Het oude lied

1976-06-11
  • Jaargang 20
  • nummer 24
Wat er bij de uitstorting van de Heilige Geest plaatsvond, gebeurde wel eensklaps en het kwam ook werkelijk uit de hemel (Hand. 2 : 2), dat wil niet zeggen dat het zo maar uit de lucht kwam vallen. Want er was hier, in deze wereld, een hele geschiedenis aan vooraf gegaan.
Het is voldoende bekend dat Petrus in zijn pinksterpreek niet zo erg lang bij het komen-van-de-Heilige-Geest-op-zich-zelf stilstaat.

Want hij wil vooral dat plotselinge gebeuren van de morgen in historisch perspectief zetten.
Wat zit achter dit incident?
Want het is geen incident. Wat is er allemaal niet aan vooraf gegaan?
Hoe is God zover gekomen?
Natuurlijk, - dan komen de dood en de opstanding van Jezus ter sprake. Maar ook Jezus komt niet ter sprake dan nadat éérst een veel bredere context is zichtbaar gemaakt: dit is het waarvan gesproken is door de profeet Joël.

En alweer: dat is méér dan die verwijzing naar een geïsoleerde tekst, een incidentele voorspelling.
Met dit citaat roept Petrus het typische van héél Gods geschiedenis met Israël in de herinnering.
Het typische van die geschiedenis is nu, dit dat het - aan de ene kant - een geschiedenis is die op niets dreigt uit te lopen. Want God steekt keer op keer zijn handen naar Israël uit, want Hij wil dit volk met zich meenemen. Maar ook telkens weer laten ze God staan, geven ze geen respons of juist een averechtse respons. En al blijft God dan ook ondanks alles toch op weg naar het heil, als maakt God na elke nieuwe mislukking een nieuw begin, het haalt allemaal niets uit.

En je zou zeggen: daar moet God toch wel eens een keer genoeg van krijgen. Daar heeft het dan ook alles van weg als Joël het ingrijpen van God gaat aankondigen: Dat alle inwoners des lands sidderen; want de dag des Heeren komt; een dag van duisternis en donkerheid, een dag van wolken en dikke duisternis. De vijanden zijn in aantocht en zullen Jeruzalem binnentrekken en het verwoesten, Maar achter die vijand is God die met zijn volk komt afrekenen.
Want machtig is het leger dat zijn woord volbrengt, want groot is de dag des Heeren en zeer geducht; wie zal hem verdragen? (Joël 1 : 15-2 : 11).

Is het dus afgelopen? Nee, er komt wéér een nieuwe kans: ook nu nog luidt het woord des Heeren: bekeert u tot Mij. Wie weet of Hij zich niet wendt en berouw heeft en een zegen achter zich laat overblijven (2 : 12-14). En bij die vage hoop (wie weet?) laat God het niet. Want Hij geeft weer een belofte van verlossing. Hij zal de vijand verdrijven. En dan, dan zult ge weten dat Ik in het midden van Israël ben en dat Ik, de Heere, uw God ben en niemand anders (2 : 27).

Alsof dat nog niet genoeg is laat God zijn volk dan ook nog zien, waarop dat tenslotte uitlopen moet. Op de volledige doorbraak van het heil: daarna zal het geschieden dat Ik van mijn Geest zal uitstorten op alle vlees (2 : 28).
En dan - daar eindigt Joël tenslotte mee, dan zal de Heere blijven wonen op Sion (3 : 21).

Daar lijkt het overigens voorlopig nog niets op, Integendeel, Ook nu, na deze belofte, wendt Israël zich af van God. En, zegt Petrus, dat is zo doorgegaan. Dat is zelfs zover doorgegaan dat jullie de man, door wie God in jullie midden wonderen verricht heeft, Jezus van Nazareth, Jeruzalem uitgetrapt hebben. God is tot het uiterste gegaan met jullie. Maar jullie zijn ook tot het uiterste gegaan met God .Want jullie hebben Jezus gedood (Hand. 2 : 22-23).
Dat moet dus het einde zijn. God gaat zover als Hij maar kan. Maar zelfs dan, jurist dan blijkt het met wat voor mensen God te maken heeft. Naar wat voor mensen God zijn handen uitsteekt. Voor welke mensen God alles op alles zet.
Mensen, die tot het bittere einde blijven protesteren, blijven weigeren, blijven rebelleren.

En dan?
Dan gaat God nóg verder. Dan wekt Hij Jezus op. En dan keert Hij zich in de verrezen Jezus toch weer tot die mensen, die van Jezus niets hebben moesten (Hand.
2 : 32-36), om - zoals Petrus het later zegt - hen te zegenen (Hand. 3 : 26). En dan stort God zijn Heilige Geest uit.
Dan gaat God tot het aller uiterste, Dan dringt Hij zich, zegenend, zozeer aan ons op, dat Hij zelf in ons wil gaan wonen, Dat Hij zelf ons leven vullen gaat met zijn aanwezigheid. Met zijn levenskracht.
Met zijn vuur. Met zijn liefde. Pinksteren wil zeggen: God keert zich zo radicaal naar ons toe, dat wij daardoor andere mensen worden.

Dat is toch het opvallende van de uitstorting van de Heilige Geest.
Dat er iets met de mensen gebeurt. Tot dusver ging alles wat God deed nog in zekere zin buiten de mensen om. God deed brood uit de hemel regenen. God dreef de vijanden op de vlucht. Hij genas zieken, wekte doden op. Dat is allemaal waar. Maar daardoor veranderen de mensen zelf nog niet. Ze veranderen daardoor nog niet grondig. Ze blijven eigenlijk dezelfden. En alles wat God aan ze doet en voor ze doet kan daar niet zoveel aan veranderen Ze verzetten zich, zoals de farizeeên, ze worden duivels, zoals de priesters.

Of ze geloven alleen maar niet, zoals de discipelen, die Jezus als 't er op aan komt in de steek laten.
Dat wordt radicaal anders op het pinksterfeest. Want dan gebeurt er wat met de mensen. Dan gebeurt er iets zó ingrijpends met de mensen, dat de omstanders zich vol verbazing afvragen: wat mankeert die lui? Wat is er in 's hemels naam met ze gebeurd?

Wat er met ze gebeurd is? God is naar ze toe gekomen. God is zo indringend naar ze toe gekomen, dat Hij ze van voren en achteren heeft bezet, God is onder de mensen en in de mensen. En als dat gebeurt, dan zeggen ze niet: wat is de wereld om ons heen veranderd! - was zijn de omstandig, heden gewijzigd! - hoe heeft ons lot zich ten gunste gekeerd! Maar: wat zijn wij veranderd. We zijn mensen van God geworden. Mensen, die zo door God benaderd zijn, dat Hij in hun handen en voeten, in hun ogen en mond is gaan zitten. Mensen, die radioaal veranderd zijn. Levend gemaakt.
Door God. Door Jezus. Door de Geest.

Is het een wonder dat de mensen, die met dit alles geconfronteerd worden, slechts één - radelozevraag hebben: wat moeten we doen? Als het waar is dat Jezus, die wij hebben weggeschopt, de hand is van God, - als het waar is, dat deze levendmakende Geest de Geest is van Jezus, - dan hebben wij het heil. verworpen, dan hebben we de dood boven het leven gekozen, Dan is er eigenlijk geen hoop meer.

Petrus zegt: jullie moeten je omkeren.
Jullie mogen je omkeren.
Want God wil jullie schuld vergeven.
Zelfs deze schuld. En als jullie je werkelijk omkeren naar God, dan zullen ook jullie zijn gave - de Heilige Geest - ontvangen.
Dan wordt het woord van Joël aan jullie vervuld. Dan ga je Gods nieuwe wereld binnen. Keer je naar God toe, dan zal God zich naar jullie keren.

Is dat dus toch weer het oude liedje. God wacht eerst eens af wat de mensen doen. En dan, als de mensen wel wilden, als de mensen zich naar Hem toekeren, ja, dan wil Hij ook wel met de mensen verder gaan.

Is dat het oude liedje? Maar is niet dit het lied van oeroude tijden: dat God zich tegen alle tegenstand en onwil van de mensen in, naar hen heeft gekeerd?
En dat Gods geduld altijd een langere adem heeft dan ons verzet, dan onze onwil,- dat wordt op het pinksterfeest pas helemaal uit de doeken gedaan. Als Petrus zijn roep tot omkeer pas horen doet, nadat en omdat God zijn Geest heeft uitgestort, Nadat en omdat God zich in Jezus - gedood en opgestaan - zo radicaal als het maar kan naar de mensen heeft toegekeerd. Dán, als God dat gedaan heeft, als Hij tegen alles in zijn belofte ven de Geest, van leven, van heil, heeft waargemaakt, dán zegt Hij: keer je om naar Mij. En juist dán kan God dat zeggen. Want juist dán heeft Hij laten zien wat Hij voor een God is. Wij hebben tot het uiterste tegen God gekozen.

Maar Hij heeft naar ons omgezien.
Wij, in de nacht verdwaalden,
hoe zou het ons vergaan
indien Hij ons niet achterhaalde.
Indien niet in de duisternis
het licht dat Jezus Christus is
gelijk de morgen straalde.

Als we ons ooit omkeren naar God, dan toch alleen doordat we het ontdekken, hoezeer God zich tot het uiterste, tot en met Pinksteren, omkeert naar ons. In een liefde die eerder en dieper is dan onze liefde.
Als we ons ooit láten dopen, dan toch zeker, wanneer Hij ons, ons, onderdompelt in zijn heil.
Pinksteren is het feest van God, die de eerste is en die volhoudt en die tot het uiterste gaat, het feest van God die wint.
Daarom wordt de uitstorting van de Geest ook het feest van mensen, die geen kant meer uitkunnen, die radeloos zijn: wat moeten we doen? - en die dan behouden worden, omdat Zie zich door deze God overwinnen láten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief