Met heel je hart

2005-03-11
  • Jaargang 49
  • nummer 5
Deuteronomium blijft een wat sneue benaming voor het vijfde boek van Mozes. Het betekent ‘tweede wet’ en dat belooft niet veel meer dan de herhaling van wat voorschriften en regels. Toch zijn de reacties uit de leesgroep anders: aangrijpend, hartstochtelijk, ontroerend, vol waarschuwingen, een prachtig boek om te lezen en actueel…

Dat gepassioneerde heeft alles van doen met het afscheid van Mozes en de kracht van zijn profetische verkondiging.
‘Nooit meer heeft Israël een profeet gekend als Mozes, met wie de Heer zo vertrouwelijk omging’ , zo eindigt het boek. Dat is geschreven na 30 dagen van treurnis over de man, die uiteindelijk ook de finish niet haalde - al waren zijn krachten niet afgenomen en zijn ogen niet verzwakt’ (Deuteronomium 34:7).

Teleurgesteld in God
Opvallend hoe Mozes in de openingshoofdstukken de schuld van deze bittere ontknoping bij het volk neerlegt (1:37, 3:26, 4:17). De ontgoocheling na die ene misslag, afgezet tegen jaren van toegewijd leiderschap, voel je in 2005 nog tot in je botten mee. Je krijgt ook de indruk, dat in het terugkerend verwijt richting het volk iets doorklinkt van een mens, die teleurgesteld is in zijn God. Zoals in 3:26, waar Mozes zegt: ‘De Heer weigerde naar mij te luisteren. Hij zei: Genoeg, zwijg hier verder over’. Hier sta je bij een grens van een voortijdig sterven met meer vragen dan antwoorden. En dat verandert ook niet echt als de Heer er zelf op terugkomt en met het oog op Mozes en Aäron zegt: ‘Jullie kwamen tegen mij in opstand; in het bijzijn van heel Israël toonden jullie geen ontzag voor mijn heiligheid’ (32:51).

Verborgen
De weg van Mozes buigt dus op het allerlaatst pijnlijk af. Maar toch eindigt het boek niet in bitterheid. In de laatste bocht van zijn aardse leven krijgt Mozes het beloofde land voluit te zien, met de Heer als gids en laatste toevlucht. En dat, nadat Mozes de zegen gegeven had aan de stammen van Israël. Dat alles ademt toch de sfeer van een laatste vrede.
Misschien dat een tekst, die Tineke Plooy opdiepte, Mozes zelf ook rust heeft gegeven. ‘Wat verborgen is, behoort de Heer, onze God toe; wat openbaar is komt ons toe. Wij en onze kinderen dienen ons altijd te richten naar alle bepalingen van deze wet’ (29:28). Tineke constateert dat deze gedachte er wat vreemd tussen staat en wel iets heeft van ‘een soort commentaar bij de rest van deze hoofdstukken; misschien kunnen we het ook ziet als een commentaar bij de vragen, die het OT soms bij ons oproept. Om ons te houden aan wat we weten - ook uit het NT. En dan sommige vragen maar onbeantwoord te laten. Al mag je ze wel stellen, denk ik’.

Geen ander
De teleurstellingen in het persoonlijke verhinderden Mozes zeker niet om bij de kern van zijn verkondiging te blijven.
Die kern ligt in het eerste gebod: ‘volg geen andere goden na’. Met name het vierde hoofdstuk is daar vol van. Uitdagend bijna, zoals in vers 7 en 8 te lezen valt: ‘Want welk volk, hoe groot ook, heeft goden zo dichtbij als wij de Heer onze God, telkens als wij om hulp roepen? En welk volk, hoe groot ook, heeft wetten en regels zo rechtvaardig als het onderricht dat ik u nu geef?’ En ook verderop wordt het volk geprikkeld om de ervaringen met God te overwegen: ‘Ga de hele geschiedenis maar eens na, vanaf de dag dat God de mens op aarde schiep en doorkruis de hele wereld van het uiterste oosten tot het uiterste westen’. Zo prikkelt Mozes om iets te doen met geloofservaringen, eigen en van anderen. In de hoop dat alle knieën zich buigen en belijden: de Heer is de enige; er is geen ander naast Hem (4:35).

Verleiding
Er is natuurlijk ook de harde werkelijkheid.
De boodschap van Gods nabijheid zonder beelden was Israël meer dan eens te geestelijk. De eeuwen door hebben de zichtbare goden van hout en steen grote aantrekkingskracht uitgeoefend op het volk. Langs allerlei sluipwegen kwam het binnen de deur - via een vriend of broer, dankzij een niet-Israëlitische geliefde.
Of weer heel anders: op advies van een profeet of dromen uitlegger (Deuteronomium 13) of linea recta vanuit occulte sferen (18). Dat alles verstoorde keer op keer de toewijding aan de ene Heer met een onverdeeld hart. ‘Vaak kunnen we in plaats van je wel we lezen’ zo schrijft Kees Bos bij dat dertiende hoofdstuk.
De aanwijzing dat je ‘het kwaad dat je van de Heer af kan brengen in de kiem moet smoren’ (13:6) haalt ook moeiteloos 2005 in de volle breedte van het leven.

Vernietiging
De reactie op het afgodische wordt in het boek Deuteronomium met scherpe pen beschreven. Bij de verovering moet het land religieus gezuiverd worden en je leest: ‘Daarom moet u alle volken die de Heer aan u uitlevert vernietigen zonder medelijden te tonen’ (7:16). Die strengheid hangt samen met het oordeel over de afgoden van die volken. Want de afgodsbeelden moeten worden stukgeslagen en verbrand, omdat ‘de ban van de Heer er op rust’ (7:26). Ook in familieverband komt deze strengheid je tegemoet. Vrouw, zoon of ander familid, die het afgodische introduceerde in het gezin, moet gestenigd worden (13:7-12).
En tenslotte kun je niet heen om het 28e hoofdstuk met eerst nog de zegen in hemelse tinten, maar daarna volgt een drie keer zo lange oordeelsdreiging richting Israël zelf. ‘De hel op de aarde’ tekende ik aan. Maar hoe donker het ook geweest is in de geschiedenis van Israel, zo donker als beschreven nooit - gelukkig!

Losbol
En zo zijn er wel meer scherpe voorschriften, waartegen de werkelijkheid mild zal hebben afgestoken. Want welke ouder zal zijn onhandelbare zoon ter steniging hebben afgeleverd bij de oudsten? Judith, mijn meest nabije meelezer, nam de doorsteek naar dat hele andere verhaal van een verloren zoon en een vader op de uitkijk.
En om nog even terug te komen op het vorige paragraafje - zal het ooit gebeurd zijn dat iemand omwille van afgoderij gestenigd is door zijn eigen familie? Familiebanden en de schroom rond de eerste steen, waar Jezus veel later op zinspeelde, zal in alle tijden wel voor uitstel en afstel van executie hebben gezorgd. Bob Wielenga trekt de lijn nog even door naar hier en nu: ‘De doodstraf, steeds weer die doodstraf - theologisch wel begrijpelijk, maar toch volstrekt onuitvoerbaar - ook toen al? Wat weten we eigenlijk precies af van de uitoefening van de doodstraf in Israël? Deuteronomium kan toch niet
meer als grond dienen voor onze visie op de doodstraf, lijkt me’

Ontdekkend
Wat heeft het boek ons te zeggen in deze overaccentuering van zegen en vloek? Weer even Wielenga: ‘Het is zoals Jozua zegt in zijn afscheidsrede: jullie zullen het niet kunnen, God dienen naar Zijn bedoelingen. Wat dan ook blijkt uit het boek Richteren. De lat ligt in Deuteronomium te hoogen nog steeds te hoog voor christenen vandaag. Deuteronomium blijft ons
ontdekken aan de noodzaak van de middelaar en van diens Geest.’

Meer dan het gewone
Bij menige aanwijzing in Deuteronomium steek je niet linea recta door naar het hier en nu. Maar soms komt het wel ineens dichterbij. Rond de zorg voor armen (15) en de matiging in de oorlogvoering (20) bijvoorbeeld. En ook de omgang met gevonden voorwerpen (22) ademt de sfeer van het Koninkrijk. En dan de feesten van zeven dagen, waar één van de meelezers zich na de New Wine week van vorige zomer veel meer bij kan voorstellen. En natuurlijk ook de aansporing om in tijden van overvloed God niet te vergeten (8). Dat resoneerde bij bijna ieder, die iets instuurde.

Etappe 5: Jozua- Richteren-Ruth; 24-2-2005 t/m 9-3-2005 (kopijdatum)
Etappe 6: 1 Samuel en 2 Samuel; 10-3-2005 t/m 24-3-2005 (kopijdatum)
Wie een deel van een étappe mee heeft gelezen, kan ook rustig zijn/haar bevindingen opsturen (Bakemastraat 4, 3822 WJ Amersfoort; f.gerkema@solcon.nl)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief