JEREMIA
1978-09-01
Zedekia's ontdekking- Jaargang 22
- nummer 32
Ook koning Zedekia zit zwaar in zorgen.
Toen het beleg dreigde en Jeruzalem steeds verder werd ingesloten, had hij - zoals we gezien hebben een delegatie naar Jeremia gestuurd met de vraag of Jahweh misschien op een wonderbaarlijke manier zou willen verlossen. Die delegatie was met een harde boodschap teruggekomen in het paleis: er zou geen sprake zijn van verlossing; Jeruzalem zou integendeel op catastrofale wijze ondergaan en vernietigd worden.
Deze woorden van Jeremia lieten Zedekia niet los. Ze zetten hem aan het denken over de vraag wat er in Jeruzalem zo verkeerd zou kunnen zijn, dat het oordeel van Jahweh er onweerstaanbaar door werd aangetrokken.
Als er iets dergelijks te vinden was en er werd een eind aan gemaakt, was het niet onmogelijk dat het oordeel toch nog zou worden afgewend en dat ze weer bij Jahweh in een goed blaadje kwamen.
En inderdaad ontdekte Zedekia iets: men had Gods wetten inzake de vrijlating van slaven verwaarloosd. In zijn wetgeving had de HERE voorgeschreven, dat de Israëlieten die als gevolg van hun onvermogen hun schulden te betalen, als slaven in dienst van hun schuldeisers gekomen waren, in het sabbatsjaar (d.w.z. elk zevende jaar) weer vrijgelaten moesten worden (zie Deut. 15: 12-15).
Dat was een van de vele wettelijke bepalingen die de HERE gegeven had om de uitbuiting van de sociaal zwakkeren door hun rijke volksgenoten af te remmen en tegen te gaan. Jahweh had er zo voor gezorgd, dat in een wereld waarin de slavernij voor hen die er het slachtoffer van waren, een vrijwel uitzichtloze situatie was, er bij zijn volk voor slaven wel uitzicht was. Slavernij mocht voor een Israëliet maximaal zes jaar duren. In het sabbatsjaar moesten de slaven worden vrijgelaten en kregen ze de kans weer een nieuwe start te maken. Want bij hun vrijlating moest hun ook een bescheiden bestaansmogelijkheidworden meegegeven in de vorm van wat kleinvee en een hoeveelheid koren en wijn, in zo'n mate dat ze weer zelfstandig aan de slag konden gaan.
Maar mensen die eenmaal gewend geraakt zijn aan de diensten van een of meer slaven, zien die slaven niet graag weer vertrekken. Dat is niet zo vreemd. Als mensen hun inkomen omlaag zien gaan en de broekriem wat strakker moeten aanhalen, zit hun dat niet lekker. Dan beginnen ze te mopperen en te protesteren. Het is voor een mens erg moeilijk afstand te doen van de luxe waaraan hij gewend geraakt is.
Zo vonden de rijke Israëlieten het maar wat plezierig dat ze een of meer slaven tot hun beschikking hadden.
En het sprak hun niet erg aan, dat ze van dat genoegen en die luxe weer afstand moesten doen. Vandaar dat men die wetten van Jahweh maar vergat en het sabbatsjaar elke keer maar weer voorbij lieten gaan zonder de slaven vrij te laten. Er was in Jeruzalem een praktijk gegroeid, die het Woord van God opzij schoof en rustig naast zich neerlegde. Men beschouwde zijn naaste als een permanent gebruiksvoorwerp.
Daar stuitte Zedekia op. En hij dacht: als we dat gaan veranderen en laten zien dat we Gods wet weer serieus gaan nemen, zullen we God wel gunstig stemmen en bestaat de kans dat Hij de Babyloniërs op de een of andere manier verjaagt en ons bevrijdt.