Onnut, niet nutteloos

1978-09-29
  • Jaargang 22
  • nummer 36
Lukas 17, vers 7 t/m 10

Hoe ongeneeslijk godsdienstig het mensenhart is, heeft de Heer Jezus vooral laten zien in zijn woorden tegen de Farizeeën en hun levenshouding.
Niet tegen hun leer, want dat was de leer van Mozes, maar tegen hun praktijken.
Wij doen altijd net, alsof die Farizeeën vrome huichelaars waren, die er helemaal niets van meenden. En die zullen er ook wel onder hen geweest zijn. Maar het was niet het kenmerkende van hun levenspatroon.
Dat was het karakter van hun religieus besef. Je zou het het beste zó kunnen aangeven: ze waren en deden zo vroom, omdat ze van mening waren, dat ze zó alleen bii God in aanmerking kwamen.
Ze gingen er van uit, dat ze een soort kontrakt met God hadden.
Als je later in het rijk van God wilde komen, moest je héél erg precies naar de wet van Mozes leven.
De gewone man kwam daar niet aan toe. Maar als je behoorde tot die stand van "geestelijkheid", waartoe de farizeeër zich rekende behoorde je tot die bovenlaag, met wie God het het beste getroffen had.
Want het mensenhart is godsdienstig van aard. Religieus in denken en doen. Zó is hij geschapen.
Zó is hij van zichzelf. En hij kan het maar niet laten, om zich vroom te gedragen. Want een mens zonder god is een verminking van zichzelf.
Hij wordt geen dier, omdat hij niet in de levende God gelooft, maar in een god van eigen makelij. Nee, hij blijft een levend mens, die naar Gods beeld was geschapen. Hij heeft dat beeld verminkt. Hij heeft, zegt Paulus in de brief aan de gemeente in Rome, hij heeft dat beeld veranderd in de gelijkenis van een sterfelijk schepsel; hij heeft zijn Godsgedachten aangepast aan zijn gebroken denken; maar hij blijft mens, religieus en godsdienstig, al verdwaalt hij in zijn ongeneeslijke religiositeit onherroepelijk.
De farizeeër (dat was voor die tijd: de orthodoxe mens; de mens, met de zuivere leer en met de beste moraal, naar de wet van Mozes nog wel) de farizeeër dacht zich zijn mens-zijn als een kontrakt met God, die zoveel gaf voor zoveel.
Het leven was net een soort weegschaal; aan de ene kant woog God het goede af en aan de andere kant het kwade. En wat het zwaarste was, moest dan ook het zwaarste wegen. Dat was de overeenkomst.
Het kontrakt. Zóveel voor zoveel. Net als de handel op de markt. Net als de rechter bij het vonnis. Net als de rente op het kapitaal.
Daarom beijverde de farizeeër zich, om alles precies te doen naar de wet en naar wat de rabbijnen als regel van de wet hadden aangegeven..Als je eenmaal gevangen zit In dit levensgedrag, moet je de religiositeit ten top voeren. Anders voldoe je niet aan de regels van het kontrakt en krijg je God tegen je, die het oordeel velt. Maar dié vorm van religie, daar kom je dan ook nooit mee klaar; je wordt ongeneeslijk godsdienstig, want je hebt nooit genoeg gedaan voor de Heer van het kontrakt.
Net als met de heer en zijn slaaf, zegt Jezus. Zonder een levende vader-kind-verhouding degradeert de relatie met God tot die van een heer en een knecht. De knecht komt van het land; hij heeft geploegd of op het vee gepast. Hij is natuurlijk goed moe na zo'n dag werken.
Maar zegt de heer nu, als zijn knecht thuis komt, dat hij maar aan tafel moet komen en meeëten? Nee, de heer laat de slaaf eerst de maaltijd voor zich klaar maken en de slaaf mag eerst de tafel dienen.
Pas dan, als het eten dan klaar is, krijgt hij ook wat. De heer bedankt ook de slaaf niet uitvoerig voor zijn bediening. Het was zijn taak. Hij deed, wat hem opgedragen was.
Klaar. Afgelopen. Zo gaat het met de heer-knecht-relatie. Als alles klaar is, zeg dan maar gerust: we zijn onnutte slaven; wij deden alleen maar, wat wij moesten doen.
Wat klinkt dat hard. Alsof er niets van het evangelie in zit. Nee, inderdaad.
Wie de levende God alleen ziet als de heer van het godsdienstkontrakt, is zélf maar de onnutte slaaf, die helemaal niets verdient, die nergens recht op heeft en slechts gedaan heeft, wat hij moest doen.
En zo verdwaal je in de mallemolen van de ongeneeslijke godsdienstigheid en raak je gevangen in de kwaal van de hemelbestormer, die van mening is, dat hij het met God wel goed maken zal of kan.
Als geloof niet anders zou zijn dan de inspanning om in Gods rijk, in de hemel of in de eeuwige rust te komen, dan is de kerk een "zaakje"; het geloof een prestatie en de God, die we dan zoeken, is niet anders dan de Heer van het bedrijf; de werkgever met een groot aantal werknemers, die elke week hun loonzakje komen halen.
Voor wie zó godsdienst bedrijft, is het een hopeloos zaakje.
Onnutte slaven. Met geloof valt voor God niets te verdienen.
Zélfs als we alle geboden tot in de finesses zouden volbrengen, zijn we nog maar mensen, die deden, wat we moesten doen.
We hebben bij déze God geen kredit, alleen maar een debet.
Als het koninkrijk van God alleen een bank is voor alle bovennatuurlijke schatten en een verzekeringsmaatschappij tegen alle geestelijke risico's dan heb je nooit genoeg betaald.
Als je alleen maar gelooft, om in de hemel te komen, ben je ongeneeslijk godsdienstig, maar er is geen échte, levende Vader-kindrelatie.
Je bent nog maar een onnutte slaaf.
Geloof, bijbels geloof, geloof in Jezus Christus is niets anders dan: "álles krijgen om niet en helemaal niets verdienen."
Volstrekt en alleen leven van genade, van ontferming en barmhartigheid.
Dat is niet zo leuk, voor de farizeeër, die dacht dat hij een kontrakt met God had en dacht, dat hij het met de voorwaarden van dat kontrakt aardig ver had geschopt.
Hij is ongeneeslijk religieus en de Heiland zegt dan ook tegen zo'n schriftgeleerde, Nicodemus, dat hij met zijn vermeende religiositeit in het rijk van God niet komen kan, als hij niet helemaal van voren aan begint en weer mens wordt door de geboorte uit de Geest.
Maar Nicodemus was niet ongeneeslijker dan de gereformeerde, de vrome christen, die van mening is, dat de lieve Heer God in de hemel toch wel erg blij mag zijn met zulke brave kerkmensen, als wij zijn; die al onze plichten trouw vervuilen en nog wel eens iets voor de arme wereld ook willen doen.
Maar als we God voor óns wagentje spannen en zó het rijk willen verwerven, zien we nog niet, hoe ongeneeslijk wij lijden aan onze godsdienstwaan.
Zonder wedergeboorte kun je het koninklijk niet eens zien, laat staan: ingaan. Dan zijn we nog maar: onnutte slaven, geen blijde kinderen.

Is dus álle religie dwaasheid?
Wacht even; want onnutte slaven zijn nog geen nutteloze knechten.
Als het gaat over het "moeten" doen, dan is er alleen maar: plicht.
Maar er is ook een "mogen".
Als de Heer ons een plaats geeft en een taak in zijn dienst, dan is dat van heel grote betekenis. Niet om te verdienen, maar om te geven en te danken. Nutteloos is in Gods rijk niemand en niets. Nutteloos is in de kerk geen mens, die de Heer Jezus kent als zijn Heer en Verlosser, die hem van God als zijn Vader heeft leren kennen.
En geloof is dat wonder van de Geest, dat we niets meer moeten, omdat we alles mogen als een geschenk van de Vader.
Een kind is nooit nutteloos, als het blij en dankbaar doet, wat Vader van hem vraagt.
Ik ben geen knecht, maar een kind van God, door Jezus Christus.
Hij heeft mijn ongeneeslijke godsdienstigheid genezen door een herboren relatie van verlossing en dankbaarheid.
Ik geloof in Hem, de God en Vader van mijn leven.
Ik mag doen, wat Hij vraagt en geven, wat Hij schenkt.
Levend geloof geneest (door de Geest) van godsdienstigheid.
Is uw relatie met de levende God die van een ongeneeslijke religiositeit of die van een levend geloof?
Pas dan zijn we, hoewel onnutte knechten, geen nutteloze kinderen.
Door het verlossende bloed en de vernieuwende Geest van Christus.

Het schrijven over Amnesty International, gepubliceerd in de nummers van 15 en 22 september jl. was ondertekend door de secretaris van A.I., George A. J. Simensma

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief