Heilige matigheid
1978-10-20
"Wees niet al te zeer rechtvaardig ...- Jaargang 22
- nummer 39
en wees niet al te zeer goddeloos. "
(Pred. 7 : 16, 17)
Je komt soms gezegden tegen, die je zó bijbels in de oren klinken, dat je zonder meer aanneemt, dat ze in de Bijbel staan. Ik heb lang gemeend dat "bid en werk" een bijbeltekst was, maar het staat nergens.
Maar het omgekeerde kan je ook overkomen en dat is ongetwijfeld het geval met de woorden uit Pred. 7, die hier boven staan. Wie niet beter weet, hoort er vast en zeker op het eerste horen geen bijbeltaal in.
"Wees niet al te rechtvaardig",- maar je kunt toch nooit rechtvaardig genoeg zijn?
"En wees niet al te goddeloos", - maar mag je dan wel een béétje goddeloos zijn?
Moeten we niet verre zijn van elke vorm van goddeloosheid? Hoe kan zoiets nu in de Bijbel staan?
Wordt er dan van ons verwacht, dat we maar een beetje doorschipperen tussen een "al te" aan de ene kant en een "al te" aan de andere kant?
Wat blijft er zo over van de rad ikale eis van Gods gebod: ge zult de HERE uw God liefhebben met uw hele hart en uw hele ziel, met heel uw verstand en met al uw kracht, en uw naaste als uzelf?
Moeten we dat soms niet volkómen houden? Neemt God ooit genoegen met een beetje van dit en een beetje van dat? Moeten we niet jagen naar de volkomenheid?
Hoho! nu moet u niet zo op hol slaan en niet meteen de hele gereformeerde dogmatiek overhoop halen. Lees nu eens rustig wat er staat en waar het staat en blijf nu eens bij wat de HERE hier bedoelt te zeggen.
Prediker vertelt hier wat hij in zijn leven zoal meegemaakt heeft. Hij heeft bepaald niet met de ogen in zijn zak gelopen. Hij heeft gezien, hoe een rechtvaardige ondanks zijn gerechtigheid te gronde ging. De man stond in zijn recht en op zijn recht. Hij had volkomen gelijk. Er was geen speld tussen te krijgen.
Maar hij ging er toch onderdoor.
Hoe kwam dat nu?
Wel, hij was al te zeer rechtvaardig.
Hij keek zich blind op zijn recht en zijn zaak. Hij zag tenslotte nog maar één ding. Hij had geen enkel gevoel meer voor verhoudingen en blies zijn, op zich, rechte zaak mateloos op. Hij had nergens anders meer aandacht voor. Het recht zou zegevieren, al moest hij er zelf bij ondergaan.
Nu, - hij is er ook bij ondergegaan.
Kent u zulke mensen niet in uw omgeving?
Misschien zit er momenteel wel een op uw stoel.
Maar pas nu óók op voor het andere uiterste, - dat je maar aan leeft en je niets meer aantrekt van Gods waarschuwingen en geboden.
Omdat je zou denken: het maakt allemaal toch niets uit, of je nu rechtvaardig leeft of goddeloos.
Als je 't nauw neemt trek je toch altijd aan het kortste eind. .
Als je zo over de schreef gaat kon je je leven wel eens verkorten.
Waar het op aankomt, dat staat in het volgende vers: dat je God vreest.
God vrezen, - dat is een rem op de goddeloosheid, maar ook een matiging voor de rechtvaardige.
Als we God vrezen, kunnen we onze rechtvaardige zaak overgeven in de handen van Hem die op Zijn tijd rechtvaardig oordeelt.
"Wreekt uzelven niet, schrijft Paulus in Rom. 12: 19, maar geef de toorn de ruimte, want er staat geschreven: Mij komt de wrake toe, Ik zal het vergelden." (Deut. 32 : 35).
Geef de toorn de ruimte, - dat is niet ónze toorn, maar Góds toorn.
De toorn van Zijn gerichtdag.
Dank zij de ruimte die we God kunnen geven kunnen we een ander de ruimte laten en komen we zelf ook in de ruimte van Gods lankmoedigheid.
Laten we toch zelf geen rechtertje willen spelen in het ongeduld van ons mateloos rechtvaardigheidsgevoelen.
We kunnen nu eenmaal geen ijzer met handen breken. Wie zijn wij, dat we alles wat krom is zouden kunnen recht buigen?
Vreest God! Hij is in de hemel en gij mens zijt op de aarde! Beseffen we wel hoeveel steken wij zelf nog laten vallen, zelfs in onze strijd om het "heilig recht"?
Als God eens even veel haast had met recht te doen als wij tegenover anderen? Waar bleven we dan zèlf?
Wie in zijn al te grote rechtvaardigheid van het leven hier en nu al een hémel wil maken, maakt er voor zichzelf en anderen een hèl van.
We dreigen met onze mateloze rechtvaardigheid en rechtlijnigheid onmogelijke mensen in de samenleving te worden en moeilijke mensen in de kerk.
Al te rechtvaardig was een man als Jona, die weigert in Nineve te gaan prediken, omdat hij bang is voor Gods lankmoedigheid. Al te rechtvaardig waren ook Jacobus en Johannes, die een samaritaanse stad zomaar even met vuur willen verbranden! omdat ze daar Jezus niet willen ontvangen.
“Boanerges", noemt Jezus hen, donderjongens! Rake typering uit Jezus' mond van de "al te rechtvaardigen".
Een van de doperse stijl van de "christelijke revolutie".
Moeten we dan alles maar over zijn kant laten gaan?
Volstrekt niet! Maar wèl maat weten te houden. En bedenken, dat er geen mens is die niet zondigt, zelfs in de rechtvaardige zaak die hij voorstaat.
Vrees God, want Hij komt, om de aarde te richten, de wereld in gerechtigheid.
Geef Zijn toorn de ruimte.
We lopen Hem zo licht voor de voeten. We nemen Hem zo makkelijk het werk uit handen. De HERE is nabij, dáárom kunnen we 't ons veroorloven om vriendelijk te zijn tegen alle mensen. (Filip. 40: 5).
Laat gerust maar wat stoom ontsnappen, voor u zo hoog van de toren blaast.
Heilige matigheid, dat is wat anders dan onheilige onverschilligheid.
Heilige matigheid is een vrucht van de vreze des HEREN.
Heilige matigheid is zo goed voor uw geloofsrust, voor uw geloofsvertrouwen, voor uzelf en voor uw omgeving, voor uw hart en uw zenuwen en uw nachtrust.
En maar veel bidden, psalm 130: "Ik heb mijn hoop gevestigd, op God de HEER die hoort, mijn hart, hoezeer onrustig, wacht Zijn verlossend Woord.
Hoort aan de goede tijding: God geeft in Zijn geduld aan Israël bevrijding, van onrecht en van schuld".