boekbespreking
1978-08-11
Ook dat was Amsterdam- Jaargang 22
- nummer 29
B. Evenhuis
De kerk der Hervorming in de negentiende eeuw: de strijd om kerkherstel, dl. V.
Uitgeverij Ten Have B.V., 1978
In dit vijfde deel van zijn geschiedenis van de kerk der Reformatie te Amsterdam beschrijft dr Evenhuis de 19de eeuw tot ongeveer 1870, het doordat de orthodoxie het heft in handen krijgt door de invoering van het kiescollege, waardoor Kuyper als eerste Gereformeerde predikant kon worden beroepen. Dit deel kon geen epos worden, want pas in 1870 begon het hart van Amsterdam - en van heel Nederland - weer sneller te kloppen, om met de auteur zelf op pag. 9 te spreken. In de beschreven periode valt de franse tijd, de tijd van de "gematigde", beter de halfslachtige orthodoxie, die van de Groninger richting en tenslotte die van het modernisme, welke indeling ook van toepassing is op de kerk van Amsterdam. Men kan in deze periode dus niet het hart in gloed zettende gebeurtenissen verwachten. Openlijk geeft de auteur toe dat er in de eerste en tweede periode niet veel belangrijks van het werk van de kerkeraad te vermelden valt. Van de derde zegt hij dat er geen zaken betrekkelijk het kerkelijk en geestelijk leven aan de orde komen en dat er geen censuur uitgeoefend wordt. Van de vierde periode, die van het modernisme, valt niet veel beters te zeggen: de kerkeraad beriep als modern bekend staande predikanten, die strak een derde deel van het hele predikantencorps uitmaken.
Dr E. wijt de neergang van het kerkelijke leven in deze driekwart eeuw aart de gebrekkige organisatie van koning Willem I. Bij alles wat de kerkeraad verkeerd deed of niet deed stoot men op het feit dat de kerk niet vrij was in haar handelen, pag. 17.
Dit was de grondfout. Zelfs het gebrek aan echt sociaal besef vond hierin zijn oorzaak, idem. Dit is toch slechts ten dele juist: De geest in de kerk zelf deugde niet. Er was ook geen werkelijk zuchten onder de organisatie: eigen predikanten hebben haar bevorderd en er leiding aan gegeven (Broes, Spijker).
De ondertitel: de strijd voor kerkherstel, die volgens de auteur als een rode draad door alle vijf perioden heenloopt, heeft voor wat de eerste vier perioden betreft, mij daarom niet toegesproken. Tot 1870 gaat deze strijd praktisch geheel buiten de kerkeraad om. De vertegenwoordigers van het Reveil, dat vrij breed beschreven wordt, werken wel aan het herstel , van het geestelijke leven en strijden tegen alle aantasting van het evangelie, maar het Reveil was toch een vrij aristocratische beweging, in zichzelf kerkelijk verdeeld en slechts van indirecte betekenis voor de kerk.
Geen epos van de kerk der Reformatie dus, de auteur kon dat niet geven, gebonden als hij was aan de feiten, waaraan hij zich conscientieus heeft gehouden. Dit heeft hem echter niet verhinderd toch een boeiend verhaal te schrijven van Amsterdams kerk in genoemde periode. Breed heeft hij daartoe zoals in de voorgaande delen geput uit de bronnennotulen van de kerkeraad, acta van de diakenen, rapporten, geschriften en boeken uit die tijd en verder verwerkt de litteratuur over dit tijdvak: steeds stelt hij de geschiedenis van eigen kerk in het raam van heel de kerkelijke, politieke en sociale situatie van die dagen. Een enorme schat van gegevens over personen en stromingen geeft hij daarbij op zeer onderhoudende wijze door, want dr E. is een geboren verteller, die de kunst verstaat zijn lezers tot het einde toe te boeien. Hij heeft eerbied voor de feiten, waardoor zijn duidelijk te proeven liefde voor zijn kerk hem niet verhindert haar gebreken te vermelden, ook al zijn die meermalen in dit tijdvak beschamend.
Daar er zoals we zagen van de officiële kerkelijke handelingen niet zoveel belangrijks te vertellen was, ligt het voor de hand dat dr E. veel aandacht besteedt aan die figuren en groeperingen die zich ingezet hebben voor het welzijn van de gemeente en voor de bewaring en verbreiding van het evangelie in het algemeen, ook al ging dat buiten de kerk om.
We memoreerden reeds het Reveil en zijn vertegenwoordigers. Vanzelfsprekend komt ook de Afscheiding - in het bizonder te Amsterdam voor het voetlicht. Haar betekenis het bleef een kleine kudde (!) - komt m.i. onvoldoende uit de verf. Met de tekening van de komst van Kuyper en diens eerste optreden komt, hoe kan het anders, de spanning er eerst recht goed in: het tijdperk van de orthodoxie, waarmee nog even een begin wordt gemaakt.
De auteur verbergt zijn standpunt niet. Hij is een verdediger van de Christus-belijdende volkskerk, wat men daar dan ook precies onder heeft te verstaan" Vandaar ook zijn breed verslag van het optreden en werk van Wormser, met name van zijn belangrijke boekje over de Kinderdoop.
Hij dringt zijn visie 1) echter nergens aan de lezers op een hinderlijke wijze op, weet bij andersdenkenden veel te waarderen, is in zijn kritiek mild 2). Stad en kerk van Amsterdam vinden in hem een warm pleitbezorger.
Vele voortreffelijke illustraties geven ook aan dit keurig uitgegeven deel een voornaam cachet. De prijs van f 45,- is zeker niet te hoog voor deze aanwinst voor de Nederlandse kerkgeschiedenis, die gezien de leeftijd van de auteur getuigt van een respectabele werkkracht.
1) waarover op verschillende punten wel nader te spreken zou zijn.
2) soms té mild.