IETS OVER HEDENDAAGSE BIJBELUITLEG

1978-09-29
  • Jaargang 22
  • nummer 36
Ik wil nog even doorgaan op het verschijnsel dat ik vorige week aanduidde. Dat dus gesproken of geschreven woorden niet langer hun betekenis in zichzelf hebben.
maar steeds meer uitgelegd moeten worden naar de daarachter liggende bedoelingen, die de spreker of de schrijver er mee had. Ik waarschuwde toen tegen het gevaar van versubjectivering en verpsychologisering van het woordgebruik.
"Woorden immers verwijzen in de eerste plaats naar een objectieve werkelijkheid buiten ons en pas daarna ook naar een subjectieve werkelijkheid in ons." "Daarom moet er in ons woord-gebruik een streven liggen naar algemene geldigheid en moeten we proberen zo te spreken dat onze woorden los verkrijgbaar zijn en dan toch nog inhoud hebben."
Weet u dat nu deze tendens tot versubjectivering van het woord ook een grote rol speelt in de tegenwoordige bijbeluitleg? Daar wil ik in dit artikel iets over zeggen.

"Black is beautiful"

Ik geef een voorbeeld uit een pas verschenen publicatie van Jan Bousen, Politieke lezing van de bijbel, een werkboek, Eltheto, nr. 59, '78.
Op pag. 17 lezen we: "We hebben ... de objektiviteit geleerd van de rationalistische traditie. We hebben wetenschappelijk leren denken.
We hebben geleerd mensen beter te begrijpen dan ze zichzelf begrijpen.
Dit alles laat zien: we hebben vergeten bij het lezen erop te letten wie de mensen die het schreven, werkelijk waren. We hebben geen oog gehad voor de eigen woorden en zinnen van die schrijvers. We
hebben getracht ze te beheersen, maar we hebben ons niet laten gezeggen. Om het eenvoudig te houden: de tekst "Black is beautiful" betekent iets anders voor een zwarte mens in de U.S.A., als de tekst "White is beautiful" zou betekenen voor de blanke mens in die staat ...
In het ene geval is een vrijheidsstrijd bedoeld, de andere wordt getekend door een superioriteitsgevoel.
Het is op dezelfde manier iets anders wanneer een grootgrondbezitter ps. 22 citeert "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing", dan wanneer een van zijn pachters de psalm leest."

Inlegkunde ?

Wanneer men met deze voorbeelden zou willen zeggen hoe goed het is bij de uitleg van iemands woorden rekening te houden met de subjectieve, psychologische of sociale omstandigheden waarin iemand verkeert, dan zou daar weinig tegenin gebracht kunnen worden.
Maar het gaat mij te ver, als er gezegd wordt: "In het ene geval is een vrijheidsstrijd bedoeld, de andere wordt getekend door een superioriteitsgevoel."
Want dit staat niet in de tekst, dat is niet uit de woorden op te maken. Hier wordt geen ruimte gelaten voor iemand die zonder enige bijbedoeling blij is met zijn huidskleur en zegt "black is beautiful", laat staan dat er plaats is voor een blanke die dat bewonderend beaamt en zegt, zwart is ook mooi.
En wanneer een grootgrondbezitter ps. 22 citeert: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing?"
moeten wij dan niet vanuit die woorden terug vragen naar zijn situatie? Zo te zien lijkt hij inderdaad weinig verlossing nodig te hebben, maar kunnen wij ons daarin niet vergissen? Onze kijk is toch vaak oppervlakkig? In de gegeven aanhaling is die grootgrondbezitter bij voorbaat belachelijk en ongeloofwaardig gemaakt. In plaats dat men vanuit zijn woorden naar zijn situatie vraagt, legt men vanuit een bekend veronderstelde situatie zijn woorden uit. Maar is dat niet inlegkunde in plaats van uitlegkunde?
Heerst hier niet een geconstrueerd tekstverband over de tekst?

Marx als sleutel

In de bijbeluitleg werkt men tegenwoordig zeer vrijmoedig met een marxistisch aandoende maatschappij-analyse die men achter de teksten opstelt. Naar economisch-politieke maatstaven oordelend meent men de samenleving waarbinnen de bijbeltekst het eerst geklonken heeft te kunnen opdelen in verdrukkers en verdrukten. Sommige teksten van de bijbel, vooral die van priesterlijke herkomst, worden beschouwd als komend uit de koker van de verdrukkers, andere teksten, meer profetisch van origine, geven de schreeuw van de verdrukten weer. En deze maatschappelijke tegenstelling wordt nu de sleutel der kennis, de sleutel tot het verstaan van de tekst. Dit betekent dus dat als iemand uit de klasse der verdrukkers een tekst uit de klasse der verdrukten in de mond neemt, hij daarmee per se ongeloofwaardig is.
Hij rukt dan eigenlijk zo'n tekst uit z'n verband. En aangezien volgens deze zelfde maatschappij-analyse onze hedendaagse samenleving in haar geheel een verdrukkende samenleving is, kunnen bepaalde gedeelten van de Schrift daarin alleen maar verkeerd functioneren: de (groot grond)bezitters die ps. 22 citeren, een psalm van armen en verdrukten, van niet-bezitters, - zij eigenen zich wederrechterlijk zulke schriftwoorden toe. Wij moeten hen niet vertrouwen.

Sara en Hagar

Ik wil er nu een voorbeeld van geven, hoe we ons kunnen vergissen met deze marxistisch aandoende benadering van de bijbel. Het voorbeeld is gekozen uit Gen. 21, de verdrijving van Hagar en Ismaël uit de tent van Abraham. "Jaag die slavin met haar zoon weg." Als we dit gedeelte marxistisch bekijken, zijn we snel uitgepraat. Dan hebben we hier een zeer sprekend voorbeeld voor ons van een maatschappelijke tegenstelling die in het voordeel van de sterkere tot een 'oplossing' wordt gebracht. Natuurlijk, Ismaël gaf aanleiding, maar hoe gering was die? Zijn lachen - het was de stok om de hond, de underdog, te slaan. Hagar en Ismaël moesten weg: verdrukking!
Nu, misschien moeten we dit gedeelte dan ook wel voor 'n verdrukkende tekst houden, zoals er wel meer in de bijbel te vinden zijn, - zal men mogelijk tegenwerpen.
Er wordt toch wel meer in de bijbel verteld dat niet door de beugel van de bijbelse normen kan? Maar dat zou betekenen dat heel Israël er vanaf dat moment gekleurd op staat. Immers gaan hier in Gen. 21 eigenlijk twee volken uiteen, de israëlieten en de ismaëlieten, en Israël zou zijn zelfstandigheid als volk aan een aperte daad van verdrukking te danken hebben? Dat zou alles wat later binnen Israël over het recht der armen gesproken is, bij voorbaat ongeloofwaardig maken. Het zou dus wel erg ongelukkig zijn, als we juist in Gen. 21 met een verdrukkende tekst te maken zouden hebben, gesteld even dat die er zijn in de bijbel.

Wil de ware verdrukte opstaan?

Nee, we zullen ons niet blind moeten staren op het woord 'slavin' dat we verschillende malen in dit tekstverband tegenkomen. Want daarmee zijn we volstrekt niet de tegenstelling op het spoor, die deze tekst beheerst. Sara, hoewel meesteres, is hier de verdrukte partij.
Het lachen, het uitlachen van Ismaël is maar niet een kwajongensstreek die door Sara wordt aangegrepen als stok om de hond te slaan. Het is het lachen van het ongeloof dat Gods werk in deze wereld en het geloof er in bespot. Dit lachen klinkt iedere gelovige bekend in de oren. In de mate waarin hij gelooft, krijgt hij het van de kant van de wereld te horen. Ismaël heeft met z'n lachen de meerderheid op zijn hand. Hij is maatschappelijk slechts de zoon van een slavin, maar geestelijk is hij met de grote hoop mee de verdrukker van het geloof. En daarom zegt Sara tot Abraham: in de wereld hoor ik dat hoongelach meer dan genoeg, 'mijn ziel is meer dan verzadigd van de spot der overmoedigen, de verachting der hovaardigen' (Ps. 123: 4) - in mijn eigen huis wil ik het niet ook nog horen. "Jaag die slavin met haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet erven met mijn zoon, met Isaäk." En hiervan zegt God: Sara heeft gelijk. Zeker is God hierin weer, zoals steeds, 'de partijganger der verdrukten', zoals men tegenwoordig graag zegt, maar het is simplistisch en vooringenomen om die verdrukking alleen maar economisch, politiek of maatschappelijk te zien. Hier faalt de marxistische benadering van de bijbel zichtbaar. De verdrukte is Sara en niet Hagar.

Het woord z n eigen uitlegger
Wat altijd al een gevaar was, blijkt in onze dagen ook weer een gevaar te zijn. Dat we buiten de bijbel om al een vooropgezette mening hebben gevormd, waarin dan achteraf het bijbelwoord moet passen. Nog vóórdat het geschreven Woord aan het woord komt, zijn dan de beslissingen al gevallen. Daarom pleit ik er voor dat het Woord - het bijbelwoord maar dan in navolging daarvan ook ons eigen woordzijn eigen uitlegger zal zijn. Dat het evidentie in zichzelf moet hebben.
De omstandigheden waaronder en de situatie waarin en de persoon door wie iets gezegd wordt - ze kunnen wel ter verklaring bijdragen, maar wat er gezegd wordt en wat er staat is het belangrijkste. Als iemand zegt: "black is beautiful", dan wil ik dat eerst als uitspraakvoor-
zich beoordelen, ongeacht of die komt uit de mond van iemand die oranje of pimpelpaars van kleur is. En als iemand klaagt: 'mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten', dan wil ik informeren wat er aan de hand is, ook al komt die klacht van iemand die sociaal boven mij staat. Het zou bijvoorbeeld een koning kunnen zijn, zoals het opschrift van de psalm zegt.
Het alternatief is toch, dat niemand iets nieuws meer kan zeggen?
Dat iedereen alleen maar die dingen zegt die van hem verwacht kunnen worden? Met ècht gesprek is het dan gebeurd. Met echt luisteren trouwens ook. Het is werkelijk funest wanneer de beslissing over de uitleg van iemands woorden buiten de tekst om genomen wordt.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief