Kerknieuws

1978-09-22
  • Jaargang 22
  • nummer 35



Beroepen te Rijsbergen (N.B.): Kand. W. v. d. Veer te Veenendaal, die dit beroep heeft aangenomen.

Beroepbaar - De vergadering van kerken in de regio Utrecht d.d. 14 september jl. heeft praeparatoir geexamineerd en beroepbaar verklaard: Kand. W. Borgdorff, Reigerstraat 21b te Utrecht.

Geslaagd - Aan de Theol. Hogeschool van de Chr. Geref. kerken te Apeldoorn slaagde (cum laude) voor het tweede gedeelte van het kandidaatsexamen: de Heer W. Janse (zoon van ds J. C. Janse te Zaandam).

Wie is er in Wageningen gaan studeren?

In Wageningen is een kleine gemeente met relatief veel jonge mensen.
Voor een deel zijn dit studenten aan de Landbouwhogeschool. Het blijkt elk jaar weer erg moeilijk te zijn om er achter te komen hoeveel studenten uit onze kerken er met een studie in Wageningen zijn begonnen. Dat komt gewoonlijk omdat deze studenten de weekenden weer naar huis gaan en zo blijven ze ook thuis lid van de kerk. Het resultaat is wel dat wij van hen geen weet hebben. Toch kunnen we, ook als ze niet alle weekenden hier zijn veel aan elkaar hebben.
Daar hebben we wel ervaring mee, want voor een groot deel zijn we zelf ook als vrijgezel in Wageningen gekomen.
Hierbij een vriendelijk verzoek aan ieder die dit leest om het aan ons door te geven als hij of zij iemand kent die onlangs in Wageningen is gaan studeren of werken. U kunt contact opnemen met C. J. Bos, Oude Zoomweg 1, 6705 BR Wageningen, tel. 08370-13185.

PERSVERSLAG van de 6e zitting van de Landelijke Vergadering van afgevaardigden van de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt buiten verband), gehouden op 26 augustus '78 in het vergadergebouw achter de Gereformeerde kerk te Wezep.

De praeses, ds Goris, opent de vergadel ing. Hij laat zingen Gez. 5 : 1 en 3, leest Efeze 6 : 10-20 en gaat voor in gebed. Hij spreekt een kort welkomswoord, nu de Landelijke Vergadering na de vakantie wordt voortgezet. De 2e scriba rapporteert over de aan- en afwezigheid van de afgevaardigden: een aantal afgevaardigden blijkt vervangen door hun secundi, terwijl enkele andere afgevaardigden verhinderd zijn zonder dat een plaatsvervanger aanwezig is. Met dankbaarheid neemt de vergadering kennis van een brief van ds O. Mooiweer waarin deze meedeelt zijn benoeming tot 3e begeleider van de theologische studenten te aanvaarden.
De prae ses stelt hierna de rapporten en voorstellen aan de orde inzake de vraag, of de figuur van de pastorale werker binnen onze kerken nodig en gewenst is, en zo ja, welke regelingen daarvoor dan getroffen moeten worden.
Van de door de Landelijke Vergadering van Kampen-1976 terzake benoemde kommissie is een meerderheids- en minderheidsrapport ter tafel, dat wordt verdedigd door ds B. Wielenga resp. ds W. van der Lingen.
Het meerderheidsrapport stelt voor, de mogelijkheid en de wenselijkheid te erkennen van de figuur van de pastorale werker terwille van het lenigen van de nood van noodgedwongen vakante gemeenten, en doet voorstellen voor een aantal te hanteren regelingen.
Het minderheidsrapport stelt voor uit te spreken dat de kerken niet overgaan tot het instellen van deze figuur.
Een voorstel van de kerken van Heemstede en Lisse, ter vergadering toegelicht door ds Schuurman, wil rekening houden met het feit dat de funktie van pastorale werker in onze kerken bestaat en dat wat gegroeid is niet zomaar moet worden afgesneden.
Beide kerken stellen voor enkele summiere afspraken terzake te maken en steeds in het oog te houden dat het om een noodoplossing gaat die een voorlopig karakter draagt.
Aan de bespreking in twee rondes wordt deelgenomen door de brs. ds Van Atten, ds Van Keulen, Buitenhuis, Zuidhof, ds Moggré, ds Bakker, ds Doornbos, ds Van Oene, Polderman, Bakhuizen, Strating en ds Strating.
Vrijwel alle sprekers hebben ernstige bedenkingen tegen een landelijke regeling van de figuur van de pastorale werker of vinden de figuur als zodanig niet nodig of ongewenst.
Gewaarschuwd wordt voor het konstrueren van een theoretische nood in de kleine gemeenten vanuit de cijfers van het handboekje. Die nood is niet door een Landelijke Vergadering te beoordelen, maar alleen door de plaatselijke kerken zelf. Pas wanneer verschillende kleine kerken hun nood kenbaar maken en met een verzoek komen, is het tijd om landelijk iets te doen, aldus sommige afgevaardigden.
Anderen vinden de figuur van de pastorale werker niet alleen onnodig, maar ook ongewenst. Wanneer de deur wordt opgengezet voor de pastorale werker, kunnen de theologische studenten geen plaats meer krijgen, vrezen zij. Bovendien betekent het een onderschatting van de capaciteiten van de ouderlingen in de kleine gemeente: de taken waarvoor in de voorstellen het aantrekken van een pastorale werker wordt bepleit - catechisatie, pastoraat - kunnen ook door ouderlingen goed verricht worden.
De grote moeite in de kleine gemeenten betreft de preekvoorziening; en juist voor de prediking van Gods Woord moet geen pastoraal werker worden aangetrokken, omdat daarvoor een goede theologische opleiding vereist is, die toerust om de geesten te beproeven, zo beklemtonen deze afgevaardigden.
Anderen stellen daartegenover, dat - hoewel de Reformatorische Bijbelschool en de Pastorale Leergangen beslist niet opleiden voor het predikantschap - het niveau en de zwaarte van deze opleidingen niet onderschat moeten worden. Ook wordt gewaarschuwd tegen het overwaarderen van de theologische opleiding: het ambt moet niet daarin gefundeerd worden.
Andere sprekers zijn van oordeel, dat met de instelling van deze figuur ook de pastorale werker zelf geen goede dienst wordt bewezen. Een predikant heeft een levensroeping die hem ook in tijden van crisis kracht geeft om door te gaan. Voor de pastorale werker die een tijdelijke betrekking heeft geldt dat niet.
Sommige afgevaardigden pleiten ervoor om vanuit de zelfstandigheid van de plaatselijke kerk, het aantrekken van pastorale werkers en het regelen van hun positie over te laten aan de plaatselijke kerken, in overleg met de zusterkerken in de regio. Zij zien de noodzaak van een landelijke regeling niet in.
Enkele afgevaardigden uit kleine gemeenten doen de suggestie om de theologische studenten een bredere opleiding te geven, zodat ze naast hun taak als predikant een betrekking in het maatschappelijk leven kunnen uitoefenen. Ze vragen ook aandacht voor de studerende jeugd, waar volgens hen de grootste problemen liggen.
Velen duiken onder in de universiteitssteden, met alle gevolgen van dien, zo waarschuwen zij. Bij de predikanten wordt aangedrongen op het maken en uitgeven van meer preken die geschikt zijn om te lezen.
In de beantwoording voeren ds Wielenga, ds Van der Lingen en ds Schuurman het woord.
Volgens ds Wielenga zal de kommissie waarvan hij rapporteur is, erg dankbaar zijn wanneer de nood in de kerken in dit opzicht blijkt mee te vallen. In dat geval zijn de opgestelde regels dan ook niet nodig.
Maar hij waarschuwt toch om die nood in de kleine gemeenten niet te onderschatten. Ouderlingen in deze gemeenten hebben een erg zware taak: dat is z.i. geen onderschatting van hun capaciteiten, maar een erkenning van het feit dat het gemeente-zijn in déze tijd - met o.m. zorg voor de jeugd en aandacht voor een wervend optreden naar buiten - een extra-
ouderlingen.
De kommissie ontkent niet dat er andere mogelijkheden zijn om in de nood van kleine gemeenten te voorzien, maar gelooft niet dat ze afdoende zijn. Uitbreiding van de theologische opleiding met het oog op een neven funktie acht ds Wielenga niet haalbaar. Hij ontkent dat de door de kommissie voorgestelde regeling ingewikkeld is. De regeling gaat in op de vragen die vanuit de praktijk geboren zulen worden en de haken en ogen die dan onherroepelijk zichtbaar zullen worden. Het is geen betutteling van zelfstandige plaatselijke kerken, zo houdt hij de vergadering voor, maar wil die kerken een helpende hand bieden.
Ds Van der Lingen benadrukt dat, ook al is het ambt niet gebonden aan een wetenschappelijke opleiding, toch juist in deze tijd de predikant grondig gestudeerd moet hebben. Zoals we naar een ziekbed alleen de beste dokters sturen, heeft ook de gemeente vandaag een predikant nodig.
Juist door het treffen van een regeling voor de pastorale werkers, maak je van een uitzonderingsgeval een gereglementeerd geval, en dat werkt stimulerend, zo waarschuwt hij. Bovendien zal dat de animo bij de theologische studenten wegnemen, verwacht hij.
Ds Schuurman vertelt iets over de ervaring in de regio Amsterdam-Haarlem met een pastorale werker. Hij waarschuwt voor overschatting van de theologische opleiding, die z.i. lacunes bevat die bij de Reformatorische Bijbelschool niet voorkomen. Hij dringt erop aan, gezien de opvattingen ter vergadering, in deze zaak geen beslissingen te nemen.
De praeses sluit vervolgens de bespreking.
Ds brs. ds Moggré en ds Van Oene leggen het volgende voorstel aan de vergadering voor:

"De Landelijke Vergadering, kennis genomen hebbende van het meerderheids- en het minderheidsrapport inzake de figuur van de pastorale werker en van de daarin vervatte voorstellen, besluit, met dank aan de kommissie voor de door haar verrichte arbeid, gehoord de bespreking over deze materie, ten aanzien van deze figuur geen beslissing te nemen, noch regelingen dienaangaande te streffen, en dit oordeel mee te delen aan die kerken die daarom aan de Landelijke Vergadering van Kampen hebben gevraagd."

Het voorstel wordt aanvaard zonder tegenstemmen, bij 3 onthoudingen. De praeses dankt de leden van de kommissie-pastorale werker voor de door hen verrichte arbeid.

Vervolgens komt aan de orde het revisieverzoek van de kerk van Enschede-Zuid inzake de artikelen 31 en 38 van het Akkoord van kerkelijk samenleven. Na een korte bespreking wordt een voorstel, geformuleerd door de op een eerdere zitting benoemde kommissie-ds Mul c.s., aanvaard met één stem tegen, bij 4 onthoudingen.
Een amendement van de Van Keulen wordt, met 2 stemmen voor, verworpen. Het aanvaarde voorstel luidt:

"De Landelijke Vergadering heeft kennisgenomen van de mededeling van de kerkeraad van Enschede-
Zuid, dat ratificatie van de op de L.V. te Kampen 1976 vastgestelde art. 31 en 38 voor hem "niet op staan naar het ambt van dienaar van zijn voorstellen om de art. 31/1 en 3812. 3 te vervangen door de door de KFK I voorgestelde art. 31 en 38.
De vergadering besluit de voorstellenlrivisieverzoeken van Enschede-Zuid niet in behandeling te nemen en hiervan aan de kerkeraad van Enschede-Zuid mededeling te doen.
Bij de besluitvorming is overwogen
- dat de aangenomen artikelen in de praktijk hun bruikbaarheid zullen moeten bewijzen;
- dat de bezwaren van de kerkeraad van Enschede-Zuid van praktische aard zijn;
- dat herziening van genoemde artikelen ook op een later tijdstip mogelijk blijft."

In bespreking komen hierna de voorstellen van de Kommissie-Opleiding Dienst des Woords, waarvan het rapport reeds op een vorige zitting werd besproken. De Kommissie stelt de vergadering voor, het volgende uit te spreken:

"A. In de situatie, waarin de zaak van de opleiding in onze kerken verkeert, verdient een studie aan de Theologische Hogeschool te Apeldoorn de voorkeur boven die aan de universiteiten.
Een studie aan laatstgenoemde instellingen verdient ernstig te worden ontraden.

B. Aan de kerkeraden wordt verzocht dit advies onder de aandacht te brengen van allen, die willen verantwoorde wijze mogelijk is" en van het Woord in onze kerken.

C. Zolang de kerken niet gekozen hebben voor een eigen instituut voor de opleiding, zullen de studenten in de theologie een begeleiding ontvangen, de bedoeld is als een nadere toerusting tot het ambt van dienaar van het Woord in de kerken.

D. De Raad van Toezicht en Advies voor de theologische studiebegeleiding wordt verzocht na te gaan of de begeleiding, zonder het studiepakket uit te breiden, kan worden geïntensiveerd en toegespitst op de verschillende studiejaren.

E. Bij de kerkelijke examina dient met name aandacht te worden gegeven aan de schriftgetrouwheid van de inzichten van de kandidaat en aan zijn instemming met de Belijdenis van de Gereformeerde Kerken."

Twee reeds eerder ingediende amendementen maken tevens onderwerp van bespreking uit, te weten een amendement-ds Visser om in voorstel A het woord "ernstig" te schrappen, en een amendement-ds Van Atten om voorstel E te laten vervallen.
Beide lichten hun amendementen nog kort toe. Ds Visser vindt "ernstig ontraden" te ver gaan; hij kan zich gevallen voorstellen, waarin hij dat advies niet zal kunnen geven. Ds Van Atten wil voorstel E schrappen, niet omdat hij het met de inhoud oneens zou zijn, maar omdat het volgens hem niet thuishoort in voorstellen over studie en opleiding.
Namens de kommissie verdedigt ds Mooiweer de voorstellen. Voor het "ernstig" ontraden van de studie aan de universiteiten verwijst hij naar de vele dreigende gevaren daar. De vrijheid van studie - het ontbreken van de dwang: je moet naar Apeldoorn - is tegelijk een vrijheid in Christus.
Daarom moeten we de a.s. studenten duidelijk zeggen: overweeg deze zaak ernstig, want wij ontraden je die studie aan een universiteit ernstig.
Ten aanzien van de emendement- Van Atten merkt hij op, voorstel E juist in voorstellen over de totaliteit van de opleiding noodzakelijk te vinden.
Zolang er zo'n diversiteit van opleiding is bij de studenten, mag dat volgens hem nog wel eens extra accent krijgen.
In de bespreking voeren o.a. de brs. ds Van Oene en ds Van Keulen het woord.
Br. Keizer, lid van de kommissie, beklemtoont dat aan de meeste theologische opleidingen de theologische wetenschap zo'n grote plaats heeft ingenomen, dat de kennis van de Schrift en het profetisch hanteren van Gods Woord in de verdrukking komt.
Hij bepleit een reformatie van de opleiding.
Het amendement-ds Visser wordt verworpen met 7 stemmen voor, bij 4 onthoudingen.
Het amendement-ds Van Atten wordt verworpen met 4 stemmen voor, bij 3 onthoudingen.
Het kommissievoorstel wordt aanvaard met 2 stemmen tegen, bij 2 onthoudingen.
De praeses dankt de kommissie voor de door haar verrichte arbeid.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief