Moderne wereldgelijkvormigheid (1)

1978-10-20
  • Jaargang 22
  • nummer 39
Na mijn laatste verhuizing vond ik de volgende rede voor de Dies van Hendrik de Cock, gehouden te Groningen, 9 October 1964. Afgezien van de gedateerde voorbeelden geloof ik, dat de inhoud ook vandaag nog betekenis heeft. Daarom ben ik zo vrij het geheel aan u voor te zetten in enkele weken.

Mijnheer de Praetor, Dames en Heren,

Uw dies loopt naar zijn eind. De zon is al ondergegaan. En als u nu een verhaal over "moderne wereldgelijkvormigheid" , op de late avond, beschouwen wilt als een overtollig souper na een culinaire dag, dan haast ik mij u gerust te stellen.

Het wordt namelijk geen souper, wat ik u ga bieden. Het blijft over het algemeen licht verteerbaar - al moge het gebodene tevens voedzaam, smakelijk, gezond, vitaminenrijk, goed en niet duur zijn. En bovendien: wordt er ooit een beroep gedaan op uw verteringsorganen, dan vlei ik me met de hoop dat het intelligente deel van de natie juist 's avonds na tienen helder is.

Veel liever had ik tot u gesproken over muziek, bizonder de kerkmuziek.
Maar ik vrees dat dit onderwerp. serieus beschouwd, vandaag geen voldoende klankbodem onder ons ontmoet. Het spreekwoord zegt: wo man singt dort lass Dich ruhig nieder, böse Mensche haben keine Lieder. De omkering van dit thema zou kunnen luiden: wanneer de vrede en aangename rust uit onze kerken wijken, dan blijft er van kerkzang weinig over.

Ik geef toe dat er enige moed voor nodig is, om de zaken zo te stellen.
Zeg éénmaal dat het aan onze gezichten te zien is, dat het aan onze kerkzang te horen is, hoe hard wij voor elkander zijn ... en van heinde en ver sleept men brandhout voor de onverlaat aan; dit om te bewijzen, dat wij volstrekt niet hard voor elkaar zijn.

En daarom: voordat wij met elkaar de kerkmuziek verder gaan opbouwen, zullen wij - geloof ik - met elkaar de klankbodem voor die kerkmuziek moeten herstellen. Onze böse Menschen moeten met de geest der zachtmoedigheid worden terechtgeholpen. Onze liederen komen dan van zelf wel terug. En ik vraag uw welwillend gehoor, uw christelijke medewerking: om het klimaat in onze kerken aanzienlijk te veranderen.

De oorzaak van dat bedorven klimaat - ik heb het in mijn titel al gesteld - ligt naar mijn overtuiging alleen in de moderne wereldgelijkvormigheid, waarin onze kerken zijn verzeild en verziekt. De griezelige ernst, waarmee in onze kringen alle problemen worden besprongen, kan er een waarschuwing voor zijn: dat wij op een verkeerde weg gaan. De humor is zoek. Achter elke kwinkslag wordt iets gezocht. Gezonde twijfel aan de juiste redactie van een belijdenisdetail wordt aangezien voor een ernstige afwijking in de leer. De kerkelijke spelregels worden aangeduid als onze "eden", als een "accoord van samenleving". Als een predikant wenst te tornen aan een zinnetje uit de drie formulieren, wordt hem woordbreuk verweten. En al de dodelijke ernst waarmee heilige huisjes worden verdedigd, al de zwaartillende leuzen, al de banvloeken die niet van de lucht zijn - ze roepen de overtuiging op: dat deze ernst camouflage is voor iets geheel anders: voor een moderne soort wereldglijkvormigheid!

Dat is een ernstige bewering, die wel bewaarheid mag worden. Alweer ernst? U houdt niet van ernst? U houdt meer van grapjes? Ik ook. Maar een wijs man heeft eens gezegd, dat een grappig leven alleen wil opbloeien op een ondergrond van ernst. En daarom kunnen wij de ernst niet geheel missen in ons leven. Mits we die zoveel mogelijk voor de binnenkamer bewaren. Ik ben hier niet om u op te roepen tot de beroemde "laatste ernst". Integendeel, ik geloof dat het voldoende is om tijdig ernst van ons leven te maken, en dat het dan "op het laatst" wel zal loslopen.

Maar ik wil proberen met u het klimaat in onze kerken te peilen. Daartoe zal ik wel enige voorbeelden moeten opsommen. Zonder enig verband - althans zonder logisch verband misschien. En u weet nu wel zoveel van mij af, dat u terdege moet oppassen. U moogt niet alles geloven wat ik zeg. Niet omdat ik een valse profeet ben, want ik ben heel geen profeet - laat staan een valse. Maar omdat u altijd critisch moet luisteren: onverschillig of uw spreker in de kolommen van ons aller Gezinsblad paraisseert - dan wel of men zo nu en dan de kerkelijke goot met hem aandweilt. U moet altijd nagaan: zijn deze dingen alzo?

Eerst een vraag: kennen wij nog zelfcritiek? Kennen wij nog zelfspot? Of nemen wij onszelf ook al zo grondeloos serieus als de kerkelijke affaires om ons heen? Staan wij wel eens voor een serieuze lachspiegel?
Toen ik, pas verloofd met een hervormd meisje, aan een hervormde predikant het bekende probleem van alle gemengde paren voorlegde: wat is eigenlijk het verschil tussen gereformeerd en hervormd?, kreeg ik de les van mijn leven.

De vriendelijke man dacht namelijk een ogenblik na. Toen antwoordde hij: de overeenkomst tussen gereformeerd en hervormd is, dat beiden zondaars zijn. Het verschil is dat de hervormden dit wèl willen wetende gereformeerden niet!

Als u lacht, lacht u zichzelf uit. Dan neemt u zichzelf niet serieus. En dat kan èrg gezond zijn.

Zo zit dat ook met het beroemde "zien van de kerk". Hebt u het juiste gezicht op de kerk? Ziét u de kerk? Heeft uw buurman eigenlijk wel de echte kijk op de kerk? Weet hij er iets van? Ziet uw predikant de kerk wel? En hoe zit dat met uw kerkeraad eigenlijk?

Er wordt onder ons eindeloos gepraat en geschreven over de kerk. Men zou er ziek van worden. Maar over het Hoofd der Kerk - de belangrijkste factor zou je zeggen - hoor je niets.

Is dat niet een beetje dwaas? We willen "de kerk zien", en als we dan een portret in handen krijgen turen we op de nagels van onze tenen - in plaats van naar het Hoofd. We vergeten, dat elk lichaam een hoofd heeft, en dat dit Hoofd vriendelijke ogen heeft, die alles zien; een werkzame neus, die onze gebeden proeft; open oren, die naar ons luisteren; een krachtige mond, die grote dingen spreekt. Als wij dat Hoofd niet aanzien, kan dat Hoofd ons niet aanzien. Dan stranden al onze fanatieke pogingen om "de kerk te zien" - in een onmatige verering van de kerk-zonderhaar-Hoofd; dan vervallen wij tot verafgoding van onze kerkelijke organisatie, welke - los van haar Hoofd - niet meer dan een stukje wereld is geworden.

Ik wil stellen dat we die weg zijn opgegaan. De kerk wordt overgewaardeerd ten koste van de Koning der kerk. Ik geef toe, dat we met deze afgoderij niet de slechtste keus maakten: niets ter wereld staat dichter bij de Heiland dan zijn kerk. Maar de kerk is en blijft een deel van de schepping Gods. Wie haar als laatste doel van zijn leven ziet, schiet juist te kort voor de eeuwigheid. Want niet de kerk maakt ons zalig - maar Jezus Christus, haar Hoofd.

We bevinden ons op de weg, die de Joden na de ballingschap ook bewandelden.
Het zweren bij de tempel gold als hun laatste eed. De dreiging dat de tempel zou worden afgebroken was genoeg voor een doodvonnis.
De term "de tempel des Heeren, bis bis" werd een bezweringsformule. In Rome wordt een gevelsteen van de verwoeste tempel bewaard, waarop ieder met de dood werd bedreigd, die de voorhof van de tempel onwettig binnentrad.

De Joden wisten wat ze deden. Ze verafgoodden niet de zon, de maan, de natuurkrachten en de vruchtbaarheid; ze kozen als afgod het hoogste uit de schepping: de tempel. Ze stonden kwalitatief hoger dan de heidenen; maar ze stonden op dezelfde bodem, en waren hierin der wereld gelijkvormig.
Dát was het, wat de Heiland hun trachtte duidelijk te maken.

Maar mogen we de kerk dan niet liefhebben? Er staat geschreven dat de kerk ons aller moeder is; en onze moeder moeten we toch eren en liefhebben?
- Zeker, natuurlijk. Maar wanneer we zó aan moeders rokken hangen, dat we Vader niet meer zien; of wanneer we ons achter moeders rokken verschuilen voor Vader; dan bewerken wij een verwijdering tussen moeder en Vader. En dat is altijd ongezond - vooral voor kinderen.
Ik wil nu enige losse opmerkingen ten beste geven over: de wereld, de wereldgelijkvormigheid, en in hoeverre onze kerken bezig zijn der wereld gelijkvormig te worden.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief