D. W. L. Milo – Vierhouten
1976-06-04
De bank te Nunspeet heeft een gevoelig versies geleden, "De" bank: reclame mag en wil ik niet maken. Dat is een vak apart, zoals sommige mensen weten.- Jaargang 20
- nummer 23
Zo'n mededeling was vroeger voldoende om 'ettelijke kleine spaarders in paniek te brengen: ze waren geruïneerd.
In dit geval betreft het een verlies van niet direct materiële aard. Aan de heer D. W. L. Milo werd een afscheidsreceptie aangeboden, in verband met zijn pensionering per ultimo mei, als directeur van het kantoor van ongenoemde bank te Nunspeet.
Toegegeven: de bank heeft geprobeerd het verlies tot het uiterste te beperken, Aan de heer Milo werd destijds verzocht nog een paar overjaren te maken (u rekent zelf maar uit hoeveel overuren dat zijn), mede om zijn opvolger in te werken. Ook deze laatste taak is nu achter de rug.
En niets belet onsen passant deze opvolger, de heer J. R. Byenfait (geboren en getogen te Eindhoven) van harte succes te wensen in de uitoefening van zijn functie.
Een receptie is meer dan zo maar een ontvangst. In feite is het een levensgrote verrassing. Er zijn de verwachte gasten. Andere verwacht je, maar ze zijn er niet - de redenen kunnen zovele zijn, dat het raden er naar een even onbegonnen als onbezonnen werk zou zijn. Weer andere verwacht je niet - en kijk: daar staan ze al voor je: een warme handdruk, een begrijpend woord.
Zo'n ontvangst is een overweldigend gebeuren: je ziet een stuk van ie verleden herleven en aan je voorbijtrekken. Achter elke naam schuilt een mens (twee mensen zou Pierre Abraham zeggen), een stukje van de boeiende puzzle die "leven" heet. Een leven trekt voorbij in een paar uur - te weinig tijd om zoveel te verwerken. Zeker voor een kunstenaar, wiens esprit zijn afstamming verraadt, Hoe gevoeliger, des te dieper de indrukken - dat geldt zowel voor de vreugde als het verdriet.
De lezers van "Opbouw" kennen "D. W. L. Milo". Zij kennen zijn gaven, zijn charisma's, èn de wijze waarop hij daarmee heeft gewoekerd.
Zij kennen de veelzijdigheid van deze enige echte journalist die "Opbouw" kent. Medewerker van het eerste uur, later redactie-lid, nu voorzitter van de redactie.
Kunst - ook kunst met de pen - is voor een kunstenaar een hachelijke zaak: je bent immers voortdurend beaig jezelf bloot te geven hoe argeloos de inkleding ook schijnt. Tegelijk is het bijna een bedreiging. Hoe intenser je leeft en schrijft, des te groter is de reactie die je oproept. En die reactie kan even goed er een zijn van dankbaarheid en begrip als van boosheid. Zelfspot is een goede zelfbescherming, humor herstelt het evenwicht - gelukkig is hij ook daarmee begiftigd.
Zijn afscheid van de bank moge een goede aanleiding zijn onze dank uit te spreken voor wat hij aam "Opbouw" heeft bijgedragen. De wens van een welbesteed en wel genoten leven, ook na het afscheid, gelde zowel hem als zijn vrouw. Hij weet dat ook dit “genade", geen verdienste is.
Aan professoren pleegt men bij hun emeritering wel eens een Feestbundel op te dragen. Aan de man, die zich ook in zo grote mate met muziek en psalmgezang heeft beziggehouden, draag ik graag de volgende beknopte bijdrage op over Psalm 118. Een psalm, waarvan het refrein ook toen al noodde tot een "en nu allemaal"!
Psalm 118
* Bijen en Amorieten
"Zij omringden mij als bijen ... " (vs 12). Is het u wel eens opgevallen hoe zelden bijen in het land van melk en honing met name worden genoemd? Behalve in de naam Deborah (al dan niet vriendelijk: mejuffrouw Bij) worden ze maar vier keer vermeld in het Oude Testament. En daarvan slechts één keer letterlijk: de bijeenzwerm in het karkas van Simsoms leeuw (Richt. 14 : 8).
Voor het overige figuurlijk, als benaming van volkeren: Ps 118 : 12; Jes. 7 : 18 (Asser) en Deut. 1 : 44.
In laatstgenoemde tekst horen we Mozes vertellen: "daarop trokken de Amorieten, die dat gebergte bewoonden, uit, u tegemoet, en zij vervolgden u als bijen en versloegen u in Seïr, tot Horma toe".
De Israëlieten wisten waar ze aan toe waren met die zwerm venijnige Amorieten achter hen aan! Ze werden verslagen ... maar Ps 118 is een duidelijke overwinningslied, zegt u? Jazeker. Maar de preek van Mozes (in Deut.) is langer.
Israëls eerste poging Kanaän te veroveren werd een mislukking, Zoals Jahweh had voorzegt: " ... want Ik zal niet in uw midden zijn" (Deut. 1 : 42). Maar 38 jaar later (2 : 14-16) staat het er anders voor: "zo. ontnamen wij noen aan de beide Koningen der Amorieten (Sihon en Og) het land dat aan de overzijde van de Jordaan ligt ... " (3 : 8 v.v.).
En daarvoor en daarna zijn er ook heel wat gesneuveld, "reuzen" soms, bepaald geen "kleine jongens".
* De ware proporties
Nu terug naar Ps 118 - het refrein (vs 1-4) laten we even voor wat het is. De eerste strophe begint bij V1S 5 - te denken valt aan wisselende koorzang. Luister naar Israëls verworven inzicht: uit de benauwdheid (Ps 116 : 3!) heb ik tot Jahweh geroepen. Jahweh heeft mij geantwoord! Hoe? Hij heeft mij in de ruimte gesteld ---ruimte verschaft.
Anders dan bij de eerste poging (Deut. 1 : 42) kan Israël nú zeggen: Jahweh is met mij. Daarom: ik zal niet vrezen - wat 2l0U een mens mij doen? Zo'n 38 jaar geleden verspreidden de tien verspieders een kwaad gerucht: . .. ook zagen wij daar de reuzen, de Enakieten ... en wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen (Num. 13 : 32, 33). Nu zijn de reuzen tot hun eigenlijke proporties teruggebracht: het zijn maar mensen. Zag Israël toentertijd tegen hen op ("sprinkhanen in hun en onze ogen"), het kan verkeren: Jahweh is met mij, onder mijn helpers daarom zal ik op mijn haters neerzien. De les is geleerd: het is beter bij Jahweh te schuilendan op mensen, edelen (al zijn het super-mensen) te vertrouwen.
* Een oud thema
Onmiskenbaar is de geestdrift over de triomf in het op zijn minst drievoudig herhaalde: alle volken omringden mij - in de naam van Jahweh heb ik ze geslagen (zeer oude hebreeuwse taalvorm als in Ex. 15, het lied van Mozes). Met geen ander wapen dan David in het geweer bracht tegen reus Goliath: "in de naam van Jahweh" (1 Sam. 17 : 45). Zij omringden mij als bijen - de bijen in en rond Kanaän zijn nogal agressief. Misschien brengt hun vurige steek Israël op dat andere woestijnbeeld : zij werden als een doornenvuur uitgeblust. De nieuwe berijming brengt het treffend over in Onze ervaringswereld: als een strovuur.
Het mag waar zijn: gij (vijand) had mij wel duchtig gestoten tot vallens toe - bijna was Israël “ten val gebracht" (nieuwe berijming).
Ze waren als volk bij de eerste mislukte poging (Deut. 1 : 44) bijna het leven erbij ingeschoten.
Maar zover is het wonder boven wonder toch niet gekomen: Jahweh heeft mij geholpen!
Heel de heilsgeschiedenis vanaf de uittocht uit Egypte wordt weer levend, als een hartverwarmende herinnering en zekerheid. Was niet de eerste inzet na het thema van Mozes' lied dat wat Israël nu uitzingt? Hoor: Jahweh is mijn sterkte en mijn psalm, Hij is mij tot redding geweest (vs 14; Ex. 15 : 2; vgl. Jes. 12 : 2!).
* Het zelfde motief
Juichend nadert het terugkerende leger het tentenkamp. Het goede nieuws is hun al vooruitgesneld.
Gejuich wordt beantwoord met gejuich: hoort jubellied en zegezang in de ten ven der rechtvaardigen (die recht staan tegenover Jahweh). De achtergeblevenen, waaronder de vrouwen en kinderen, laten het iedereen horen. Ook al weer drievoudig: de rechterhand van Jahweh doet krachtige daden (vgl. Num. 24 : 18); verhoogt (wie terneergeslagen was). De inzet van Ps 115 wordt doorzichtig: niet ons, o Jahweh, niet ons, maar uwen naam geef eer!
De dankbaarheid kan bijna niet groter zijn: Ik (Israël) zal niet sterven, maar leven. Het was immers een zaak van dood of leven - hetzelfde motief binnen de halleluiabundel als in Ps 116 : 3, 4, 9 en Ps 115 : 17, 18. Ik zal leven en de daden van Jahweh vertellen - niet de doden zullen Jahweh loven ... maar wij, wij zullen Jahweh prijzen! En er valt wel wat te vertellen: Jahweh heeft mij wel zwaar gekastijd (vgl. Deut. 8 : 5) - het ongeloof bij de eerste blik op Kanaän is hun wel duur te staan gekomen - een spoor van graven in de woestijn (Deut. 2 : 14-16). Maar: aan de dood heeft Hij mij niet prijsgegeven (vgl. Ps 116 : 15; en leg hier ook eens naast Num. 14 : 11, 12!).
* De stenen spreken
Opnieuw nemen de terugkerenden het woord en vertolken zo aan de achtergeblevenen hun vreugdevolle bedoelingen. Hoor maar weer: ontsluit mij de poorten der gerechtigheid, ik zal daardoor binnengaan, ik zal Jahweh loven!
Poorten - meervoud eerst. Want het tentenkamp zelf heeft een poort (Ex. 32 : 26). Maar binnen het klamp heeft ook de tabernakel een plaats, de tent van Jahweh. En in één ruk gaan ze door: dit is de poort van Jahweh - de rechtvaardigen gaan daardoor binnen.
Israël stroomt samen in de voorhof om het halleluja onder woorden te brengen. Gemotiveerd: ik loof U, omdat Gij mij geantwoord hebt (vgl. vs 5) en mij tot heil zijt geweest (vgl. vs 14)!
Opnieuw komen oude beelden hun weer levendig voor de geest hoe jong ze indertijd ook waren, de verschrikkingen van Egypte staan voorgoed in hun ziel geëtst.
Waren zij en hun vaderen in Egypte niet veroordeeld tot harde slaafse arbeid? Lieten de Egyptenaren hen, mannen, vrouwen en kinderen, niet onder mishandeling werken? Maakten zij hun het leven niet bitter door harde slavenarbeid met leem en tichelstenen? Moesten zij voor Farao niet voorraadsteden bouwen, Pithom en Raämses (Ex. 1 : 11-14)? ZIj dwangarbeiders --- Egyptische bouwmeesters en opzichters als hun superieuren.
Hoe vaak zullen zij niet gezien hebben (met name bijvoorbeeld bij de bouw van egyptische tempels of andere belangrijke gebouwen) hoe de verantwoordelijke voorman de ene na de andere steen afkeurde als hoeksteen? Wat tussen de hoeken vor materiaal gebruikt werd, was minder belangrijk: op de hoekstenen kwam het aan!
Hoe zal dit (voorbeeld hun hebben aangesproken als armetierig slavenvolkje zonder land! De steen diende bouwlieden versmaad (afgekeurd) hebben, is tot een hoeksteen geworden ... Deugde Israël nergens toe? De daden van Jahweh spreken andere taal!
Daar is (Deut. 7 : 7) maar één verklaring voor: van Jahweh is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen.
De verklaring is eigenlijk geen verklaring: wat voor de wereld dwaas en zwak, onaanzienlijk en veracht (vgl. Jes. 53!), dat wat niets is, heeft God uitverkoren ...
Opnieuw die vreemde, souvereine, onbegrijpelijke, stilmakende keus van God - hoe vaak is en wordt Gods volk daar in de geschiedenis niet mee geconfronteerd?
* Wat de eeuwen verduurt
Feest is het in het tentenkampniet voor niets dient deze psalm behalve op paasfeest ook op Loofhuttenfeest als feestlied. Feest met de diepe erkenning: dit is de dag die Jahweh gemaakt heeft! Het wonder van Gods keus valt niet te ontrafelen. Wat wel kan, is dit: laten wij juichen en ons daarover verheugen! Onder erkenning van eigen afhankelijkheid: och Jahweh, geef toch heil (vs 14, 21); och Jahweh, geef toch voorspoed!
Het karwei is nog niet klaar: doe het ons ook verder gelukken.
Niet voor niets is het huis van Aäron, zijnde priesters in Gods rent. Hoor hoe ze de bidders beantwoorden: gezegend hij, die komt in de naam van Jahweh (vgl. vs 10-12); wij zegenen u uit het huis van Jahweh! Wat wil een mens nog meer?
Wat hij nog meer wil? Eerst uitdrukkelijk vaststellen en belijden: Gód is Jahweh - Hij en geen ander (vgl. Ps 115)! Hij heeft het voor ons doen lichten (vgl. Num. 6 : 22-27) - de priesterlijke zegen werd tastbaar.
En verder: dankoffers brengen.
De buit, ook van het vee (Deut. 2 : 35; 3 : 7), is zo overvloedigen het gedrang zo groot dat er alle reden is voor de aansporing: bindt de feestoffers met touwen vast tot aan/bij de hoornen van het altaar!
En wat Saul (1 Sam. 15) verzuimde te erkennen, is hier het eerste woord van de overwinnaar: Gij (alleen) zijt mijn God, U zal ik loven - 0 mijn God, U zal ik verhogen!
Ja, dan is het laatste woord van dit lied gelijk aan het eerste. Als een refrein waarmee ieder (Vgl. Ps 115 : 9-11) instemme: laat Israël, laat het huis van Aäron; laat wie Jahweh vrezen nu op het "looft Jahweh, want Hij is goed" als één man juichend antwoorden: zo is het - zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid!