"Er is niets mooiers in de wereld dan je vijanden te bijten"
1978-10-27
Een jood mocht in het toenmalige Duitsland geen officieel ambt bekleden, niet in overheidsdienst staan.- Jaargang 22
- nummer 40
En nu de vraag hoe het komt dat wij ons zo makkelijk in een kritische rol laten stoppen. Wij Nederlanders in het algemeen doen dat niet ongaarne, maar wij gereformeerden zijn er ook niet vies van.
Het woord kritisch wordt minder door ons gebruikt. Daarvan wisten wij al vrij vroeg dat er marxistische smetten aankleefden en zodoende ...
Wij gebruiken liever woorden als 'bezorgd' of 'verontrust'. Die in eerste instantie wat milder aandoen, qua betekenis dan ook positiever zijn geladen. Een moeder, die bezorgd is over één van haar kinderen, zal deze bezorgdheid tot uiting doen komen in extra aandacht en liefdebetoon t.o.v. dit kind. Het bezorgd-zijn drukt zich hier uit in een positieve houding t.a.v. het object van de bezorgdheid.
Maar helaas hebben wij deze betekenis van het bezorgd-zijn niet erg goed begrepen, of gaan er aan voorbij. Onze kerkelijke bezorgdheid schept maar al te vaak afstand, wij distantiëren ons dan van het object van onze bezorgdheid.
Dat doen we door middel van de abstractie, van het afstand nemen, of om Marx in dit verband eens te citeren, wij vervreemden ons ervan.
In woord en geschrift gaan wij namelijk uiting geven aan onze bezorgdheid, wij vatten het in onze begrippen en woorden op een dusdanige manier dat er afstand ontstaat, het onderwerp van onze bezorgdheid en wijzelf. Net zoals de heks op de bezemsteel, stappen wij op onze pen en schieten de lucht in om vandaaruit onze verontrusting te tonen. Dit verweet Marx de filosofen van zijn tijd, deed zelf eigenlijk hetzelfde en wij volgen hem hierin na ...
De vraag naar het waarom van ons kritisch bezigzijn is hiermee nog niet beantwoord. Ik geloof dat het te maken heeft met een stuk onvrede, die bijna ieder wel voelt met zijn eigen situatie. In de kritiek op de ander kan je vaak zo mooi eigen onlustgevoelens kwijt raken.
Van depressies wordt wel gezegd dat het naar binnen toe gerichte agressie is. Bij kritiek zou je kunnen spreken van naar buiten toe gerichte agressie waarbij handtastelijkheden weliswaar worden vermeden maar die daarom niet minder gewelddadig is, in haar gevolgen onberekenbaar en vol dodelijk venijn. (Bij Marx leidde deze weg tenslotte naar een eenzaam en verbitterde dood.) Ook vraagt het veel meer van je om naar een persoon op wie je kritiek hebt toe te gaan en hem er mee te confronteren. Wij laten ons liever een soort profetenrol opleggen, waarbij we naderhand als het dan werkelijk misgaat kunnen zeggen: Zie je wel, ik heb nog zo gewaarschuwd.
We zouden er dan goed aan doen nog eens na te lezen hoeveel pijn en verdriet de profeten in het O.T. gehad hebben door hun 'kritische' rol, met hoeveel moeite zij die op zich namen en uitvoerden, diep begaan als ze waren met het lot van degenen tot wie zei zich richtten. En ook hadden zij het lef, om de kritiek altijd op de man af te brengen met alle risico's van dien.
Maar ik kan niet ontkennen dat ons gedrag daar vaak aanleiding toe gegeven heeft, ondanks al ons voortreffelijk schrijven over ons "cultuurmandaat" . Ook daar waar wij ons daadwerkelijk in de politiek of cultuur hebben begeven ligt ons de kritische rol beter dan de opbouwende. Ik loop met zo'n opmerking gevaar het vele goede wat daarin ligt en gelegen heeft te miskennen.
Ik doel in de eerste plaats op de wijze waarop wij als gemeenschap naar buiten toe optreden, als kerk. Vele buiten ons ervaren deze gemeenschap als een gesloten zaak, die reeds lang de buitenstaander veroordeeld heeft en het daarbij laat.
Als er nu één bezorgd is over de situatie in de kerk en de wereld is het toch wel onze Here. In het uiten van die bezorgdheid ging Hij zo ver dat Hij naar ons toe kwam.
Geen kritiek op verre afstand maar van aangezicht tot aangezicht.
Geen kritiek zonder praktische aanwijzingen over hoe het dan wel moest, maar een komen in deze wereld en een laten zien hoe het dan wel moest in Zijn eigen leven.
Hij zei dan ook van zich zelf: Ik ben de Waarheid, d.w.z. in Mijn leven en handelen en spreken ligt zichtbaar, tastbaar en hoorbaar opgesloten de weg die je kunt gaan om uit de ellende te komen. Wij zeggen meestal, dat wij de waarheid HEBBEN, alsof het iets is dat losstaat van onszelf. In ons kan je het uiteindelijk niet vinden en wij wijzen dan heen naar Christus, daar ligt het antwoord en de verlossing.
Toch gaan we dan misschien voorbij aan de nadruk die Christus zelf gelegd heeft op de eenheid die er zou moeten bestaan tussen ons en Hem.
"Ik bid niet alleen voor dezen (de discipelen), maar ook voor hen die door hun woord in Mij geloven (wij dus), opdat zij allen een zijn, gelijk Gij Vader in Mij en Ik in U, dat ook zij in Ons zijn; opdat de wereld gelove, dat Gij Mij gezonden hebt."
Hij vraagt hier niet alleen maar om eenheid tussen ons onderling, maar ook om de eenheid tussen ons en God zelf. Paulus zegt op velerlei plaatsen met nadruk dat wij 'in Christus' zijn, leden van Zijn lichaam, een tempel waarin God zelf woont. Welnu, zouden wij dan ook niet mogen zeggen: Wij zijn de eenheid?
Ik hoor U nu zeggen: Dat is godslasterlijk of op zijn minst zeer eigendunkelijk. Ik bedoel het niet op de wijze zoals een broeder uit een andere christelijke groepering eens tegen mij zei: "Op dit moment spreekt de Heilige Geest door mij."
Nu dan is ook elke discussie uitgesloten, met de Heilige Geest ga ik niet discussiëren, dat is duidelijk, dan kan ik alleen maar eerbiedig luisteren. De Heilige Geest woont in mij, dat mag ik met het gezag van de Schrift zeggen, maar Hij heeft met een lastpost te maken die op allerlei manieren zich af weet te sluiten voor Zijn leiding.
En omdat ik niet als een robot gemaakt ben, maar naar het beeld van God zelf moet Hij telkens een beroep doen op mijn keuzemogelijkheid.
Wat ik wèl bedoel is, dat er toch ook wel wát zichtbaar mag zijn van Christus' aanwezigheid in mijn leven.
Dat we soms al te gemakkelijk via ons 'zondig zijn' de ander naar Christus willen verwijzen, inplaats van dat hij door onze 'heiligmaking' er toe komt onze Heer te zoeken. Met de belofte van de Heilige Geest is er toch ook een geweldig potentiëel tot verandering van onszelf gegeven, en dat mag dan toch ook wel gezien worden.
Marx zag de godsdienst als een vlucht, een middel om uit de narigheid te komen zonder werkelijk de eigen situatie aan te pakken. Hij had dit van nabij meegemaakt.
Het was joden in dit tijd verboden enig overheidsambt te bekleden.
Zijn joodse vader kon dankzij zijn 'bekering' tot de evangelisch-lutherse staatskerk een goede maatschappelijke positie bereiken. Het kan zijn dat hij zich werkelijk bekeerde, voor Marx moet het in ieder geval een bewijs zijn geweest voor zijn eigen opvatting van de godsdienst.
Dat het christelijk geloof te maken heeft met een vlucht, valt overigens niet te ontkennen. Het is de vlucht van een bang mensenkind naar zijn Maker. Dat deze vlucht ook inhoudt: weglopen voor alle maatschappelijke verantwoordelijkheden geloof ik niet en zo is het me ook niet uit de gereformeerde traditie overgeleverd. Wel geloof ik dat de wijze waarop wij ons van onze maatschappelijke verantwoordelijkheden kwijten verantwoordelijk is voor de opvatting dat wij een exclusief volkje zijn. Die wijze is namelijk vaak die van: op een afstand toch mee willen doen. De ander voelt vaak bij voorbaat al een wantrouwen onzerzijds; pas op een humanist ... , pas op een liberalist ... , pas op 'n communist ...
Hou ze in de gaten! Kortom een kritische instelling.
Laten wij hier rustig eens schuld in belijden en aan de gang slaan om die indruk uit te wissen. Die kritische instelling heeft Marx bijna al zijn vrienden gekost en in eenzaamheid doen sterven. Of gelooft U soms dat een dergelijk lot ons gereformeerden niet zou kunnen treffen?
Voor in mijn mond
Voor in mijn mond
werden woorden geboren
van vrijspraak,
het was voor Jan Rap
en zijn maat.
Ik vroeg van de zondaar
geen inbreng,
niet iets, dat er
zijn moest.
Ik zei: de zondaar
hééft niets,
alleen de have-nots
zijn welkom.
Vaak vroeg een broeder,
een mededienaar
nog wel,
een oudste,
wat ik bedoelde.
Ik zei dan: het geloof
is altijd een
lege hand, meer niet,
de man vond het maar
verdacht.
Broeder, zo dacht ik,
de gemeente heeft u
verkoren,
maar de Messias,
Hij niet,
alweer een wolf,
zo worden de schapen
verscheurd,
de vromen zetten hun tanden
erin.
'Zondig dapper', zei Luther,
maar wie durft het,
wie leeft er alleen van
genade?
Geen Lutheraar, die eraan
begint.
Niemand trachte te leven
als één, die geen zonde
meer doet:
een zeer brede weg,
een lied valt er nooit op
te zingen.
Geert Boogaard Uit: Met dank aan de Joden Wtg. G. F. Callenbach.