Godsdienst "privaatzaak?”

1976-06-04
  • Jaargang 20
  • nummer 23
Infiltratie van de leden van de kommunistische partij en van sympathisanten van het kommunisme in de bestuursinstanties van de V.U. en de kritiek op de tegenstanders daarvan stellen met nieuwe kracht en ernst de vraag aan de orde of het authentieke marxisme - en dan speciaal het leninistisch marxisme dat de grondslag is van alle kommunistische partijen - verenigbaar is met het authentieke christendom en het authentieke christelijk geloof.
In internationaal verband kwam deze vraag vooral ook aan de orde in het streven van de communistische partij in Italië - ook door nederlandse christenen toegejuicht - om met de christendemocraten regeringsverantwoordelijkheid te aanvaarden. En die vraag is wel zeer concreet aan de orde gekomen nu een vooraanstaande Italiaanse rooms-katholieke politicus, Altiere Spinelli, E.E.G.-commissaris, zich heeft laten vinden om een verkiesbare plaats op de kandidatenlijst van de Kommunische partij te aanvaarden.
Met het oog op deze gebeurtenissen is het nodig in te gaan op de vraag naar de verhouding van marxisme en christendom.
In dit artikel willen we dat doen.

Over de verhouding van marxisme en christendom is reeds ontzaglijk veel geschreven. Ik wil een studie van Lenin over dit thema. Zoals men weet zijn de werken van Marx en Lenin voor de kommunisten canoniek.
De gehele wereldbeschouwing van de Sociaal-democraten - en daarmee bedoelt Lenin het kommunisme - is, zo betoogt hij, opgebouwd op de grondslag van het wetenschappelijk socialisme, da:t wil zeggen van het marxisme. De filosofische grondslag van het marxisme vormt voorts, zoals zowel Marx als Engels herhaaldelijk verklaard hebben, het dialectisch materialisme dat de historische tradities van het materialisme van de 18e eeuw uit Frankrijk, evenals dat van Feuerbach in Duitsland, volledig heeft; overgenomen. 1) Dat is een materialisme dat onvoorwaardelijk atheïstisch is en iedere religie.
Lenin herinnert dan aan een vijandig staat ten opzichte van schrift van Marx' vriend en geestverwant Engels, waarin deze zich fel keert tegen de atheïstische en materialistische filosoof Dühring, met welk geschrift Marx geheel en al accoord ging In die studie betoogt Engels dat het atheïsme van Dühring inconsequent is omdat hij een achterdeurtje (Hintertürchen) voor een religieuze filosofie houdt En Lenin herinnert er ook aan dat Engels Feuerbach verwijt dat hij de religie bestreden heeft niet om ze te vernietigen, maar om ze te vernieuwen, om een nieuwe en hogere religie te verzinnen. 2) De religie, aldus Lenin, is de opium van het volk - deze uitspraak van Marx is de hoeksteen (Eckpfeiler) van de gehele wereldbeschouwing van het marxisme t.o.v. de vraag naar de religie. Het marxisme beschouwt alle tegenwoordige religies en kerken en alle andere religieuze organisaties steeds als organen van de burgerlijke reaktie. En ze dienen alleen ter bescherming van de uitbuiting en beneveling van de arbeidersklasse.

Lenin werkt dan deze grondstelling verder uit en wel door de vraag te stellen - en die is in de huidige situatie zeer belangrijk of het nodig is dat de kommunistische partij een duidelijke en publieke belijdenis van haar atheïsme moet doen en een openlijke en rechtstreekse oorlogsverklaring aan de godsdienst in haar partijprogram moet opnemen. Zo iets wielen zij die nog "linkser" en "revolutionairder" willen zijn dan het kommunisme is!
Lenin is hier fel tegen. En hij beroept zich daarvoor weer op Engels.
In diens bespreking van het beroemde manifest van die zgn. Blanquisten - een groep franse kommunisten die de bevrijding uit de loonslavernij niet van de klassenstrijd van het proletariaat, maar van de samenzwering van een kleine minderheid van intellectuelen verwachtten - noemde hij een dergelijke positieve belijdenis van. het atheïsme en zulk een oorlogsverklaring aan alle religies rondweg een domheid. Engels betoogt dat zo'n oorlogsverklaring aan alle religies het beste middel is om de belangstelding in de religie te verlevendigen! En hij verwijt de Blanquisten dat zij maar niet konden begrijpen dat alleen de klassenstrijd van de arbeidersmassa's.
die de brede lagen van het proletariaat eenzijdig in de bewuste en revolutionaire maatschappelijke praktijk inschakelt, in staat is de onderdrukte massa van het juk der religie te bevrijden.
Het is een zinloze, en gevaarlijke frase de strijd tegen de religie tot een politieke opdracht van de arbeiderspartij te proclameren.

Lenin wijst in dit verband op de bekende "Kulturkampf" die in 1871-'79 in Duitsland woedde.
Deze bestond daarin dat de regering van Duitsland, onder leiding van Bismarck, met politieke middelen - met name door het onder regeringstoezicht stellen van het onderwijs, ook van het kerkelijke rooms..katholieke - de macht van het Rooms-katholicisme poogde te beknotten.
In zijn strijd tegen de felle, radiale Blanquisten, die in de tijd van de "Kulturkampf" werd gevoerd, geselt Engels vooreerst meedogenloos alle idealisme en alle religie. Maar niet minder het streven om in de kommunistische maatschappij de religie te verbieden.
Een publieke oorlogsverklaring aan de religie noemt Engels een overtroeven van Bismarck (Bismarck überbismarcken). Dat wjl zeggen: de stommiteit van Bismarks strijd tegen het R.-Katholicisme herhalen en overtreffen.
Door deze strijd heeft Bismarck het strijdbare kerikalisme van de Rooms-Katholieken alleen maar versterkt en heeft hij de zaak van de werkelijke "Kultur" alleen maar schade berokkent.
Want in plaats van de politieke scheiding der geesten stelde hij de religieuze op de voorgrond. Hij verving op politiek terrein de kommunistische antithese tussen proletariaat en bourgeoisie door een religieuze antithese tussen niet-katholieken en katholieken.
En op die wijze trok hij de belangstelling van bepaalde lagen van de arbeidersklasse en van de democratie àf van de dringende taken van de revolutionaire strijd en de klassenstrijd en richtte die op een zeer oppervlakkig burgerlijke leugenachtig antiklerikalisme.
Engels verweet in zijn felle polemiek met Dühring dat deze er op uit was als ultra-revolutionair Bismarcks domheid op een andere manier te herhalen! En hij eiste van de arbeiderspartij dat zij het moest inzien dat zij geduldig moest werken aan de organisatie en de verlichting (Aufklärung) van het proletariaat. Dàt werk ven van de religie! Maar zij moest zich niet storten in hert;avontuur zou van zelf leiden tot het afsterven een politieke strij d tegen de religie.
Deze visie van Engels is nu - aldus Lenin - in het duitse kommunisme vlees en bloed geworden!
Zo heeft het zich bij voorbeeld vóór de vrijheid van de Jezuïeten, vóór hun toelating in Duitsland en de opheffing van alle maatregelen van de politie tegen iedere religie uitgesproken.
In een beroemde "Verklaring" uit het "Erfurter program" van de sociaal democraten - de kommunisten - opgesteld in 1891, heeft de sociaal-democratie, het kommunisme, deze "politieke taktiek" - men lette goed op dat woord: het gaat om een taktiek, Lenin schrijft letterlijk: "politische Taktik - voor goed vast gelegd.
Hert;is de "Erklärung der Religion zur Privatsache".

Maar, aldus Lenin, er is met deze verklaring iets heel ergs gebeurd.
Men heeft die tot een "Schablone" gemaakt. En daardoor is het gekomen tot een misvorming (Entstellung) van het marxisme in tegengestelde richting. Namelijk in die van het opportunisme. Men is er namelijk toe gekomen om de genoemde verklaring van Erfurt zó uit te leggen dat "onze partij" de religie als een privaatzaak beschouwt, dat voor ons kommunisten, voor onze partij de religie een privaatzaak is! In de jaren negentig heeft Engels zich met alle energie juist tegen deze valse interpretatie van de genoemde verklaring verzet, Hij betoogde namelijk dat die stelling: Religie, godsdienst is privaatzaak wel tot uitdrukking brengen dat godsdienst ten opzichte van de Staat als privaatzaak werd beschouwd, maar absoluut niet ten opzichte van het marxisme en de arbeiderspartij!
Dit is de "uiterlijke geschiedenis" (die aüsere Geschichte) van de positiekeuze van Marx en Engels ten opzichte van de religie, Voor lieden die niet gewetensvol tegenover het Marxisme staan, voor lieden die niet kunnen of willen denken, zo voegt Lenin hier op zijn sarcastische manier van spreken aan toe, is deze geschiedenis een kluwen van zinloze tegenstrijdigheden en onvastheid, weifeling van het marxisme. Om zo te zeggen een mengelmoes (Mischmasch) van konsequent atheïsme en inschikkelijkheid (Nachsicht) ten opzichte van de religie, een of ander beginselloos heen en weer geslingerd worden tussen de r-r-revolutionaire oorlog tegen God en de laffe wens de gelovige arbeiders naar de mond te praten, de angst ze af te schrikken enz. In de literatuur van de anarchistische woordenkramers (Phrasendrescher) kan men veel witvallen van dat soort tegen het marxisme aantreffen.

Wie evenwel ook maar voor de helft de bekwaamheid bezit zich serieus - ten opzichte van het marxisme - op te stellen, zich in te leven in zijn filosofische grondslagen en zich de ervaringen van het internationale kommunisme in te denken, zal gemakkelijk inzien dat de taktiek van het marxisme ten opzichte van de godsdienst door Marx en Engels grondig is doordacht. En dat dat wat dilettanten of domoren als weifelingen of onvastheid beschouwen een direkte en onontwijkbare consequentie is die uit het dialectische materialisme voortvloeit Het zou door en door vals zijn die vermeende matiging van het marxisme ten opzichte van de religie uit zogenaamde "taktische" overwegingen, zo in de zin van "niet afschrikken", te verklaren. In tegendeel, de politieke lijn van het marxisme staat ook in deze. kwestie in onafscheidelijke samenhang met zijn filosofische grondslagen Marxisme is materialisme, aldus Lenin. En als zodanig staat het in een even meedogenloze vijandschap tegenover alle religie als het materialisme der Encyclopedisten van de 18e eeuw of het materialisme van Feuerbach, Dat staat buiten iedere twijfel. Wij moeten de religie bestrijden. Dat is het abc van het alle ("gesamten", vetdruk van Lenin) Materialisme en dienvolgens ook van het Marxisme.
Zeker, nog eens, de partij van het proletariaat eist van de staat de verklaring dat de religie "privaatzaak" zal zijn. Maar daarbij beschouwt ze evenwel de strijd tegen het opium van het volk, de strijd tegen het bijlgeloof enz. absoluut niet als een "privaatzaak".
De opportunisten die beweren dat de kommunistische partij de religie als privaatzaak beschouwt verdraaien de zaak. 3)

En Marx en Lenin waren radicale en felle bestrijders van het christelijk geloof. En ze eisten dat hun volgelingen dat ook zouden zijn.
In een artikel "Ueber Religion" schreef Lenin: "Het atheïsme ligt in het marxisme opgesloten, Daarom moet een klassebewuste marxistische arbeiderspartij ook een vastbesloten atheïstische prop agande voeren.". "Wij moeten tegen de religie vechten (ankämpfen).
Dat is het abc van het totalitaire materialisme en bij gevolg ook van het marxisme". In een van zijn brieven aan Maxim Gorki schreef hij: "Iedere religieuze idee, iedere idee van enige God, ieder koketteren daarmee is een onuitsprekelijke gemeenheid." "Ieder mens die zich met de konstructie van een God bezig houdt, of ook maar zulk een konstruktie toelaat, bespuwt zichzelf op de meest kwalijke manier."
Aldus Lenin!

1) Dialectisch materialisme is een moeilijk begrip. Het komt hierop neer: het is een materialisme waarin een evolutie wordt aanvaard die zich door tegenslagen, crises, strijd, soms schijnbare nederlagen voltrekt.
2) Feuerbach was de theoloog (!!) die ruwweg gezegd betoogde dat niet God de mens, maar de mens God schiep. God is voor F. niets dan de projectie van de natuurlijke verlangens en idealen in een gefantaseerd beeld dat men God noemt.
3) De studie waaraan ik het bovenstaande ontleende is o.a. te vinden in: W. L. Lenin: Marx - Engels - Marxismus, Boecherei des Marxismus Leninismus.
Band 50, Berlin. Dierr. Verlag 1959; 257 v.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief