De kerk wordt geconfronteerd met bindingsangst

2012-10-26
  • Jaargang 56
  • nummer 21
Op een redactievergadering van het blad Wapenveld, een tijdschrift dat vanuit de kern van het christelijk geloof schrijft over kerk, theologie en samenleving, zitten we met een bont gezelschap bij elkaar: mannen en vrouwen, variërend in leeftijd van om en nabij de 30 tot 60 jaar, sommigen met, anderen zonder kinderen. Zomaar kwam het gesprek laatst op kerkverlating. Iedereen bleek daar in zijn of haar omgeving mee te maken te hebben.

De veertigers onder ons meenden dat in hun vriendenkring de grote uitstroom achter de rug was; wie nog over was, zou wel blijven. In deze leeftijdscategorie leefden meer zorgen over de toekomst van de eigen kinderen en de invloed daarvan op het geloof van hen als ouders. Onder de begin-dertigers was de schok groter en verser: ‘Onlangs realiseerde ik mij dat een groot deel van mijn Bijbelkring uit de studententijd niet meer naar de kerk gaat – gewoon afgehaakt.’ De nestor van ons gezelschap gaf het gesprek opeens een hele andere wending.
‘Ja,’ zei hij, ‘dat herkennen we allemaal. Dat zien wij om ons heen ook.
Maar waarom zijn wij bezig een christelijk blaadje te vullen en waarom zitten wij zondag wel in de kerk? Waarom ben jij niet
vertrokken?’

Verleiding
Dat was een spannende vraag – veel spannender dan al die sociologische analyses waarom mensen, in het bijzonder jongvolwassenen tot een jaar of dertig, de kerk verlaten. Aan welke sociale verleidingen bieden zij die blijven weerstand? En is dat moedig of een teken van onvolwassenheid?
De verleiding om op te geven kenden wij van de leeftijd tussen de veertig en de vijftig allemaal wel. Iedereen kende fasen in het leven waarin het geloof ons niet zo veel zei: perioden waarin je je opeens realiseerde dat je al weken niet meer in de Bijbel las; waarin de plichtmatige gebeden een middel waren om de dag te plannen of een ervaring nog eens te overdenken; kerkgang uit sleur, gekenmerkt door nietszeggendheid – gaten in de tijd, zoals je uit gewoonte naar voetbal kijkt en je na afloop van de wedstrijd niet eens meer weet wie er gewonnen heeft.
In zo’n fase waarin het geloof er niet meer zo toe lijkt te doen, kan iets anders relevanter lijken. Op zondag zijn er dan het strand, het werk, de sociale contacten. Dan kan er een moment komen waarop je je realiseert dat je ook zonder God kunt – is er meteen geen gedoe meer over schepping en evolutie of andere ingewikkelde apologetische vraagstukken. ‘Langzaam maar zeker stierf het geloof in God weg totdat ik mij realiseerde dat Hij er niet meer was.’ Het is niet zozeer moeilijk om vast te houden aan (een gereformeerde) waarheid. Het moeilijke is de relevantie ervan te blijven inzien.
Wat hield ons toch bij de kerk? Dorheid en matheid in het geloof zijn niet voorbehouden aan de nieuwe generaties; dat hebben onze ouders en grootouders vast ook doorgemaakt. Maar zij hebben zichzelf niet of nauwelijks de vraag gesteld of het geen tijd werd om er dan maar helemaal mee te stoppen.
Ook zijn zij niet op zoek gegaan naar kerkgenootschappen die wel een impuls aan hun geloof konden geven.
Zonder enige aarzeling gingen zij op zondag twee keer naar de kerk, lazen ze aan tafel trouw uit de Bijbel, deden ze hun gebeden en neurieden ze psalmen tijdens het scheren of tafeldekken. Er was geen andere wereld denkbaar dan de christelijke/gereformeerde wereld waarin zij leefden.
Uit de kerk stappen deed je als individu niet of nauwelijks. Je kunt je huid niet afdoen. Van kerk veranderen deed je hooguit als je verhuisde of emigreerde.
Als je om een andere reden je eigen kerk verliet, leidde dat tot diepe scheuren in je familie en daarmee in je bestaan. Maar vroom waren zij niet altijd. Er zat ook gewoontewerking bij, en wat sociale controle, en angst om een andere keuze te maken – gebrek aan autonomie. Zoals mensen toen ook nauwelijks van werk veranderden, of van vrouw of van huis.

Kiezen
Dat geldt nu niet meer. Ons leven staat helemaal in het teken van kiezen. Het is verbijsterend voor welke keuzen kinderen momenteel al gesteld worden: vriendjes, een profiel of vakkenpakket, muziekinstrument, sport, allerhande games, vakantiebestemmingen, kleding, enzovoort. We doorlopen niet de loopbaan van het leven zoals anderen die voor ons uitgestippeld hebben, maar we kiezen onze eigen route. Dat willen we misschien niet, maar we moeten wel.
Bij al die keuzen hebben we volgens de socioloog Giddens geen ander kompas dan ons ‘zelf’. Natuurlijk reikt de cultuur ons ideeën aan over wat gelukkig maakt, wat gezond is en waar je rijk van wordt, maar dat gebeurt zo uitbundig en in zo veel stemmen en talen, dat we uiteindelijk aan onszelf zijn overgeleverd. Ik moet vooral doen wat ik zelf wil, wat voor mij goed voelt. En zo kiezen we voor een school, voor een baan, voor een partner, voor een bepaald aantal kinderen en voor een kerk. En als onze aanvankelijke keus wat tegenvalt, kiezen we voor wat anders. Is de school die op het eerste gezicht geweldig leek voor je kind bij nader inzien toch niet zo geschikt?
Dan zoek je toch een andere? Zo hoppen wij van baan tot baan. Zo experimenteren jongeren met relaties, met idolen en dus ook met kerken.
Elk jaar vraag ik aan een nieuwe lichting studenten van welke kerk zij lid zijn. En elke keer weer blijkt dat minstens dertig procent van de studenten op dat moment op zoek is ‘naar een kerk die bij mij past.’ Moderne mensen zijn niet langer ingelijfd in de gemeente van Christus.
De kerk zit niet meer in hun genen.
Het is geen tweede huid meer, het is een kledingstuk, en daarmee onderhevig aan de mode, aan voorkeuren en seizoenen in het leven. Het besef dat er wat te kiezen valt en dat je daar vrij in bent op alle terreinen van het leven, samen met de overtuiging dat je in je keuzen trouw moet zijn aan jezelf (aan wie zou je anders trouw kunnen zijn?) gaat aan kerken niet voorbij.
Dat dit ouderen frustreert is logisch.
Als de kerk en het kerkverband een deel van je identiteit vormen, doet het zeer als anderen zomaar van voorkeur veranderen. Kom nooit aan de loyaliteit van kinderen, hoe oud ook, naar hun ouders toe. Onze Mariadevotie is misschien niet zo sterk ontwikkeld, zeker voor ouderen is de kerk is wel een moeder.
Maar kan het ook anders? Zal de binding aan het instituut kerk met het verdwijnen van de oudere generaties en de opkomst van nog vluchtiger generaties alleen maar minder worden?
Zijn kerkshoppen en secularisatie onvermijdelijke processen? En wat betekent dat voor kerken? Moeten zij de onderlinge concurrentie dan maar aangaan in de hoop klanten aan zich te kunnen binden?

Blijven
Even terug naar de redactievergadering.
Er werd ons gevraagd waarom wij nog niet vertrokken waren; wat hield ons bij de kerk? Uiteindelijk kwam het erop neer dat we geen moderne individuen zijn en willen zijn. In het geloof wordt onze autonomie doorbroken.
Wij zijn niet van onszelf. Ergens willen wij dat niet en durven wij dat niet. Soms is het alleen maar hopen dat God toch bestaat, soms een zeker weten of oprecht vertrouwen. Maar Hij mag inbreuk maken op ons bestaan.
Aan Hem vertrouw ik mijzelf toe.
Hiermee zeiden we nog niet zo veel over de kerk. Want God mag de kerk dan gebruiken om inwoning te nemen in ons bestaan, we hadden zeker niet allemaal het gevoelen dat de gemeente altijd iets toevoegde aan ons geloof.
Vaak is het daar een kwestie van volhouden.
De gemeente kan ons enorm hinderen: de matige liturgie, de voorspelbaarheid van preken en gebeden, uitzichtloze discussies over steeds weer dezelfde onderwerpen, onhebbelijkheden van ouderen, jongeren of kinderen enzovoort. Als lid van de gemeente ga je gebukt onder het kleinmenselijke; en met je eigen beperkingen heb je daar ook een aandeel in.
Aan de avondmaalstafel kan ik de gemeenschap soms vieren. Ook daar is het een kwestie van willen.
De gemeente mag mijn autonomie doorbreken, omdat ik niet van mijzelf ben en ook niet alleen van God. Ik ben ingelijfd in het lichaam van Christus; dat is niet een gevoel dat opleeft als het klikt, maar een morele werkelijkheid waarin ik heb te leven. Het is ook een kwestie van navolging. In ons gemeenteleven bieden wij weerstand aan de individualisering. En wanneer jouw hoogmoed doorbroken wordt, prijs je God opeens voor de gemeente.
Dit besef houdt ons bij de kerk en bij God in tijden waarin alles droog, dor en mat is – het besef dat het soms ook een kwestie van volhouden en discipline is in afwachting van betere tijden, en dat het moeizame soms ook ten dele aan onszelf ligt. We blijven ook omdat God er is, voor ons en door zijn gemeente.

Burgerlijk
Tot zover de zelfdisciplinering. Maar kenmerkend voor onze cultuur is nu juist dat die zelfdisciplinering ondermijnd wordt. Het valt in onze tijd niet mee volwassen gedrag te vertonen waarbij je verder kijkt dan het gevoel van de dag.
Hier past een kleine voetbalanekdote.
Het eerste elftal van Ajax kampte jaren terug met een gebrek aan zelfdiscipline.
Jonge mannen met veel te veel geld sprongen uit de band. De coach van Ajax meldde toen dat de club de jongens stimuleerde om snel een serieuze relatie te beginnen. Als ze eenmaal samenwonen of, liever nog, getrouwd zijn en kinderen hebben, dan neemt dat buitensporige feesten vanzelf af.
Kerkverlating en kerkshoppen lijkt zich vooral voor te doen in de ongebonden leeftijdsfase, als de wereld nog open ligt en mensen verwachtingsvol bezig zijn zich te ontplooien. In die fasen zijn mensen alleen gebonden aan een partner en soms zelfs dat niet.
Ouderschap is nog niet aan de orde, terwijl juist dat het leven disciplineert: op tijd naar bed, op tijd opstaan, zorgen, opvoeden. Je leeft niet langer voor jezelf. Je autonomie ben je al kwijt.
En zoals ouders de veilige omgeving voor het kind vormen, vormen familie en gemeente voor ouders van jonge kinderen een netwerk waarbinnen zij de verantwoordelijkheid voor hun kinderen delen. De verburgerlijking is dan ineens niet langer een bron van ergernis, maar een welkome structuur.
Vaste patronen als de zondag als rustdag om naar de kerk te gaan zorgen voor rust en regelmaat. Dat de kerk de strijd tegen de anticonceptie heeft verloren is een belangrijke nederlaag geweest in de strijd tegen secularisatie.

Ongebonden generatie
Op sociologisch en psychologisch gebied verschijnen de laatste tijd veel publicaties over jongeren en jongvolwassenen, de leeftijdscategorie tussen de 20 en de 30 jaar. Wat daarin opvalt is dat er al jong geëxperimenteerd wordt met volwassen gedrag: seks, drank, geld verdienen en uitgeven enzovoort. Maar dit alles draagt niet bij aan een vroege verburgerlijking. Het spelen met volwassen attributen in het bestaan blijft lang speels, zonder echt verantwoordelijkheid te nemen. Vroeg mondig, laat volwassen, zegt Christien Brinkgreve.
Prachtig en uitermate geschikt voor een gespreksavond met en over de generatie tot 35 jaar is in dit verband de documentaire ‘Alles wat wij wilden’ (http://www.hollanddoc.nl/kijk-luister/ documentaire/a/alles-wat-we-wilden.
html). De ongekende vrijheid van jongvolwassenen wordt in deze documentaire als een last geschilderd: alles kunnen, alles mogen en geen plek hebben waar je hoofd rust kan vinden.
Achter de façade van opgewekt, levenslustig en assertief gedrag gaat grenzeloze onzekerheid schuil en veel jaloezie: anderen lijken zo gelukkig op Facebook en in het uitgaansleven en ik voel mij alleen en onzeker.
Deze generatie heeft bindingsangst uit onzekerheid. Maak ik wel de juiste keuze als ik mij verbind aan God, de gemeente, een partner, aan kinderen?
Stel dat ik verkeerd kies? Wordt het leven dan niet saai? Moet ik niet genieten van mijn vrijheid? Tegelijkertijd weegt de ondraaglijke lichtheid van dat bestaan als een loden last op hun fragiele schouders. Ajax zou zeggen: laat ze zo snel mogelijk trouwen en kinderen krijgen.
Naar mijn mening moet de kerk niet de concurrentie aangaan met die snelle wereld van instantervaringen.
Natuurlijk kan de gemeente wat gaan twitteren, bloggen en facebooken. En het is ook prima om wat ervaringsactiviteiten op te zetten. Maar waar werkelijk een taak ligt voor de gemeente is in het opzoeken van jongvolwassenen waar zij zich bevinden, in hun eigen wereld. Het mooiste zou zijn als de gemeente in preken, gebeden en pastoraat achter die façade zou mogen komen. Niet moralistisch, dat is niet christelijk; niet met de boodschap dat ze moeten trouwen en kinderen krijgen. Wel met de boodschap dat discipline hoort bij de loopbaan van het leven, ook het christelijke leven; dat werkelijke vreugde niet bestaat in het uit alles kunnen kiezen, maar in het je gedragen weten in je keuzen.
De kerk wordt geconfronteerd met bindingsangst. Dat overkwam Jezus ook. De evangeliën zijn er vol van.
Preek er dan over. En doe het in hemelsnaam goed.

Wim H. Dekker is docent sociologie en verbonden aan de kenniskring Jeugd en Gezin van de Christelijke Hogeschool Ede.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief