JEREMIA

1978-10-13
  • Jaargang 22
  • nummer 38
Afgoderij

Dat komt vaak duidelijk uit in allerlei volksliederen en vaderlandse liederen.
Die krijgen vaak een godsdienstige klank. Er zijn tal van die liederen waarin het leven en sterven voor het vaderland verheerlijkt wordt en waarin het vaderland een absolute claim op de mensen legt. Ik hoorde voor de t.v. eens een fragment van een angolees volkslied, gezongen door soldaten van het MPLA. Het was gewoon griezelig te merken hoezeer daarin het sterven voor het vaderland verheerlijkt werd. Het heeft gewoon een religieuze dimensie. Het vaderland is een god die absolute zeggenschap heeft over de mensen en die zonder meer alleseisend is.
Natuurlijk is het niet verkeerd en afkeurenswaardig van je land te houden, evenmin als het verkeerd is van je ouders te houden. Maar wanneer vaderlandsliefde dat absolute, blindelingse karakter krijgt, is het volkomen veroordeeld en is het niets anders dan afgoderij. Alleen Christus kan zo'n absolute claim op ons leggen.
Verder mag niets en niemand anders dat doen. Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waardig (Matth. 10: 37). Voor vader mag je hier ook vaderland lezen. Het mag niet de plaats van Christus innemen.
Het is niet de hoogste norm. Het mag niet het zwaarst wegen.
Dat had Jeremia ook aan de inwoners van Jeruzalem laten zien, toen hij zei: wie overloopt naar de Babyloniërs zal leven. Niet de trouw aan Juda en Jeruzalem is het belangrijkst, maar de trouw aan Jahweh. Die twee vallen heus niet altijd samen. Trouw zijn aan Jahweh kan wel eens inhouden dat je ontrouw moet zijn aan je vaderland. Een heel duidelijk voorbeeld daarvan vinden we in de geschiedenis van Rachab. Omdat zij koos voor Jahweh, koos ze tegen haar eigen vaderland en pleegde ze landverraad.
En als de koning van Jericho vermoed had welke rol ze speelde, zou hij haar hoofd hebben laten kaalscheren en haar ter dood hebben laten brengen.

Voor God en vaderland

Ondanks het feit dat ook in ons denkpatroon en in onze cultuur het vaderland gemakkelijk overtrokken kan worden en een naar het absolute neigende plaats kan innemen, is het voor ons toch gemakkelijker te verwerken, dat God en vaderland niet vereenzelvigd kunnen worden, dan voor de Israëlieten. Voor het besef van de inwoners van Jeruzalem vielen Jahweh en het vaderland samen en schoven ze over elkaar heen.
Wie voor Jeruzalem was, was daarmee automatisch voor Jahweh en omgekeerd.
Jeruzalem verdedigen betekende aan de kant van Jahweh staan.
Voor hun besef was er geen verschil tussen vechten voor God en vechten voor het vaderland.
Ze wisten ook wel terdege argumenten voor deze visie aan te dragen. In de eerste plaats had God zichzelf en het volk Israël zeer nauw aan het land Kanaän verbonden. Aan Abraham al had Hij beloofd: dit land zal Ik voor altoos aan u en uw nageslacht geven (Gen. 13 : 15).
Voor altoos. Israël is het enige volk dat een dergelijke belofte gekregen heeft. Bij geen enkel ander volk is dat het geval. Het is wel eens goed ons dat te realiseren. God heeft nooit beloofd dat Nederland altijd ons vaderland zal zijn. Hij heeft nooit beloofd, dat de Russen voor altijd in Rusland zullen wonen. Maar Hij heeft wel een dergelijke belofte aan Israël gegeven. Dat betekende, dat in Jeruzalem landverraad kwam te staan in het teken van verzet tegen Gods belofte en van het verachten daarvan.
Daar komt nog bij, dat er niet alleen die sterke band lag tussen Israël en Kanaän, maar ook tussen Israël en God. God had beloofd dat Hij voor altoos in Jeruzalem zou wonen (vgl. 1 Kron. 23: 25 en 1 Kon. 9: 3).
Ook dat geldt weer voor geen enkele andere stad. God heeft b.v. nergens beloofd dat Hij voor altijd in Amsterdam zou wonen. Maar die belofte lag er wel ten aanzien van Jeruzalem.
Het had er dus inderdaad alles van weg, dat je het verlaten van Jeruzalem en het overlopen naar de Babyloniërs terecht typeren kon als een weglopen van Jahweh.

Arrestatie

Het is dan ook helemaal niet vreemd, dat men in Jeruzalem Jeremia's oproep om naar de Babyloniërs over te lopen maar heel moeilijk verteren kon. Het verzet tegen Jeremia's boodschap werd steeds sterker. Steeds meer raakte men ervan overtuigd, dat Jeremia niet het Woord van God bracht.
Toch waren er wel inwoners van Jeruzalem, die aan Jeremia's oproep gehoor gaven en overliepen naar de Babyloniërs (38: 9). Het verwijt dat Jeremia de eenheid van de bevolking Ondermijnde\ en het moraal nadelig beïnvloedde, was dan ook niet uit de lucht gegrepen.
Dit alles werd in Jeruzalem besproken, ook door de leidinggevende figuren.
Zij waren niet gelukkig met Jeremia's optreden. Eigenlijk waren ze dat nog nooit geweest, maar nu liep het toch de spuigaten uit. De maat was zo goed als vol.
Het is dan ook heel begrijpelijk, dat Jeria, de wachtcommandant van de Benjaminpoort, toen hij zag dat Jeremia de stad wilde verlaten, er onmiddellijk van overtuigd was, dat de profeet wilde overlopen naar de Babyloniërs.
Dat deed bij hem de emmer overlopen. Hij houdt Jeremia aan met de woorden: ge wilt naar de Chaldeeën overlopen!
Alle protesten van Jeremia halen niets uit. Ook zijn ontkenning van de beschuldiging niet. Jeria gelooft hem niet. Hij is er vast van overtuigd, dat het wel Jeremia's bedoeling is naar de Chaldeeën over te lopen en dat hij op deze manier, door zijn eigen voordeel, zijn prediking kracht bij wil zetten. Hij neemt Jeremia gevangen en brengt hem voor de vorsten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief