer zitten, maar hij blijft in geloof vasthouden aan God, die een "onveranderlijke belofte" heeft gegeven van zegen voor alle geslachten des aardrijks. Hij ziet maar één weg, die naar de vervulling van die belofte leid: Dat God de hemel scheurt en nederdaalt.
Wij kunnen nu zeggen: dat is gebeurd, toen Jezus Christus op aarde kwam, toen Hij stierf aan het kruis, opstond uit de doden, opvoer ten hemel en de Heilige Geest uitstortte met Pinksteren.
Maar beter lijkt het me nog om te zeggen: toen dat allemaal gebeurde, waarover de evangelisten schrijven en wat we in Handelingen lezen, toen heeft God daar een begin mee gemaakt. Het is nog niet af. Er zit tussen Pinksteren en de jongste dag nog een noodzakelijk stuk geschiedenis.
Maar je zou dat "de geschiedenis van de Heilige Geest" kunnen noemen. Een geschiedenis, die veel meer omvat dan dat er allerlei mensen tot geloof in Jezus Christus komen. Het is b.v. die geschiedenis, die ook bewerkt heeft, dat er - met name in dat deel van de wereld, waar de boodschap van Christus binnendrong en vaste voet kreeg - een geweldige levensontplooiing te zien geweest is. Maar het is diezelfde levensontplooiing, die de voile en diepste openbaring van de zonde in het menselijk leven mogelijk gemaakt heeft. De anti-crist is alleen denkbaar in het "tijdperk van de Heilige Geest". De “zonde tegen de Heilige Geest" is alleen dáár mogelijk waar de Heilige Geest aanwezig is.
Die verschrikkelijk snelle levens-ontbinding, die wij nu beginnen te zien, die moderne wanhoop, die je niet alleen bij “kreterige jongelui" aantreft, maar die je ook bij allerlei futurologen tegenkomt, het steeds verder om zich heen grijpende vuur van de "polarisatie", het zijn bewijzen dat de Heilige Geest er is en dat Hij het is, die het mensenleven opstuwt naar de laatste beslissing.
Uiteraard ontken ik niet, dat daarin Satan en zijn demonen werkzaam zijn. Ik denk echter ook aan de situatie, die we in Joh. 13 tegenkomen, toen de Here Jezus tegen Judas zei: "Wat ge doen wilt, doe het met spoed". Dat was direct nádat de Satan in Judas gevaren was. Ik acht het waarschijnlijk dat die woorden van Jezus veel meer tot Satan dan tot Judas gericht waren en dat ze niet alleen sloegen op het verraad van Judas, maar op alles wat Satan ging doen, toen Jezus' "ure" gekomen was. Jezus blijft meester van de situatie en zegt tegen Satan: nu is het jouw tijd, maar je moet het vlug doen, ik geef je niet véél tijd om je werk te volbrengen.
Welnu, in Openb. 12 : 12 staat dat de Satan weet dat hij "weinig tijd" heeft. Komt dat niet omdat in deze fase van de geschiedenis de Heilige Geest meester is van de situatie? Dat Hij het is, die de Satan opjaagt en hem bij wijze van spreken er dagelijks aan herinnert dat hij voort moet maken?
Dat neemt niet weg, dat wij hoe langer hoe meer tegen net zo'n wereld aan gaan kijken, als waar Jesaja tegenaan keek. Een wereld, die aan de ontreddering prijsgegeven wordt. Kunnen wij dat keren door weg te kruipen in het oude en vertrouwde? Wordt dat geweld gebroken aas de oude "charismen" weer terugkeren? Of moeten we juist nu ons er maar op voorbereiden dat we ons tenslotte alleen maar kunnen vastklampen aan die onveranderlijke belofte, die ons uitzicht geeft op de komst van Gods heerlijkheid? Zodat ook wij inderdaad weer terugvallen op dat oude gebed van Jesaja: Dat God de hemel scheurt en nederdaalt.
Daarbij denk ik dan ook aan de woorden uit Hebr. 12: 26 en 27: Die belofte van God dat Hij nog eenmaal niet slechts de aarde, maar aak de hemel zal doen beven en aan die verandering der wankele dingen. Met minder kunnen we niet toe.
Daarom denk ik dat in onze tijd dat gebed van Jesaja vervuld (= afgemaakt) wordt met dat gebed dat ons in de Openbaring van Johannes in de mond gelegd wordt. Dat is niet de vraag of ook in onze tijd de Heilige Geest nog eens wat opzienbarends zou willen doen, maar het gebed om de spoedige (weder)komst van de Here Jezus.
We moeten wel blijven staan op de basis van wat de apostelen ons geleerd hebben, maar tegelijk moeten ook wij ons uitstrekken naar wat vóór ons ligt. Het is de enige manier om God bij te houden op doeweg van de geschiedenis, die de weg naar de vervulling is van die onveranderlijke belofte, We zijn er bijna; nog (slechts) één keer worden hemel en aarde bewogen en het is zo ver.

Maart '76



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief