Gods overtuigend bewijs
1976-06-04
Waarom blijven we op het pinksterfeest zo gemakkelijk steken in het eerste gedeelte van Handelingen 2? Alsof de aanwezigheid van de Geest zich alleen, of vooral, manifesteert in meeslepende windvlagen, vurige tongen en mensen die ongewone klanken produceren, Het is waar: je kunt die verschijnselen - of soortgelijke - niet wegdrukken in het hoekje van een voorbije bedeling. Dat is lang genoeg en al te gemakkelijk gedaan.- Jaargang 20
- nummer 23
En uit dat gezichtspunt is er dus wel degelijk reden voor, vandaag vernieuwde aandacht te geven aan dat vergeten hoofdstuk: de charismata, de bijzondere gaven van de Geest.
Dat vergeten hoofdstuk omvat overigens meer dan alleen het eerste gedeelte van Handelingen 2 ons zou doen vermoeden. Meer dan dat waaraan vandaag bij het' woord "charismata" mees val gedacht wordt. Dat n.l, wat Paulus noemt nadat hij alle mogelijke charismata heeft opgesomd en nadat hij dan bovendien nog - met ironische toegeeflijkheid? - de raad gegeven heeft: mik maar op de hóógste gaven. Want dan volgt er: ik wijs jullie een weg die nog véél verder omhoog voert, - de liefde (1 Kor. 12 : 30-31 v.v.). De liefde, zegt Paulus, is het grote charisma, Want door de liefde wordt het "lichaam" gebouwd (1 Kor. 12 : 12 v.v.), het lichaam, dat één is.
Wanneer we na het verhaal over .de uitstorting van de Heilige Geest doorlezen, stuiten we onmiddellijk op een beschrijving van het leven der gemeente: ze bleven volharden bij ... de gemeenschap; ... en allen die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk (Hand. 2 : 41 v.v.). Even later wordt dat herhaald: En de menigte van hen, die tot het geloof gekomen waren, was één van hart en ziel, en ... zij hadden alles gemeenschappelijk (Hand. 4 : 32 v.v.). Hoe volstrekt die eenheid van de gemeente is, blijkt als Ananias en Sapphira er een "goedkoop" zaakje van maken: dat kan eenvoudig niet; het is alles of niets. En juist dan, als het totalitaire karakter van die eenheid is gemarkeerd, - juist dan durft niemand van de anderen zich bij haar aansluiten; maar (je zou haast vertalen: want) het voak stelde hen zeer hoog; en des te meer werden er toegevoegd, die de Heere geloofden (Hand. 5: 12:14).
Met name dat laatste, "des te meer werden er toegevoegd, die de Here gedoofden", doet denken aan wat Jezus aan God vroeg in dat gebed dat helemaal bepaald werd door zijn naderende afscheid: ]k bid niet alleen voor dezen, maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven, opdat zij alIen één zijn, gelijk Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove dat Gij Mij gezonden hebt (Joh. 17 : 20; vgl. vs 11).
Het is duidelijk dat Jezus méér op het oog had dan dat wat wij eenheid noemen: geen ruzie, allemaal netjes naar één kerk, allemaal precies hetzelfde zeggen en doen en vooral aardig zijn voor elkaar.
Jezus bad om een eenheid onder ons zó, als Hij en zijn Vader één zijn. Zo volstrekt op elkaar aangewezen.
Zo werkelijk saamhorig.
Zo vervuld van elkaar. Zo intens op elkaar betrokken. Zo één, dat je ook werkelijk niet meer zonder elkaar kunt, niet meer zonder elkaar wilt. Dat je pas leeft als je samen leeft.
En Hij bad om die eenheid, opdat de wereld zou geloven.
Want straks is Hij er niet meer.
Dan is er alleen nog de gemeente, door Jezus de wereld in gezonden, zoals God Jezus gezonden heeft.
Straks is Hij er niet meer, die zeggen kon: wie Mij gezien heeft, die heeft de Vader gezien. Als er één was, die de wereld werkelijk overtuigen kon, overtuigen van God en van het heil van God, dan was Hij het. Straks is er alleen nog maar de gemeente die het de wereld aan moet praten dat Jezus toch heus van God komt.
Dat is een probleem. Hoe zal de gemeente dat ooit kunnen doen?
Hoe zal de wereld dat aan de gemeente ontdekken, dat God Jezus gezonden heeft?
Dat zal, zegt Jezus, de wereld hieraan ontdekken, dat jullie één zijn.
Merkwaardig: Jezus spreekt niet het evangelie dat de gemeente moet verkondigen. Niet over hun rechtzinnigheid die de wereld tot andere gedachten moet brengen.
Ook niet over de goede dirugen die ze, stuk voor stuk, moeten doen.
Jezus spreekt over wat ze samen moeten doen, over wat ze samen moeten zijn. Over hun eenheid, waarin de eenheid tussen God en Hem tastbaar wondt. Juist aan die eenheid moet de wereld het gewaar worden dat God er is en dat God verlost door Jezus, en dat er hoop is en toekomst.
Dáárom gaat Jezus uit de wereld weg. Dáárom zendt Hij straks de Heilige Geest. Opdat die - door de eenheid van de gemeente - de wereld zou overtuigen (Joh. 16 : 5 v.v.). Dáárom is het voor het koninkrijk van God belangrijker dat de gemeente in de wereld is dan dat Jezus in de wereld zou blijven (Joh. 17 : 11).
Dat is het nu wat Paulus bedoelt als hij in Efeze 4 zegt dat Jezus is opgevaren in de hoogte en dat Hij gaven gegeven heeft aan de gemeente, opdat zij - dat lichaam - als een welsluitend geheel zou groeien om zichzelf op te bouwen in de liefde.
Zo'n gemeente, een gemeente met dit charisma van de Geest, - dat is wat de wereld nodig heeft. Juist die wereld, die zo krampachtig op zoek is naar werkelijke eenheid.
Naar wat mensen echt samen bindt. We kunnen er niet om heen dat het deze hunkering is die zich uit in maatschappij-kritiek, in het experiment van de commune, in de interesse voor de mens-wetenschappen in de felheid waarmee gegrepen wordt naar sociale vaardigheid.
Natuurlijk: daarin spelen ook andere factoren een rol. En het is een hunkering die onzuiver is, vol ressentiment vaak, in de blinde tastend, onmachtig. Dat zal allemaal wel waar zijn. Maar dan toch: een hunkering naar echt leven. En dat wil zeggen: naar een gesaneerde samenleving. Naar een mensheid, die niet meer uiteengeslagen wordt door concurrentie, maar werkelijk één.
En het antwoord op deze hunkering heeft God gegeven in Jezus, die opgevaren is en gaven gegeven heeft aan de mensen. Die de levendmakende Geest deed komen, - en kijk, dan is er een gemeente.
Niet een groep individuen, die iets belangrijks gemeen hebben ze geloven allemaal in God, ze houden allemaal de bijbel voor waar, ze houden er allemaal dezelfde levens- en wereldbeschouwing op na - maar een gemeente, die één lichaam is. Een gemeente waarin al iets te zien is van de nieuwe mensheid. Een teken van wat het worden zal, Christus zei: wie Mij gezien heeft, die heeft God gezien. Maar nu Hij zelf hier niet meer is, nu Hij zelf in deze wereld de heerschappij van God en het heil van God niet langer zichtbaar maakt, nu wijst Hij op zijn gemeente.
Wie de gemeente gezien heeft, die moet het wel geloven dat God Mij gezonden heeft. Dat God door Mij en door mijn Geest voor elkaar krijgt wat alle gemeenschapsdrift van mensen niet bereiken kan: dat ze één zijn, zo als Ik en de Vader één zijn.
En als de wereld dat niet te zien krijgt, als onze kinderen dáárvan niets merken, dan geloven ze het wel. Dan geloven zeer niets van, dat God Jezus gezonden heeft.
Dan geloven ze er niets meer van, ondanks onze mooie woorden, bijbelse leuzen en hoge pretenties.
Want daar kijken ze dwars door heen.
De weg, die ons nog veel verder brengt dan alle andere charismata, is de weg waarop niemand ons kan ontmoeten zonder de gemeente te ontmoeten. En dwars door ons en door de gemeente heen kijkend, moeten ze Jezus wel zien en God, die wat wij hopeloos stuik gemaakt hebben toch weer heelt.
Hem zij de heerlijkheid in de gemeente.