Enkele opmerkingen over het christelijk onderwijs 1)

1978-10-06
  • Jaargang 22
  • nummer 37
Inleiding

In orthodox-gereformeerde kringen kan men vaak verontruste geluiden horen met betrekking tot het protestants-christelijk onderwijs, zoals dat vandaag functioneert. Die verontrusting betreft dan het christelijk karakter van de christelijke school: komt er nog wel iets terecht van christelijk onderwijs in deze tijd?
Vanuit de praktijk wil ik proberen enkele opmerkingen te maken over: de identiteit van de christelijke school. Om enige lijn in die opmerkingen te brengen, worden achtereenvolgens vier geledingen besproken die een belangrijke rol spelen in het schoolleven, namelijk het bevoegd gezag, de schoolleiding en de docenten, de ouders, en de leerlingen.

1. 1. Het bevoegd gezag

Het christelijk onderwijs is een vorm van bijzonder onderwijs; tegenover het bijzonder onderwijs staat het openbaar onderwijs. Bij het bijzonder onderwijs wordt het bevoegd gezag niet uitgeoefend door de (plaatselijke of landelijke) overheid, maar door het bestuur van een schoolvereniging (in enkele gevallen door een stichtingsbestuur, helaas). Zo'n bestuur is gekozen dóór en meestal uit de ouders, die lid zijn van de schoolvereniging.
Het zijn dus eigenlijk de ouders die het bevoegd gezag uitoefenen op een christelijke school. De christelijke school is door de ouders opgericht en wordt door de ouders bestuurd; zij is van de ouders, niet van de overheid.
Het is een groot voorrecht, dat wij in ons land deze vrijheid van onderwijs hebben: zo is het mogelijk geworden - weliswaar na een hevige en langdurige schoolstrijd - christelijk onderwijs te geven.
Heeft de overheid dan niets te vertellen op de christelijke scholen?
Wel iets, maar eigenlijk niet zo heel veel, want anders zou de in artikel 208 van de grondwet vastgelegde vrijheid van onderwijs in gevaar kunnen komen. De overheid mag (om enkele dingen te noemen) voorschriften geven met betrekking tot de deugdelijkheid van het onderwijs; zij mag stichtingsnormen hanteren voor de oprichting van scholen. Maar de overheid mag zich niet bemoeien met de inhoud van het christelijk onderwijs, haar levensbeschouwelijke richting, haar grondslag en doelstelling.
Er zijn dus grenzen aan de taken en bevoegdheden van de overheid met betrekking tot het bijzonder onderwijs.

1.2. Gevaren van buitenaf

Over de taken en bevoegdheden van de overheid, en vooral over de grenzen daarvan, is de laatste jaren veel te doen. Het eigen karakter van de christelijke school dreigt op allerlei manieren te worden aangetast. Ter illustratie daarvan wijs ik op drie punten.
De tijdens het vorige kabinet voorgestelde wijziging van grondwetsartikel 208 leidde tot een politieke discussie, waarin door vertegenwoordigers van de christelijke partijen werd gezegd, dat het wetsvoorstel het de minister mogelijk maakte, zich te bemoeien met de inhoud van het christelijk onderwijs. Dat was precies de bedoeling van de vorige minister van onderwijs. Gelukkig werd het voorstel tot wijziging verworpen.
Ex-minister Van Kemenade publiceerde tijdens zijn ambtsperiode een "Contourennota", waarin uiteengezet wordt hoe het onderwijs er zal moeten gaan uitzien. Uit deze nota blijkt, dat Van Kemenade invloed wil uitoefenen op de waarden die aan de schooljeugd moeten worden overgedragen.
Die waarden baseert hij op zijn horizontale, socialistische mensen maatschappij visie, waarin woorden als "mondigheid" en "maatschappelijke weerbaarheid" een bijzondere inhoud hebben.
De bemoeienis van vooral de sociale wetenschappen met het onderwijs kan kwalijke gevolgen hebben. Geleid door wetenschappelijke deskundigheid worden bijvoorbeeld in de Stichting Leerplan Ontwikkeling (SLO) leerplannen ontwikkeld voor de scholen, ook voor de christelijke. Bij het benoemen van medewerkers aan de SLO wordt primair geselecteerd op deskundigheid, en niet op levensovertuiging. Alsof deskundigheid een 1) Drs Wesseling is leraar Nederlands aan het Chr. Lyceum te Delft.
waardevrije zaak is! Maar het christelijk onderwijs heeft geen behoefte aan zogenaamde waardevrije deskundologie.
Ik wil dit onderdeeltje afsluiten met een vraag. Weet u hoe de politieke partij van uw keuze denkt over de vrijheid van onderwijs en alles wat daarmee samenhangt?

2.1. Schoolleiding en leraren

Hoewel het bevoegd gezag van een christelijke school bij het bestuur berust, zijn het de door het bestuur benoemde leraren die met elkaar de inhoud van het onderwijs bepalen. Nu voert de christelijke school de 'pretentie, christelijk onderwijs te geven. Wordt die pretentie wáár gemaakt?
Wat is dat eigenlijk, christelijk onderwijs?
Het is mijn overtuiging, dat christelijk onderwijs alleen maar gegeven kan worden door mensen die belijdende christenen zijn. Een school is nog geen christelijke school, als het woord "christelijk" of "School met den Bijbel" boven de voordeur staat. Het gaat om de mensen die daar werken, hun geloof, hun christen-zijn metterdaad.
Hoe staat het daarmee op de christelijke scholen? De situatie zal wel van school tot school verschillen. Maar als we even mogen generaliseren, dan kunnen we wel zeggen dat in een lerarencorps bijna alle kerkelijke groeperingen vertegenwoordigd zijn, van zeer orthodox tot zeer vrijzinnig.
Soms zijn er ook rooms-katholieke leraren werkzaam bij het christelijk onderwijs, en het komt ook voor, dat er leraren werken die de christelijke levensovertuiging niet zijn toegedaan.
In zo'n situatie wordt het geven van werkelijk christelijk onderwijs niet makkelijker. Over soms niet onbelangrijke zaken wordt verschillend gedacht.
Er wordt verschillend gedacht over de manier waarop de Bijbel gelezen moet worden en over de waarden en normen die aan de kinderen moeten worden voorgehouden. Sommige leraren proberen bij het doceren van hun vak relaties te leggen met de Bijbelse boodschap; anderen doen dat niet: zij kunnen dat niet of zij denken dat "hun" vak neutraal en waardevrij is, en dus niets met levensbeschouwelijke vragen te maken heeft.
Het ware te wensen, dat de schoolbesturen erop uit zouden zijn, om alleen die onderwijzers en leraren te benoemen, die niet alleen deskundig zijn op hun vakgebied en bekwaam om te onderwijzen, maar die ook bijbelgetrouwe christenen willen zijn, die zich kritisch en gewapend opstellen tegenover allerlei onchristelijke invloeden en ideeën op het gebied van wetenschap en school.

2.2. Identiteitsgesprekken

Het spreken over de identiteit van het christelijk onderwijs is "in". Op bijna elke school is er wel een identiteits- of bezinningscommissie". Sommigen zeggen: "Die bezinning op de christelijke identiteit komt natuurlijk voort uit een identiteitscrisis: men weet niet meer wat christelijk onderwijs is of zou moeten zijn".
Ik geloof niet, dat zo'n reactie terecht is. In het christelijk onderwijs is er behoefte aan bezinning, juist om het christelijk karakter van de school meer tot zijn recht te doen komen. Bij veel leraren leeft het besef, dat het niet voldoende is als er 's ochtends uit de Bijbel gelezen en gebeden wordt en dat er een dominee op school rondloopt die het vak godsdienst geeft. Het christelijk karakter moet ook tot uiting komen in de behandeling van de lesstof, de bespreking van de godsdienstige en ethische vragen die zich op een bepaald vakgebied voordoen, de manier van omgaan met de leerlingen, enzovoort.
Op de meeste opleidingsinstituten voor leraren wordt geen aandacht geschonken aan levensbeschouwelijke vragen over wetenschap, didactiek en pedagogie. Ook wordt geen aandacht geschonken aan de wijze waarop in het verleden geprobeerd is gestalte te geven aan christelijk onderwijs.
Daarom is het een goede zaak, als de leraren in de praktijk behoefte hebben aan bezinning op deze vragen. Ook is het een goede zaak, dat geprobeerd wordt om in Zwolle een nieuwe christelijke lerarenopleiding te creëren.

2.3. Godsdienstonderwijs

Het vak godsdienst heeft de bijzondere belangstelling van veel ouders.
Dit vak levert immers een bijdrage aan de religieuze vorming van hun kinderen. Wat voor een bijdrage is dat? Dat hangt af van de persoon (meestal een dominee) die het vak geeft. Is het iemand die de jeugd veel uit de Bijbel vertelt? Dat is nodig, want de Bijbelkennis is gering onder de schoolgaande jeugd. Of is het iemand die allerlei vormen van schriftkritiek en relativering van de Bijbelse boodschap aan de kinderen voorhoudt?
Wordt er aandacht geschonken aan kerkgeschiedenis? Dat is nodig, want kennis van de kerkgeschiedenis is er bijna niet meer. Of moeten de leerlingen in groepjes discussiëren over moderne problemen als abortus en de waarde van huwelijk en gezin?
Ja, wat is eigenlijk de bedoeling van het vak godsdienst op school?
Dat vragen godsdienstleraren zich ook wel eens af. In een rapport voor het NPCS van augustus 1976 kan men de volgende doelstelling van het godsdienstonderwijs lezen: "Het godsdienstonderwijs stelt zich ten doel expliciete bezinning op wereld-
en levensbeschouwing in het algemeen en op de bijbelse in het bijzonder, teneinde de leerlingen de gelegenheid te bieden te eniger tijd tot een eigen beslissing te komen. Dit alles in samenhang met de doelstelling van het chr. onderwijs en in nauwe samenhang met andere vakken."
Het is te hopen, dat er niet veel godsdienstdocenten zijn die deze doelstelling hanteren. Het vak godsdienst wordt hier immers gezien als een etalage van allerlei godsdiensten en levensbeschouwingen; de christelijke godsdienst krijgt gelukkig nog een ereplaatsje in de etalage. Als de jongeren de etalage eens goed bekeken hebben, mogen ze "te eniger tijd" iets uitzoeken wat hun het beste past of wat zij het mooiste vinden. Het kiezen voor Christus wordt hier voorgesteld als iets wat je moet uitstellen tot je eerst eens andere godsdiensten hebt bestudeerd. Hier wordt eigenlijk niet gerekend met de kinderen die thuis al vroeg veel goede dingen over de Here Jezus hebben gehoord. Deze kinderen hoeven gelukkig niet te kiezen: zij zijn gekozen! Het hangt er niet van af of iemand wil, dan wel of iemand loopt, maar van God, die zich ontfermt (Romeinen 9 : 16).
De plaats van het vak godsdienst in de school is doorgaans niet zo sterk.
Daarvoor zijn verschilende oorzaken aan te wijzen. Het vak moet helemaal "gemaakt" worden door de leraar; een degelijke leerstofplanning ontbreekt vaak. Het vak telt niet mee op het rapport: een onvoldoende voor godsdienst heeft doorgaans geen negatieve consequenties voor de leerling. Een gevolg hiervan kan weer zijn, dat het vak niet serieus genomen wordt door de leerlingen, wat zich bijvoorbeeld uit in het "keetschoppen".
Verder kan nog gewezen worden op het feit dat een deel van de leerlingen van huis uit niet geïnteresseerd is in de onderwerpen van het vak godsdienst. Ook is het zo, dat godsdienstleraren meestal niet tot de meest ervaren docenten behoren. Uit dit alles blijkt wel, dat het godsdienstonderwijs in een moeilijke positie verkeert. Hierdoor wordt het christelijk onderwijs als zodanig geschaad.
Hierboven zijn vooral enkele negatieve kanten van het godsdienstonderwijs belicht. Gelukkig zijn er ook veel goede docenten, die op voortreffelijke wijze met hun leerlingen bezig zijn, en hun vak een schriftuurlijke dimensie meegeven.
Toch neemt dat niet weg, dat men in het christelijk onderwijs ervoor zou moeten ijveren, aan het vak godsdienst een volwaardige en meer centrale plaats te geven binnen het totale schoolgebeuren.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief