ANTITHESE
1978-09-15
Nog wat namijmerend over wat ons enkele weken geleden bezig hield, de samenwerking met organisaties als Amnesty International, kwam ik tot de gedachte dat wij misschien wel eens te vlug met de antithese, de tegenstelling tussen geloof en ongeloof komen aandragen. Zoals wij ook wel eens te snel zeggen, dat wij zondaars zijn, waardoor we aan bepaalde opdrachten maar niet eens beginnen. Ik sprak een jong iemand die zijn vakantie ergens in het buitenland in een christelijke gemeenschap had doorgebracht. Blij en enthousiast deed hij daar verslag van. "Ze probeerden daar werkelijk in hun onderlinge verhoudingen het Koninkrijk Gods te verwezenlijken."- Jaargang 22
- nummer 34
Ik merkte toen bij mijzelf dat dit mij tot tegenspraak prikkelde, die ik in dit geval nog net binnen de haag mijner tanden kon houden.
"Dat kan toch niet, het Koninkrijk Gods verwezenlijken?" Zou het niet kunnen zijn dat dit op zichzelf juiste dogma ons van veel ondernemingen afhoudt? Waar zou ons de zondeleer voor gegeven zijn: als leer vóóraf, die ons verhindert aan het werk te gaan, of als leer áchteraf, die ons troost als iets mislukt is?
Slotsom of premisse?
Ik meen dat de zondeleer in de Bijbel vooral terugkijkend van aard is; meer slotsom dan premisse. Natuurlijk kan iemand wijzen op de zondevalgeschiedenis die toch tamelijk voor in de Bijbel staat, maar dan antwoord ik dat pas het Nieuwe Testament in Romeinen 5 er de verstrekkende conclusies uit trekt, die ons uit de eerste zondagen van de Catechismus bekend zijn. En nu is het zeker waar, dat wij nooit meer achter deze conclusies terug kunnen. De zonde-leer staat vast, en wel bij voorbaat, in ieders leven.
Maar zou het niet kunnen zijn dat wij methodisch van de Bijbel kunnen leren dat wij niet elk ondernemen met de zondeleer frustrerend voor de voeten moeten lopen? Dat er gelegenheid genoeg over blijft om achteraf de waarheid van die leer maar al te zeer bevestigd te zien?
Wanneer iemand aan het begin van de dag in mijn bijzijn bidt: vergeef ons onze zonden die wij ook deze dag ongetwijfeld weer zullen doen, heb ik de neiging mijn ogen te openen en te vragen: wat ben je eigenlijk van plan? Daarom, het Koninkrijk Gods in de onderlinge verhoudingen realiseren, is het niet heerlijk dat 't althans geprobeerd wordt? Laten we daar toch vooral geen domper-bij-voorbaat op zetten!
Vooropgestelde antithese?
Iets dergelijks zou ik willen opmerken ten aanzien van de antithese, de tegenstelling tussen geloof en ongeloof, of meer concreet: de tegenstelling tussen gelovigen en ongelovigen.
Moet die voorop gesteld worden of blijkt die onderweg?
Moet die voorop gesteld worden, zodat gelovigen en ongelovigen zich al bij voorbaat afzonderlijk organiseren?
Of mag in elke nieuwe situatie weer gezocht worden naar een gezamenlijkheid, omdat Christus en zijn evangelie nog niet afgewezen zijn? Om practisch te zijn: het feit dat wij van het voorgeslacht de christelijke school hebben geërfd, verplicht dat er ons toe een nieuw schooltype bij voorbaat christelijk en gesloten op te zetten, of mag eerst een poging gedaan worden om met een bredere basis te starten?
En, los nu van het onderwijs, wanneer een belang als nu door A.I.
bepleit binnen ons gezichtsveld komt, zijn- wij dan gehouden, gezien ons apart georganiseerd zijn op zo menig terrein, van meet af aan christelijke organisaties ten dienste van dat belang in het leven te roepen of mag een poging gedaan worden om op een bredere samenwerkingsbasis te starten? In hoeverre kunnen we van het verleden leren en in hoeverre zijn we door het verleden gebonden? Het is bekend dat opgedane ervaringen, vooral wanneer ze negatief zijn, een geweldige macht over ons kunnen krijgen. Kan deze macht ook te groot worden, zodat we ons nooit meer aan verwachtingen durven overgeven?
Genesis 3 : 15
Ik wil in dit verband op twee frappante bijbelse gegevens wat nader ingaan.
Het eerste is het bekende woord dat we vinden in Gen. 3 : 15: "En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen."
De bekende moederbelofte, niet omdat moeder Eva daarin een rol speelt, maar omdat alle volgende beloften uit deze eerste als uit een moeder zijn voortgekomen. Het is tegelijk het woord van de gestelde antithese. Maar tussen welke partijen geldt deze tegenstelling? Tussen gelovigen en ongelovigen, tussen degene die God dienen en die Hem niet dienen? Daar loopt het wel op uit. Wanneer er namelijk mensen zijn gekomen die als 'adderengebroed' getypeerd kunnen worden, zoals Johannes de Doper en Jezus doen, (Matth. 3 : 7, 12: 34).
En die dus slangenzaad worden.
Zij zijn dan degenen die overlopen naar het front van de boze. Maar oorspronkelijk heeft God het ganse vrouwenzaad aan zijn zijde gesteld.
Onder het beeld van de altijd durende oorlog tussen mensen en slangen (waarbij de mens de slang de kop tracht in te trappen, terwijl de slang het voorzien heeft op de hiel van de mens), wordt ons de geestelijke strijd getekend tussen het rijk van de boze en de mensheid, 'degenen die uit vrouwen geboren zijn' (Matth. 11 : 11).
Wat nu opvalt is dat deze mensheid in haar geheel op Gods zijde gesteld is. Daarom kan Eva haar eerste zoon Kaïn ook als een hulp in de strijd tegen de slang begroeten.
Zij heeft zich daarin vergist, zeggen wij achteraf, maar we moeten toch maar vasthouden, dat wij in zulk soort vergissingen navolgers Gods zijn. Hij wil na de zondeval zijn hele mensheid terug, zoals later ook Paulus schrijft: God wil dat alle mensen behouden worden en tot erkentenis der waarheid komen (1 Tim. 2 : 4). Met die universaliteit begint God, en dat na de zeer teleurstellende ervaring van de zondeval!
Het is niet zijn schuld, dat er uiteindelijk aan het goede front maar één strijder overblijft, onze Here Jezus Christus. Al kun je zeggen dat dit op verborgen wijze toch reeds in de moederbelofte is aangeduid: zaad der vrouw i.p.v. zaad des mans. Je kunt de Christus daaruit van te voren niet opmaken, maar je kunt Hem daaruit achteraf wel herkennen.
1 Joh.3: 16
Misschien zegt iemand dat dit voorbeeld niet zo veel betekent, omdat 't inderdaad helemaal voor in de bijbel staat. Er is sindsdien zo veel gebeurd, dat het niet eens verantwoord lijkt om op die universaliteit van 'in den beginne' te wijzen.
Daarom ter aanvulling een voorbeeld uit het Nieuwe Testament.
Al weer een heel bekende tekst, Joh. 3: 16: "Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe." Hier staan we in de nieuwe situatie van het verschijnen van Jezus Christus in de wereld. En opnieuw frappeert de ruimte waarin begonnen wordt: alzo lief heeft God de wereld gehad. Het is goed dit bekende Schriftwoord eens te vergelijken met een ander woord van de Here, dat we tegenkomen aan het einde van Jezus' dienst op aarde. Het staat in hetzelfde evangelie naar Johannes, 17 : 9: "Ik bid voor hen; niet voor de wereld bid Ik U, maar voor hen die Gij Mij gegeven hebt." Onder de dienst van Jezus Christus op aarde is de wereld van kleur veranderd.
Toen Jezus begon, was ze a-christelijk; toen Hij eindigde, anti-christelijk.
Op de uitzondering na van degenen die God aan Christus uit de wereld gegeven had. Christus begon ruim en eindigde nauw. De antithese tussen gelovigen en ongelovigen was geen vóórgegeven van waaruit Hij startte, maar zij bleek onderweg. Al was ze ook nu weer verscholen aangeduid in· de nazin van Joh. 3: 16: " ... opdat een ieder die in Hem gelooft niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe."
Het woordje 'ieder' handhaaft de ruimte van de 'wereld', maar zegt tegelijk dat er persoonlijk gekozen moet worden met een keuze die eenzaam kan maken in de wereld.
Heden der genade
Maar, zegt iemand: ik zal je verslaan met je eigen woorden. Want waar is Christus mee geëindigd?
Met 'alzo lief heeft God de wereld gehad' of met 'Ik bid niet voor deze wereld'? Toch met het laatste?
Nu, dan hebben wij vandaag met die eind-conclusie van de Heiland te maken. Toch voel ik me dan niet verslagen. Want wat doe je dan met het zendingsbevel? Zelfs stapt de Here daarin over zijn teleurstellende ervaring met Isarël heen, want dat volk wordt niet uitgesloten van de benadering met het evangelie.
Nee, hier moet ik op iets eigenaardigs in de evangelies wijzen. Zij beschrijven de dienst van de Here Jezus op aarde, maar ze doen dat op zodanige wijze dat daarin de actualiteit van alle volgende eeuwen verwerkt is. Vooral bij het evangelie naar Johannes is dat het geval. Zodat de kerk zich in elke nieuwe tijd en in elke nieuwe situatie enigermate mag terugherkennen in de levensgang van haar Heer.
Telkens mag zij weer, achter haar Heer aan, een open begin maken, met mensen die a-christelijk, nog niet anti-christelijk zijn, met mensen die nog nooit duidelijk geconfronteerd zijn met de liefde van God in Jezus Christus en daarom nog geen keiharde nee-zeggers zijn, misschien wel uit traditie maar niet uit persoonlijke keuze.
Zo'n brede opzet loopt dan niet zelden uit op scherpe confrontatie en antithese. Maar hoe leerzaam ook voor de kerk en de christenen, deze ervaring legt het toekomstige beleid niet vast. Steeds mag en moet weer gespeurd worden naar nieuwe mogelijkheden van brede opzet. De veerkracht van de kerk moet daartoe gevoed worden uit de sterkte van Gods liefde die in Christus tot deze wereld uitgaat. De antithese blijkt onderweg, is geen voorgegeven, geen premisse, maar conclusie.
Vergis ik me als ik zeg dat ze onder ons toch vaak omgekeerd werkt? Dat we er meer van uit gaan dan er mee eindigen? Dat geeft aan heel onze opstelling in de wereld iets onnodig geslotens, iets gelatens ook. Wel niet wat onze medegelovigen, maar wat de ongelovigen betreft. Alsof wij ons bij voorbaat neerleggen bij de overmacht van zonde en ongeloof.
Daardoor kan vooral de jeugd wel eens ontmoedigd worden. Die voelt zich vaak gekerkerd in de opgedane ervaringen van het voorgeslacht.
Of is dit nu een pleidooi voor de argeloosheid? Toch niet. Ik vergeet niet dat de Schriftwoorden die een open begin verkondigen, tegelijk de antithese die komt, al aanduiden.
Daarom is bij elk nieuw begin waakzaamheid geboden. En het is goed in dezen van voorgaande generaties te Ieren. Maar waakzaamheid moet niet in argwaan en achterdocht ontaarden. Met z'n allen leven we nog in het heden der genade.