Bouwen aan Gods aarde
2012-10-13
Werkzaam in het Koninkrijk van God: gaat het dan om een bijzondere opdracht, een hogere roeping? Nee, zegt Koos van Oord, oud-topman van waterbouwkundig aannemingsbedrijf Van Oord nv en lid van de NGK Doorn. ‘God maakt geen onderscheid. Alles wat je doet, is waardevol in zijn Rijk.’- Jaargang 56
- nummer 20
Water, water. Hoge golven, schitterend brekende branding, vergezichten.
Het filmfragment neemt me mee, in vogelvlucht, om daarna in te zoomen op waterbouwkundige bedrijvigheid van enorme omvang: de Deltawerken, de Tweede Maasvlakte, een windmolenpark op de Noordzee, palmeilanden voor de kust van Dubai. En daaronder die overbekende melodie, Psalm 150, op het orgel: ‘Looft God in zijn heiligdom.’
Ik ben te gast bij Koos (Jac.G.) van Oord, oud-directievoorzitter van het gelijknamige familiebedrijf, ‘actief in de natte waterbouw’, zoals hij het zelf formuleert. We hebben afgesproken in zijn woonplaats Doorn, waar hij 26 jaar geleden met zijn vrouw Marianne een vaste stek vond, na jaren buitenland. Uitvalsbasis, dat ook, want nog altijd is hij veel op pad, al is het sinds zijn pensionering in 2008 wel wat rustiger geworden.
Het was Koos’ grootvader (ook een Jac.G.) met wie het in 1948 begon: hij zette samen met zijn zonen Goof en Jan de Utrechtse tak van een bedrijf dat al bijna een eeuw bestond voort onder de naam Aannemings- en Handelsbedrijf Jac.G. van Oord en Zonen. Later gingen ook zijn zonen Koos en Andries in het bedrijf werken.
Vanaf 1971 kwam kleinzoon Koos erbij, de eerste van de derde generatie.
De onderneming (omzet 50 miljoen gulden, toen nog) groeide in veertig jaar tijd uit tot een bekende wereldspeler, goed voor zo’n 1,9 miljard euro omzet per jaar (2008).
Corebusiness? ‘We scheppen met onze bagger- en off shoreprojecten – en vergeet de installatie van windmolenparken op zee niet – de infrastructuur voor de samenleving van morgen, nationaal en internationaal.
Daar komt veel in mee: werkgelegenheid, mensen uit hun isolement halen, zorgen voor veiligheid, bieden van recreatiemogelijkheden.’ Nee, ‘erin gerold’ is hij niet, maar een bewuste keuze was het evenmin. ‘Het was eerder vanzelfsprekend.
De eerste zeventien jaar van mijn leven woonden we naast het kantoor, toen nog in Utrecht, op de Weg naar Rhijnauwen. Ik ging als jongen al geregeld mee op werkbezoek met mijn vader en oom Jan. Geweldig om de bedrijvigheid op die projecten te ervaren.
Dáár gebeurde het! Iets maken uit niets. Ik mocht natuurlijk best iets anders kiezen, maar dat was niet aan de orde. Dít wilde ik.’ Hij begon als jonge hts’er, om in de loop der jaren geleidelijk aan ‘op te klimmen’. Vanaf 1986 was hij directielid en van 1995 tot aan zijn pensionering in 2008 directievoorzitter.
Betrokken bleef hij ook daarna, op dit moment als commissaris.
Wel is er nu meer ruimte gekomen voor andere activiteiten en daar geniet hij van. Allerlei bestuurswerk, bijvoorbeeld voor Red een Kind, Bijbelschool De Wittenberg, in commissariaten, het Topteam Water, de Deltacommissie. ‘Ik heb nu tijd om iets meer te betekenen voor wat je noemt “kerk, staat en maatschappij”.
Er zijn zo veel functies te vervullen en klussen op te pakken die ertoe doen.’
Gewoon
Terugblikkend weet hij één ding zeker: als hij morgen voor de keus zou staan, zou hij precies hetzelfde doen. ‘Ik heb ervan genoten. Mijn werk was (is) mijn passie. Waterbouw, daar kun je me bij wijze van spreken ’s nachts voor wakker maken.
En ik heb een passie voor familiebedrijven.
Het is prachtig om een schakel te mogen zijn: doorgeven aan de volgende generatie wat je voorgangers hebben opgebouwd.’
Intussen is naast een aantal familieleden van de derde generatie, onder wie de huidige topman neef Pieter, ook de vierde generatie het bedrijf komen versterken, onder wie hun oudste zoon, Goof, standplaats Brazilië.
Vanzelfsprekend? ‘Nee, toch niet. Het gaat niet vanzelf. Juist in een familiebedrijf moet je extra alert zijn: past het werk echt bij iemands talent en deelt diegene de ambitie waar de onderneming voor staat? Met “doorgeven” bedoel ik ook: “niet opeten”. Dat is dus totaal iets anders dan inzetten op kortetermijngeld, private equity, waar het vandaag de dag steeds vaker over gaat.’ Het begrip rijkdom vindt hij persoonlijk lastig te duiden. ‘Materieel gezegend’ weten ze zich. Diep respect heeft hij voor mensen die moeten plussen en minnen om rond te komen. Het maakt hem dankbaar en bescheiden. ‘Geld is zo relatief. Ik ben blij dat het niet met me aan de haal is gegaan. Doe maar gewoon en laat anderen meeprofiteren. Dat is je verantwoordelijkheid.’ Verantwoordelijkheid? Of moeten we nog een stap verdergaan en spreken van een roeping? ‘Niet als je het als iets speciaals bedoelt. Alle werk is roeping in Gods Koninkrijk, onderdeel van zijn schepping. Het ene is daarin niet meer of hoger dan het andere. Dat is wel een thema in onze kring: een hogere roeping. Dan gaat het vaak om iets ver weg, in de hulpverlening, de zending. Maar hoe zit het dan met mensen die thuis zitten, een huisvrouw bijvoorbeeld, is zo’n plek dan ondergeschikt? Nee, ik heb daar geen affiniteit mee, ik geloof ook niet dat het bijbels is om daarin gradaties te maken.’ Hij pakt er een boek van Bonhoeffer bij (Aanzetten voor een ethiek) en citeert één van de oneliners die hem raakte: ‘“Er zijn geen twee werkelijkheden: de werkelijkheid van Christus omvat de werkelijkheid van de wereld.
Het is een verloochening van de openbaring van God om christelijk te willen zijn zonder wereldlijk te zijn.” Prachtig toch? Eenvoudigweg doen wat je hand vindt om te doen. God is niet te hoog voor deze aarde en gewoon werken is niet te aards voor God.’
Koffer
Dat ‘gewone’ werken was voor hem intussen wel topsport. ‘Een onderneming leiden kun je vergelijken met een marathonhordeloop. Het is jaar in jaar uit keihard werken, er voor de volle 100 procent voor gaan. Regelmatig is daar dan een “horde” – lastige zaken die je tegenkomt en die je moet “nemen”. Niet makkelijk, maar het hoort er allemaal bij.’ Daarbij trekt het een behoorlijke wissel op het thuisfront. ‘Ik ben mijn leven lang naar projecten in binnen- en buitenland gegaan, want daar gebeurde het. Ik wilde niet vervreemden van de werkvloer, geen “hoofdkantoormannetje” worden. In ons werk gaat het om de projecten en de schepen waar het werk wordt gedaan, de mensen, daar ligt je verantwoordelijkheid.
Daar heb ik veel voor ontvangen, zeker, en het was uitermate boeiend, maar mijn koffer stond wel altijd ingepakt. Je kunt zomaar worden weggeroepen en dan gaat het werk toch echt vóór verjaardagen, om maar wat te noemen. Je gezin moet daar ook tegen kunnen.’ Was er in al die bedrijvigheid ook ruimte voor gebed? ‘Zeker, en het liefst samen met anderen. Ik heb altijd gebeden om zegen over het werk en de veiligheid van onze mensen. Op een of andere manier te mogen ervaren dat God niet buiten je werk staat, dat is voor mij zegen. Het geeft me rust. Wat je onderneemt is waardevol, ook al gaat niet alles goed.’ Met dat laatste raakt hij een belangrijk punt: wie (mee) leidinggeeft aan een grote onderneming, heeft een overeenkomstige verantwoordelijkheid.
‘Zakendoen is geen padvinderij, je moet zoeken naar de goede weg, met de beste intenties. Dat is van groot belang: de intentie waarmee je de dingen doet. Belangrijker nog dan de uitkomst.’ Het is een opgave die een mens ook klein kan maken, heeft hij ervaren.
‘Naarmate je je bewuster richt op God en je de vraag stelt of iets past in zijn Koninkrijk, zie je ook steeds meer de zwarte kanten, dilemma’s en zondigheid.’ Als voorbeeld noemt hij het zakendoen in de Nigerdelta in Nigeria, het ‘christelijke’ deel van het land.
‘Nergens zijn zo veel kerken als in dit gebied, maar de samenleving is door en door corrupt. Wat je maar voor elkaar wilt krijgen, bijna alles is mogelijk – zolang je maar betaalt. Moet je daar dus weggaan? Dat kan, maar dan zet je wel enkele honderden medewerkers op straat die vaak al heel lang bij het bedrijf werkzaam zijn.
Het is dus continu afwegen: wanneer is de maat vol?’ Eén grens is trouwens wel duidelijk.
‘Zwart geld, daar doen we niet aan.
En met een opdrachtgever die in criminele kringen verkeert, doen wij geen zaken.’
Struikelen en opstaan
Van Oord nv is geen ‘christelijk’ bedrijf. ‘Zo kun je dat niet zeggen.
We zijn een maatschappelijke onderneming die christenen, moslims, hindoes en atheïsten in dienst heeft .
Maar als christelijke leider of aandeelhouder ben je natuurlijk wel van betekenis als het gaat om christelijke waarden. Daar kan op veel momenten iets van doorsijpelen. Denk maar aan je houding ten opzichte van je mensen en je leveranciers en de verscheidenheid aan culturen in de landen waar we actief zijn. Dat vraagt om fl inke aanpassingen op zijn tijd.
En vergeet je oud-medewerkers niet: onze onderneming heeft een bruisende vereniging van mensen die de zaak mede hebben grootgemaakt, hun energie daarin hebben gestopt.
Die mensen houden wij in ere, daar zijn we heel zuinig op.’ Niet dat zulke waarden exclusief christelijk zijn. ‘Andere bedrijven kunnen hetzelfde doen, uit humanitaire overwegingen. Maar ben je christen, wees het dan ook in dit soort dingen. Mensen merken dat.
Iemand zei eens tegen me: “Koos, al had je het me nooit verteld, ik ervaar duidelijk dat jullie als familie een gereformeerde afkomst hebben.”’ De naam van (onafhankelijk) ‘baggerpastor’ Toon van de Sande valt, die optrad zodra het ergens in de wereld ‘zwaar weer’ was: een ongeval, een sterfgeval. ‘We riepen zijn hulp in als dat nodig was. Dan was hij er voor onze mensen, letterlijk. De betekenis van zulke dingen moet je niet onderschatten. Aan de andere kant: maak het christen-zijn ook niet te mooi. Het is doen wat je hand vindt om te doen, op jouw plek in Gods Koninkrijk. God geeft je de aanleg en de talenten. Je hebt niks om je op te beroemen. Het leven is veelvuldig struikelen en weer opstaan.’
Hij is in de loop der tijd minder stellig geworden, merkt hij. Toen hij jonger was, kon hij zich verdiepen in hoe de dingen zaten, wat de Bijbel precies zegt, hoe zich dat verhoudt tot de wetenschap. Klopt het allemaal wel? Dat soort vragen houden hem vandaag niet meer zo bezig. Er is meer ruimte voor reflectie. Als er iets is wat hij geleerd heeft in de voorbije jaren is het wel dat God niet na te rekenen is, ontzagwekkend groot als Hij is. Maar ook: dat Hij te vertrouwen is, als de Enige die werkelijk en blijvend houvast biedt. ‘Er is veel moois, maar ook zo verschrikkelijk veel leed, veraf en dichtbij. We hebben geen keus, onze roeping is om aan Hem vast te houden, in ons werk, in alles, wat er ook gebeurt. Voor mij is geloven steeds meer: blind, nee, niet blind maar kinderlijk vertrouwen, aan de hand van de Heer. Er is geen andere weg.’
Coosje Haan-de Jong is lid van de NGK Amersfoort-Noord en redacteur van Opbouw.