OP TIJD OPHOUDEN

1976-06-11
  • Jaargang 20
  • nummer 24
Kent u nog de naam van de eens zo beroemde sopraanzangeres, mevrouw A. Noordewier-Reddingius? Ze overleed in 1949 als een oude vrouw. Dat is een generatie geleden, zeggen we vandaag. Haar successen lagen dus zo'n twee tot drie generaties terug; ik neem aan dat de meeste lezers van dit goede blad zich haar niet herinneren.

Ja, dat was in een tijd, dat men niet Aaltje Noordewier durfde te zeggen.
Men noemde haar voluit mevrouw Noordewier-Reddingius, Zoals men in de Engelse landen nog spreekt van een Lady Chatterly en een Dame Myra Hess.

Mevrouw Noordewier had het zingen geleerd bij Johan Messchaert aan het Amsterdams Conservatorium. Die bracht haar de liefde voor het oratorium bij. Ze debuteerde in de "Paulus" van Mendelssohn en werd internationaal beroemd door haar onovertroffen bijdragen in de Mattheus Passion en alle grote oratoria. Ze gold als de beste Bach-vertolkster van alle tijden. Ze heeft waarschijnlijk altijd boven de topprestaties van haar opvolgster Jo Vincent gestaan. Verschillende componisten als Alphens Diepenbroek hebben speciale liederen voor haar gecomponeerd.

Ze werd begeleid door een pianist als Anthon Verhey, door een organist als Anthon van der Horst. Wie een beetje thuis is in de vaderlandse muziekgeschiedenis van het begin dezer eeuw weet, dat we hier over de keurklasse spreken. Mevrouw Noordewier was een zangeres "van grote begaafdheid en fijnzinnigheid", zoals de handboeken haar prijzen.

Ze hield met zingen op in 1929 en was toen 61 jaar. Dat is laat genoeg voor een zangeres. Dat "ophouden" moet u trouwens niet serieus nemen: het werd meer een werken achter de schermen. In 1938, toen ze 70 jaar werd, bood de Maatschappij van Toonkunst haar een plaquette aan met de inscriptie: "voor onze vorstelijke zangeres". En was dit nu het afscheid? Nee, deze vrouw, die een generatie van zangers en zangeressen heeft opgeleid, moest tot haar tachtigste jaar doorgaan met lesgeven.
Op haar 81e overleed ze, moe en afgeleefd.

Ik herinner me, dat mijn vader over haar sprak: "een stem als een gouden klok", zei hij. Hij was bewogen als hij over haar sprak. Dit was het einde. Hier hield het menselijk kunnen op. Deze zang moest de zang van engelen benaderen, meende hij.

Behalve voor de radio (en dan in de beginjaren, toen elke radio nog met de Mexioaanse Hond had te worstelen) heb ik mevrouw Noordewier-Reddingins eenmaal zelf mogen horen zingen, En dat was een gebeurtenis om nooit te vergeten.

Het was in Nijmegen in de grote Stephanskerk, bij het machtige orgel van mijn leraar Willem de Vries. Een verrukkelijk programma van Bach en Diepenbrock. Ik zat als jongen geboeid en verloren te luisteren naar die bijna bovenmenselijke klanken, Ze bracht het kolossale kerkgebouw met de gebrandschilderde ramen en de Vlaamse lichtkronen tot leven. Alles in de schemerige ruimte sprak, fluisterde, zong, juichte, schalde en echode. Mijn hart zong mee met deze priesteres, die haar bede met opgeheven handen als een avondoffer, als wierookgeur, naar boven zond.

Dát zei ik de volgende dag tegen mijn muziekleraar. Dat ik die avond nooit zou vergeten, nu ik zijn lenige spel als entourage van deze uiterst begaafde vrouw had mogen beluisteren.

Zijn antwoord was een bittere ontgoocheling. Het is een nationale schande, zei hij woedend. Een vrouw als deze, met een stem zoals maar eenmaal per eeuw voorkomt had op tijd moeten kunnen ophouden. Ze was toen 64 jaar en ze kon van armoede niet rustig gaan leven. Moest haar eigen roem overleven en blijven werken tot haar dood. Ze was goed genoeg geweest om haar land internationale roem te bezorgen maar niet goed genoeg voor een staatspensioen. Iedere suffe Loketambtenaar had voorrechten boven haar. Hij had haar in haar brilliante jaren gekend - en daar was dit maar een schaduw van. Want beroemd zijn betekent: hard werken. En ook aan een beroemde zangeres gaat het menselijk leed niet ongemerkt voorbij.

Dit alles zei hij. En dat kwam hard aan. U ziet, dat ik het na 44 jaar nog geheel kan weergeven. En de bitterheid van mijn leermeester kreeg voor mij in die 44 jaar meer dimensies. Want ik begreep dat hij - met zijn sterk gevoel voor recht en gerechtigheid - op een algemeen en nationaal onrecht doelde: dat kunstenaars, die hun hele leven voor hun medemensen inrichten, door diezelfde medemensen in de steek worden gelaten, wanneer ze niet langer aan de hoge eisen van het publiek voldoen.
Dat mensen, die eens terecht roem hebben geoogst die, roem moeten overleven en straks een ezelsbegrafenis krijgen.

En ik ging begrijpen, in de loop der jaren, wat een zegen het moet zijn: op tijd te mogen ophouden. Liefst op een zelf gekozen tijdstip. Niet te hoeven doorzwoegen, tot men op het einde van "die ouwe sok" zit te wachten. Want beroemd of niet - de afgang is dezelfde.

Intussen zijn de sociale mogelijkheden sterk verbeterd. Er is een staatspensioen voor allen ingesteld, onder het ministerie-Drees, De andere pensioenen zijn in ons land enorm verbeterd. Ze zijn bovendien onvervreemdbaar en gelden als een uitgesteld loon. Iemand die wat in zijn leven heeft gepresteerd in de kunst, in de wetenschap, de handel of waar ook, is niet meer verplicht zich langzaam van zijn plaats te laten dringen. In veel gevallen kan hij - als hij er wat voor over heeft – zelfs met vervroegd pensioen uitstappen, teneinde nog wat aan zijn resterende leven te hebben. En de laatste jaren voor hun pensioen kunnen werkers, in sommige gevallen, enige verlichting in hun arbeidsprogram krijgen, Terwijl ze, door ervaring en routine, dezelfde resultaten van voorheen vaak met minder inspanning kunnen bereiken. Zo worden ze niet uitgewrongen tot hun laatste werkdag, om straks een voordelige klant voor het pensioenfonds te blijken. Zo krijgen ze een eerlijke kans om - naar de mens gesproken - nog wat van het derde deel van hun leven te máken.

Dat zijn toch wel kostelijke dingen, nietwaar? Want je hoeft niet beroemd te zijn om toch een ellendige smak te maken, wanneer je aan de kant wordt gegooid. En juist mensen, die op een welbesteed leven kunnen terugzien, zijn dikwijls niet de meest geschikte om de moderne tijd te verstaan. Bovendien gelden ervaring en verleden nauwelijks; deze generatie denkt in termen van slagvaardigheid en toekomst.

Mevrouw Noordewier-Reddingius moest doorzeulen tot het bittere einde van haar leven, Het is inderdaad een nationale schande geweest. De vis werd duur betaald - maar de kunstenaar mocht kreperen. Voor mij heeft dit voorval betekend: dat het een zegen van God is, wanneer we op tijd mogen ophouden.

Ophouden - met wat? Ophouden met werken?

Nee, dat lijkt me niet leuk. Een leunstoel en een abonnement op de puzzelkrant staan toch niet op uw verlanglijstje, wel? Zo lang de Heere u het leven en de gezondheid schenkt, zijn er tal van werkterreinen, waar men om uw inzet zit te roepen. Een van mijn vrienden (die zijn leven lang de kerk had vergeten) werd meelevend lid en nam de complete kerkelijke administratie voor zijn rekening; zo meende hij een schuld te vereffenen. Een vriendin van ons is weduwe en geeft een deel van elke dag aan de Unie van Vrouwelijke Vrijwilligers. Een andere vriendin besteedt, hoewel geen weduwe, de halve dag aan ditzelfde doel; haar man leeft voor de bejaardenzorg en heeft nog enkele andere pro Deo functies. Dan hebben we een vriendin, die het begin van een geconstateerde multiple sclerose gebruikte als een startsein, om een m.s.-vereniging op te richten; die haar leden bijstaat en begeleidt op deze zeer bijzondere weg van levensaftakeling.

Interesseert het u? Dan gaan we nog even verder. Mijn grootvader van vaderszijde haalde na zijn 65e nog rustig een paar acten Spaans en Italiaans; talen, waar hij nooit tijd voor gehad had. Noemt u dat wetenschappelijk egoïsme? 0, maar laat me u dan erbij vertellen, dat hij tegelijk met zijn pensionering een aantal uren per dag inruimde voor het maken van brailleboeken voor de (wen juist verbrande) bibliotheek van een blindeninstituut. Dat aantal uren liep jaarlijks op, naarmate ander werk wegviel. Tot zijn dood toe werkte hij hele dagen aan braille-boeken.

Ik vergat te zeggen dat hij eveneens tot het einde wekelijks een hoofdartikel voor een kerkblad schreef.
En dan denk ik aan onze eigen professor Greijdanus. Toen Schilder hem vlak voor zijn dood vroeg, of hij het niet jammer vond zijn werkzaam leven af te sluiten, antwoordde Greijdanus: "nu, ik ben toch Maar?
Dát boek. is gereed en dit boek ook en van mijn laatste boek heb ik juist de drukproeven gecorrigeerd." Hij had gewerkt, zo lang het dag was.
Hij had zijn levensprogram mogen afmaken. Toen was het tijd om op te houden.

Deze tijd vergt veel van zijn werkers. Om een goed gebruik van uw talenten te maken (misschien ook om een goed belegde boterham te ontvangen) moet u zwoegen in het zweet van uw aanschijn. Maar als het u vergund wondt op tijd op te houden, kunt u straks uw werktempo en verkregen ervaring nuttig en met minder inspanning gebruiken. Uw gaven gewillig en met vreugde aanwenden ten nutte van uw broeders.
Mij frappeerde eens een wijze kreet in mijn Succes-agenda, mijn privésecretaresse, die me nooit in de steek laat. Voor een harde werker, zo las ik daar, betekent vrije tijd het recht om zelf zijn program te bepalen.
Dat leek me sedertdien een kostbare wijsheid, Geen dagelijks gareel, door de wil van anderen opgelegd. Geen plicht om in je naastbeste pak te lopen. Geen opgeschroefde glimlach en geen obligate kwinkslag meer.

Geen dwingende eis om alles te wenen, al!le problemen van anderen op te lossen en niemand teleur te stellen. Om dag en nacht klaar te staan, zelfs voor onredelijke wensen. En om beleefd te blijven bij aperte gemeenheden.

Mijn grootste baas zei eens tegen een kredietnemer: "je moet nooit onder de Bank komen. Je moet altijd "barst" tegen je Bank kunnen zeggen, Dan ben je vrij man en kun je je zelf zijn."

Vandaag zeg ik "barst" tegen mijn Bank Ik mag op tijd ophouden. Ik mag' mijn eigen agenda opstellen. Ik mag mezelf zijn in mijn oudste kloffie. Loof de Heere, mijn ziel, halleluja!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief