Zo was het (18)
1978-07-28
Zoals ik eerder al vertelde ben ik in de loop der jaren wel veranderd. Bijvoorbeeld ook in m’n preken. Ik ben wel gereformeerd gebleven als ik gereformeerd mag opvatten in de zin van de spreuk: De gereformeerde kerk moet altijd weer gereformeerd worden. D.w.z. zij moet altijd open staan voor de kritiek van het Woord van de HERE. Gereformeerd zijn wil niet zeggen: altijd bij het oude blijven, omdat het oud is en altijd het nieuwe verwerpen, omdat het nieuw is. We moeten steeds alles aan het Woord Gods toetsen, en het goede vasthouden. En met de gebreken van het oude afrekenen.- Jaargang 22
- nummer 28
De luisteraars naar mijn praatjes (en waarschijnlijk de lezers ook) zullen wel meest tot de bejaarden behoren. En vooral de ouderen zijn niet gemakkelijk te bewegen om te breken met wat gewoonte of gebruik is.
Vooral hen wil ik er op wijzen, dat de Here Jezus met zijn kritiek het oude en de ouden niet heeft gespaard. De Farizeeën zwoeren bij wat door de "ouden" gezegd was. D.w.z. door de voorgaande geslachten der geleerden.
Die hadden bijvoorbeeld geleerd: Uw vriend zult gij liefhebben, maar uw vijand moogt ge haten. Dat was een aloude bewering. Maar was die uitspraak goed? De Here Jezus was het er helemaal niet mee eens. Hij zei: Door de ouden is dat wel gezegd, maar Ik zeg u: Uw vijanden zult gij liefhebben en gij zult zegenen, die u vervloeken en bidden zult gij voor hen, die u vervolgen. Dat was nieuw voor de Schriftgeleerden en zij wilden er niet van weten. En mee daarom hebben zij de Here Jezus verworpen en tenslotte gekruisigd. En zo was het ook met uitspraken over de Scheidbrief en andere zaken. Leest de Bergrede er maar eens op na.
En Paulus die eerst zwoer bij het oude is daarvan genezen en heeft de Heiland gevolgd.
Christenen uit de Joden wilden zich nog houden aan de wetten over reine- en onreine spijzen. Zij wilden niet eten met hun broeders en zusters uit de Heidenen. Want die aten wat aan de afgoden geofferd was.
Maar Paulus was het daarmee niet eens. Hij zegt: een afgod is niets en een jodenchristen, die niet met een heidenchristen aan één tafel wil zitten, veroordeelt ten onrechte z'n broeder en zuster uit de Heidenen.
De apostel der Heidenen heeft heel wat tégen het oude en vóór het nieuwe moeten vechten. En hij heeft er vervolging-door-de-Joden voor over gehad.
Hij werd als een nieuwlichter veroordeeld. Om geen misverstand te wekken voeg ik er aan toe, dat iets dat nieuw is nog niet goed is, omdat het nieuw is. Er zijn wel nieuwe opvattingen, die ik grondig verwerp.
Wat ik doe met alles wat niet naar het Evangelie is.
En nu kom ik terug op dat, waarin ik wèl veranderd ben. Ook mee door en na de vrijmaking. Natuurlijk niet in de verkondiging van het Evangelie.
Ook niet in het aanzeggen van het oordeel aan hen. die niet naar uitwijzen van het Evangelie willen leven. Ik heb getracht mij te houden aan de opdracht van de Zaligmaker: Predikt de Blijde Boodschap aan alle schepselen en leert hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb. Wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn zal behouden worden. Maar wie niet geloofd zal hebben zal veroordeeld worden.
In m'n prediking ben ik wel veranderd wat betreft het oordelen over anderen.
Ik bedoel dit: Het was wel een oude gewoonte om te preken tegen alles wat niet gereformeerd was. Wat is er op de kansel gevochten tegen de roomsen. Over hun opvatting van het Avondmaal en hun verering van Maria en van de heiligen en hun roemen in de goede werken. Zeker hadden die prekers in de grond der zaak wel gelijk (ik behoorde vroeger ook wel bij hen). De roomsen gingen en gaan daarin (ten dele) wel fout. Maar wat voor zin heeft het fel te keer te gaan tegen Rome en al wat rooms is, terwijl er geen roomse in de kerk zit om het te horen?
Als voorbeeld noem ik een preek, die ik eens hoorde (ergens elders), en die handelde over de sacramenten in het algemeen. Met geweldige stem werd gewaarschuwd aan de ene kant voor de roomse opvatting der sacramenten.
En aan de andere kant werd met machtig stemgeluid gewaarschuwd tegen de verwerping van de kinderdoop. Ik keek eens om mij heen en vermoedde niet één hoorder, die neiging had om rooms te worden of de kinderdoop te verwerpen. Ze waren het vanzelf hartelijk eens met de predikheer. En ik dacht: Wat voor zin heeft het zo te fulmineren tegen hen, die er niet zijn. Terwijl men geen kritiek heeft op misvattingen en misbruiken van hen, die onder het gehoor zitten. Ik heb geleerd wat kalmer aan te doen met het oordeel over anderen. En wat meer kritiek te hebben op ons-gereformeerden zelf. In m'n jeugd heb ik veel horen afgeven op al wat niet-gereformeerd was. En aanvankelijk heb ik daaraan wel een weinig meegedaan. Van de roomse kerk deugde niets en van de hervormde kerk kwam niets terecht en later werd van de "synodokraten" veel kwaads gezegd. En soms kwamen ook de Luthersen aan de beurt. En dat doet me denken aan het geval van een Lutherse zuster in Voorthuizen.
Ze staat me nu weer duidelijk voor de geest. Een klein, kwiek dametje afkomstig uit Rotterdam. Hoe kwam zij in Voorthuizen terecht? Als evacuée. Zij woonde in een huis of buurt, die moest wijken voor duitse batterijen. Daarom werd zij verwezen naar V. Zij was dus een vluchteling of weggedrevene. Zij was zoals gezegd luthers. Haar broer was dominee in de lutherse kerk. Daar zijn ook al scheuringen gekomen. Hij en zij waren Evangelisch-Luthers. Ik hoop dat ik het goed schrijf. Nu was er in Voorthuizen en in de omgeving in geen velden of wegen zulk een kerk te vinden. Ze kwam onder mijn gehoor. Eerst al in de "synodale", ongedeelde kerk zal ik maar zeggen. Ze leefde trouw mee, in alle opzichten. Toen ik in 1946 geschorst werd bleef ze bij "ons" kerken: Ze leefde trouw mee en steunde ons ook financiëel naar vermogen. Soms boven vermogen denk ik. We brachten ook huisbezoek bij haar en ze werd tot de onzen gerekend. Aanvankelijk ging ze zo nu en dan naar Rotterdam om daar het heilig Avondmaal te vieren. Later ging dat erg moeilijk. En toen vroeg ze eens bij een huisbezoek: Mag ik a.u.b. met jullie avondmaal vieren? Zij wilde dat graag en zag niet in waarom dat niet zou mogen. Ze zei er uitdrukkelijk bij: als ik weer naar Rotterdam ga, dan kerk ik weer bij m'n broer en zal ik daar het avondmaal vieren. Ik ben en blijf luthers. Daar ben ik gedoopt en daar legde ik Belijdenis af en daar wil ik bij blijven behoren. We rapporteerden dit op de kerkeraad.
Dat vonden de broeders wat nieuws. Een lutherse toelaten tot het Heilig Avondmaal, terwijl ze geen Belijdenis bij "ons" had afgelegd? De vraag kwam op wat eigenlijk de lutherse opvatting over het Avondmaal was.
Van de catechisaties herinnerden sommigen zich wel de transsubstantiatie van de roomsen. En de consubstantiatie van de luthersen. Maar wat was dat eigenlijk? Dat moesten we maar eens aan genoemde zuster vragen.
En zo deden wij. Toen bleek dat ook zij niet precies wist, hoe Luther het Avondmaal had opgevat. Zij was dus net zo ver als onze broeders. Ik ken de term wel en kon wel ongeveer zeggen hoe het met een en ander zat. Maar wij allen wisten wel, dat het Avondmaal een zichtbaar teken van en zegel op het Evangelie was. Dat het gebroken brood een zichtbaar teken was van het offer van Christus en de wijn een teken van het bloed van Christus, dat reinigt van alle zonden. En dat de HERE door het gebruik van deze tekenen het geloof van Zijn kinderen wil versterken.
Zodat zij het Evangelie niet alleen kunnen horen, maar om zo te zeggen met de handen tasten en met de mond genieten. De broeders- konden geen bezwaar hebben tegen toelating tot de viering van het Avondmaal.
Was ze dan niet ingeschreven in ons kaartregister, ze was wel geschreven in het Boek des Levens van God. Zo werd zij zogenaamd gastlid van de Vrijgemaakte kerk van V. Praktisch maakte dit geen verschil met een, laat ik maar zeggen "gewoon" lid van de kerk. Of ze nog leeft weet ik niet. Ze ging naar R. terug. Maar hoe dan ook, levend of gestorven, ze is onder de hoede des HEREN.
Dit verhaal doet me denken aan een andere zaak: het toelaten of het nodigen tot de viering van het Avondmaal, als er "vreemden" in de kerk zijn. Daarover had ik een andere opvatting dan de kerkeraad-van-voor-de-vrijmaking.
In de vakantie-maanden waren er nogal wat zomergasten in V. Wilden die het Avondmaal meevieren dan moesten zij een briefje tonen van de kerkeraad van de plaats hunner inwoning. Hadden ze zulk een briefje niet, dan mochten ze, volgens de kerkeraad, niet worden toegelaten!
Dat moest ik hun meedelen, als ze zaterdagavond aan de pastorie kwamen om te vragen of ze zondags áán mochten gaan. Ik weigerde dat.
Tegen de kerkeraad heb ik gezegd: Als jullie zulke brs. en zrs. willen weigeren, dan moeten er zaterdagavond maar één of meer brs. komen om hun dit aan te zeggen. Er kwam natuurlijk niets van.
Maar als er nu 's zondags brs. of zrs. waren, die niet aan de pastorie geweest waren, mocht ik dan bij de laatste tafel bijvoorbeeld ieder uitnodigen, die de dood des Heren wilde verkondigen en lid van een gereformeerde kerk was? Of ruimer nog: ieder, die in de Here Jezus geloofde en dit had beleden? Of ik het in de "synodale" kerk gedaan heb weet ik niet, maar in de vrijgemaakte deed ik het later wel. En de kerkeraad was het er goed mee eens.
Men vraagt wel: Kan dat maar zo? Welke waarborg is er dan, dat zulk een "vreemdeling" werkelijk een gelovige is? Wordt dan de toegang niet te ruim gemaakt en bestaat dan niet het gevaar, dat iemand zich een oordeel eet of drinkt? Ik zou daarop antwoorden: Als dat al een gevaar is, dat gevaar bestaat ook bij het inleveren van een briefje van bijvoorbeeld een grote gemeente. Zulk een briefje wordt daar door de administrateur gegeven.
Het is dan een bewijs, dat iemand in het register is ingeschreven.
Maar kent die administrateur die br. of zr.? Weet hij van hun handel en wandel? In een massale kerk weet de administrateur een en ander niet.
Zelfs een dominee of kerkeraad soms niet. In een kerk van Amsterdam is eens het volgende gebeurd. Voor de waarheid sta ik in. Een dominee zou z'n 25-jarig jubileum vieren. Een "diakones" ging voor een kado op stap.
Ze kwam bij een gezin voor haar werk en vroeg meteen om een bijdrage.
Toen antwoordde de huisvader: "Laat me niet lachen. Hij is hier nog nooit geweest. Straks als ik dood kom te leggen, dan zal hij wel komen en dan kan hij mij geeneens". Een briefje van zulk een gemeente zegt weinig of niets.
Mijn mening is, dat in een Avondmaaldienst de voorganger gerust allen mag nodigen, die lid in volle rechten zijn van de Kerk des HEREN. En die begeren met de gemeente-ter-plaatse de dood des Heren te verkondigen.
Ik kan mij niet voorstellen, dat iemand, die bijvoorbeeld onder censuur staat, toch zou toegaan. Ook kan ik mij niet indenken, dat iemand die niet gelooft in de Here Jezus, toch maar zou deelnemen aan de Tafel van de Here. En zou het toch gebeuren, dan is dat voor rekening van hem of haar, die zo doet. Een mededeling aan de kerkeraad geeft ook geen waarborg. Iemand mag zich vanzelf wel even bij de kerkeraad melden en vragen om toe te mogen gaan. Maar noodzakelijk vind ik het niet.
Het zou iemand, die wat schuchter of verlegen is kunnen verhinderen aan het Avondmaal deel te nemen. Dat zou ik niet durven verantwoorden.