Zo was het (20)

1978-09-29
  • Jaargang 22
  • nummer 36

De vorige keer sprak ik over het Heilig Avondmaal. We noemen het een sacrament, evenals de Heilige Doop. Naar mijn overtuiging hebben wij de sacramenten als "heilige zaken" al te zeer apart gezet ten opzichte van de verkondiging van het Evangelie. Mogelijk vierden we daarom het H.A. maar 4 maal per jaar? Was daarom ook de stemming over het algemeen meer somber dan blij? Waren we soms bang ons aan het Heilige te branden?
Ideaal is het dunkt mij elke maand het Avondmaal te gebruiken.
Het zichtbare Evangelie bij het hoorbare Woord. Voor de gelovigen is het Avondmaal even heilig als het Woord van de HERE en het Woord even heilig als het Avondmaal.

In verband daarmee wil ik ook iets zeggen over de zogenaamde Voorbereiding en de Zelfbeproeving en het feit, dat velen niet durven toegaan tot de Tafel des HEREN. Laat ik beginnen met te vertellen, wat ik eens beleefde met een hervormd collega. Hij was legerpredikant en werkte in 1939 onder de militairen, die in V. gelegerd waren. Hij kwam nogal eens bij ons in de pastorie. Op zekere tijd, tegen Pasen denk ik, vertelde hij, dat de volgende zondag een vijftigtal jongens en meisjes zouden worden "aangenomen". Zo noemde hij dat. Bij navraag bleek, dat hij aan deze jongelui ongeveer dezelfde vragen zou stellen als ik. Feitelijk zouden zij dus hun geloof belijden voor God en de gemeente. Het was mij bekend hoe de "ligging" van die gemeente was. En vroeg hem hoevelen van die jonge mensen bij de volgende viering van het Avondmaal zouden "aangaan"?
Zijn antwoord was: misschien vijf. Ik kan mij vergissen in het preciese getal, maar 10 waren het er zeker niet.

Enigszins verwonderd vroeg ik hem, of hij dat niet vreemd vond? Op de ene zondag geloofsbelijdenis afleggen en de volgende zondag hun geloof eigenlijk loochenen. Zijn weerwoord was, dat ik dat niet zo moest zien.
Voor hun besef was "aangenomen worden": mondig lid van de kerk worden.
Dan mogen ze stemrecht ontvangen en bijdragen voor de kerk geven en ze hoeven niet meer naar de catechisatie.
Toen zei ik weer, dat hun toch werd gevraagd of zij geloofden in de Here Jezus? Dat ontkende hij niet, maar volgens hem was er meer nodig om waardig het Avondmaal te vieren. Bij de voorbereiding waarschuwde hij ernstig niet zo-maar aan het Avondmaal deel te nemen. Men zou zich een oordeel kunnen eten en drinken!
Toen ik weer: maar wat is er dan meer nodig dan oprecht geloof in de Here Jezus als hun Heiland? Zijn antwoord was, dat het nodig was dat iemand wedergeboren was of krachtdadig bekeerd en dat men daarvan getuigenis kon afleggen. Het Avondmaal was toch alleen maar voor de uitverkorenen? Ik trachtte hem duidelijk te maken dat hier misverstanden waren omtrent wedergeboorte en bekering en uitverkiezing. En dat er van deze manier van "aanneming" en geen Avondmaal vieren iets niet klopte.
Van tweeën één: of ze spraken die ene zondag maar wat onwaarheid en moesten dan wel wegblijven; of ze verklaarden naar waarheid, dat ze in de Here Jezus geloofden. Maar dan behoorden zij ook aan te zitten aan de Tafel van de HERE.

Overtuigd heb ik hem niet. Hij erkende wel, dat er wat scheef zat, maar zo was de praktijk nu eenmaal in die gemeente geworden. Het zal daar wel bij het oude gebleven zijn. Ik ben van mening, dat er niet maar wat scheef zat, maar dat er niets van deugde. En als er nog gemeenten zijn van deze praktijk, dan moet nog gezegd worden: daar deugt niets van.
Laat ik er aan toevoegen, dat ik niet hard wil oordelen over jonge mensen, die in deze toestanden zijn opgevoed en onderwezen. Zij weten niet wat zij doen, vermoed ik. Maar of wij over voorgangers ook zo mild moeten oordelen? Mogelijk is tot hun verontschuldiging aan te voeren, dat in vrijwel heel de "Geref. Gezindte" er een zekere angst is gekweekt voor het Heilig Avondmaal. Gedurende eeuwen. En wat er eeuwenlang is ingepompt is er niet maar één-twee-drie weer uit te pompen.

We mogen er van uitgaan, dat jonge mensen, die Belijdenis willen afleggen, hun Geloof belijden. Dat is immers de kern van de vragen, die hun worden gesteld en waarop zij met Ja antwoorden? Ze belijden, dat zij de leer of het Evangelie, dat hun is verkondigd, voor waar houden en erkennen als de leer der zaligheid. Dat zij Gods beloften geloven en toegang vragen tot het Heilig Avondmaal. Dat zij zich voor God verootmoedigen vanwege hun zonden en het leven buiten zichzelf in Jezus Christus zoeken.
Dat het hun verlangen is God de HERE lief te hebben en te dienen naar Zijn Woord, de wereld te verloochenen, de oude natuur te doden en god vrezend te leven. Als iemand op die vragen niet met Ja kan antwoorden moet hij of zij het ook niet doen. Maar we mogen toch aannemen, dat men niet alleen met de mond, maar ook met het hart Ja heeft gezegd? Komt later iemand tot inzicht niet meer te geloven en eigen ellende niet te kennen
en geen lust te hebben om de HERE te vrezen, dan kan en mag zo iemand vanzelf de dood des HEREN niet verkondigen.
Maar zolang als iemand uit het geloof in Gods genade blijft leven, dan mag en moet hij de dood des HEREN verkondigen. Dat beveelt de Here Jezus toch Zelf? Hij heeft toch al zijn discipelen en discipelinnen gezegd: Doet dat tot Mijn gedachtenis? Wie in Hem gelooft kan dat bevel toch niet naast zich neer leggen? In het formulier voor de viering van het H.A. wordt trouwens hetzelfde gevraagd als de inhoud van de vragen, die gesteld worden bij het afleggen van Geloofsbelijdenis.

Iemand zal mogelijk tegenwerpen, dat er in dat formulier méér wordt gevraagd dan of men in de Here Jezus gelooft. Inderdaad voor de Zelfbeproeving worden meer vragen gesteld. Kort samengevat is het dit:

1e Of iemand zichzelf mishaagt en zich voor God verootmoedigt.
2e Of hij Gods vaste beloften gelooft.
3a Of hij gezind is oprecht God lief te hebben en de naaste tevens.

Het formulier zegt het wat breder, men was vroeger wat breedsprakeriger dan tegenwoordig. Maar de kern is toch: geloof je in de Here Jezus? Dát is wat men zou kunnen noemen: de hamvraag. En dat toch met het volste recht? Dat heeft de Here Jezus toch Zelf gezegd? "Wie in Mij gelooft heeft het eeuwige leven en komt in de verdoemenis niet." En dan de meest bekende tekst van de Schrift Joh. 3 : 16: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat ieder die in Hem gelooft niet verderft maar het eeuwige leven heeft." En om nog één tekst te noemen: "Het geloof is een vaste grond der dingen die men hoopt en een bewijs der zaken, die men niet ziet." Er zouden veel teksten aan toe te voegen zijn maar dit is dunkt mij genoeg.

Er staat niet, dat het een machtig groot of sterk geloof moet zijn. De Heiland zegt zelfs, dat een geloof als een mosterdzaad grote dingen kan bewerken. Het is ook niet zo, dat het geloof zó vast moet zijn, dat het nooit van wankelen weet. We kennen allen de geschiedenis van de bezeten knaap, die door de discipelen niet kon worden genezen. Het gesprek met de vader van het kind eindigt met de uitroep: "Ik geloof Here, kom mij te hulp in de strijd tegen mijn ongelovigheid." En dan zegt de Here Christus niet, dat zulk een geloof Hem niets waard is, maar dan geneest Hij de jongen.
Wie heeft er nu niet wel eens tegen kleingelovigheid en ongelovigheid te strijden? Abraham geloofde God, zo staat er, maar wel tégen hoop op hoop. Tégen hoop, d.w.z. tegen alle schijn der verwachtingen in. Hij had, naar de mens gesproken niets meer te verwachten. Maar God had hem de belofte gegeven van een echte, eigen zoon en een groot nageslacht. En dan staat er: Hij geloofde God. Die was machtig te doen wat Hij had beloofd.

Welke gelovige zou niet z'n momenten of tijden van twijfel hebben? Er is gezegd: Wie nog nooit getwijfeld heeft, heeft nog nooit echt geloofd. In z'n algemeenheid zal dit wel niet waar zijn, maar er zit wel wat in. Het 'lijn zulke machtige, ongelooflijk heerlijke zaken, die de HERE ons in het Evangelie belooft: Vergeving van al onze zonden. Hoe groot en veel ze ook waren. "Wie zijn zonde belijdt en laat, die zal barmhartigheid verkrijgen."
Al was hij een moordenaar, zoals die aan het kruis. Al was zij een hoer, zoals de Heiland er ontmoet heeft. Denkt maar aan de vrouw uit Joh. 8. De rabbijnen wilden haar wel stenigen en alle Farizeeën zouden graag meedoen. Maar waren zij dan zonder zonde? Wie durft, als het er op aan komt, de eerste steen werpen? Natuurlijk was het slecht wat zij deed. Maar de Zaligmaker is in de wereld gekomen om zondaren te redden.
Hij zei tot haar, dat Hij haar niet veroordeelde. Wel voegde Hij daaraan toe: "Ga heen en zondig niet meer." Is dat alles eigenlijk niet ongelooflijk?

Als we verder om ons heen kijken in de wereld van heden, naar de toestand van wereld en christenheid, zouden we dan nooit kunnen twijfelen aan wat de Schrift zegt, dat God Liefde is? Kan Hij dan zulk een wereld toelaten? Waarom toch die concentratiekampen met helse toestanden? En al die rampen van oorlog en overstroming en hongersnood enz.? Zeker, we weten het, dat alles is de schuld van God niet. Noch van de Here Jezus.
De schuld ligt bij de duivelen de boze machten en van heel de mensheid waartoe wij ook behoren. Maar toch: Is God wel Liefde?
Het geloof overwint die twijfelvragen wel weer, als het ziet op de Liefde van God, geopenbaard in de gave van Jezus Christus. Maar het is een geloof van "Nochtans". Ondanks alles wat er tegen op komt.

Mogelijk zal iemand zeggen: Maar is dat niet al te eenvoudig en gemakkelijk?
Is er dan geen wedergeboorte nodig? Heeft de Here Jezus niet tegen Nicodemus gezegd, dat hij zonder wedergeboorte het Koninkrijk Gods niet zou zien? Is er ook geen bekering nodig?
Ja zeker. Maar hoe worden we wedergeboren en hoe komen we tot bekering?
Door een waar geloof! Door geloof in de Zaligmaker. Door volkomen op Hem te vertrouwen en van Hem alle goeds te verwachten.
Door het leven en de zaligheid buiten ons zelf in Hem alleen te zoeken.
Dat is zo duidelijk als het licht van de zon, uit Joh. 3 : 16. Want daar staat: "Opdat ieder, die gelooft in Hem het leven mag hebben." Hoe komen we dus aan het leven van wedergeboorte of bekering? Door geloof in Jezus Christus. Sommigen, mogelijk velen; hebben gezegd: Eerst moet ik tot leven komen en dan zal ik geloven. Maar de Waarheid Zelf zegt: Gelooft en gij zult leven.

Ja, hoor ik iemand zeggen: Maar iedereen kan wel zeggen, dat hij gelooft.
Doch is het een echt, een waar geloof? Er zijn zoveel kerkmensen, die het wel "geloven". Maar ze leven helemaal niet als echte gelovigen. Ik zou zeggen: Oordeelt nu eens niet over anderen. Maar blijf bij u zelf. Ieder zal immers eigen pak dragen? Welnu: gelooft u zelf niet oprecht in de Here Christus? Gelooft u alleen maar wat de kerk gelooft? Zo was het vaak in de roomse kerk der Middeleeuwen. Mogelijk nu ook nog in vele kerken. Er waren - en er zijn mogelijk nog - velen, die niet wisten wat ze geloofden. Zij zeiden: Vraag dat maar aan de pastoor. Dat noemde men een "mijnwerkersgeloof" . Die waren te onontwikkeld om te weten wat ze geloofden. Hebt u zulk een geloof? Gelooft u alleen maar, omdat het u zo altijd voorgehouden is? Loopt ge alleen maar zo'n beetje mee?
Blijkt uit niets dat uw leven anders is dan dat van een man van de wereld?
Of moet ge zeggen: Als u eens wist hoe ik m'n leven verzon digd en verknoeid heb?

Als dit laatste waar is dan zeg ik met overtuiging: Al was het honderd maal erger, dan nog roept de Here u toe: "Heden zo gij mijn Stem hoort, kom tot Mij en Ik zal u rust geven." De Heiland is niet gekomen om vrome mensen te redden. Of jongens en meisjes, die nooit een oortje versnoept hebben. Hij is gekomen om zondaren te roepen tot geloof en bekering.
En als gij een soort "mijnwerkersgeloof" hebt, dat met echt geloof niets te maken heeft, dan roept de Here ook u toe: Komt tot Mij. Ik ben genadig en barmhartig en groot van goedertierenheid. Leeft van mijn genade Die genoeg is voor allen, in leven en sterven. Dan komt het met uw leven ook terecht. Dat leven is nog niet volmaakt, niet perfekt. Het leven uit geloof is een leven van vallen en opstaan, van twijfel en overwinning. We komen aan het Avondmaal niet als zus of zo vroom. Maar als zondaren en zondaressen, die de Heiland niet kunnen en niet willen missen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief