De inzet van de Reformatie

1978-10-27
  • Jaargang 22
  • nummer 40
Bij de 31ste oktober denken we direkt aan een man als Luther. Al ging toen niet de werkelijke reformatie van start, toch blijft het een feit, dat hij als monnik op die bewuste datum het lef had zijn 95 stellingen aan de deur van de slotkapel te Wittenberg te bevestigen. Een imponerend gebeuren!
Luther keerde zich tegen de aflaatbrieven van Tetzel, omdat hij zich liet korrigeren door de Open Brief van zijn God!!
In de bedoelde 95 stellingen slaat hij dan ook enkele malen het thema van het Woord van God aan. Al is het hier en daar nog bedekt met een laag roomse vernis, men proeft er uit wat Luther beoogt en wat hij centraal stelt.

Stelling 53 luidt n.l.: "Vijanden van Christus en van de paus zijn zij, die terwille van de aflaatprediking het WOORD GODS in andere kerken geheel het zwijgen opleggen."

Stelling 54 heeft tot inhoud: "Onrecht geschiedt aan het WOORD GODS, wanneer in dezelfde predikdienst evenveel of nog meer tijd wordt besteed aan de aflaten dan aan het WOORD GODS."

Stralend is de 62ste stelling: "DE WARE SCHAT DER KERK IS HET HEILIGE EVANGELIE VAN DE ERE EN GENADE GODS."
In het leven van Luther zèlf heeft juist dát evangelie, dat Wóórd van God, een biezondere betekenis gekregen. Toen hij in 1512 in Wittenberg als jong theologisch hoogleraar in de akademische senaat werd opgenomen, noemde hij zichzelf graag: Doctor der Heilige Schrift. Dat was zijn ambt en omdat hij dat ambt van harte waarnam, werd hij reformator der Kerk door Gods genade.
Wanneer anderen en soms zijn eigen hart betwijfelden of hij wel het recht had om zich tegen de traditie der kerk te verzetten, beriep hij zich op zijn doctorseed: "Ik heb beloofd de Schrift trouwen zuiver te prediken, die eed moet Ik houden."
Luthers weg naar het volle licht werd hem aangewezen door Gods Geest in de Heilige Schrift. Het is en blijft typerend, dat het grootse moment in zijn leven, dat van de ommekeer, gemarkeerd wordt door die bekende tekst uit de Bijbel: Romeinen 1 vers 17: "Want daarin (n.l. in het evangelie) wordt de gerechtigheid, die voor God geldt, geopenbaard, uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: de rechtvaardige zal door het geloof leven." En hoe werd de sluier, die hij zelf over dat Schriftgedeelte gelegd had, weggenomen? Doordat hij nog eens de tekst in het verband las. Daardoor kwam hij tot de konklusie, dat God de gelovige gerechtigheid SCHENKT!! "Ik had het gevoel", zegt hij, "alsof ik wedergeboren was en door open poorten het paradijs was binnengegaan. Direct zag de gehele Schrift me volkomen anders aan."
En wat gebeurde op de 18de april 1521, toen Luther voor de Rijksdag te Worms stond? Toen hem gevraagd werd: "Wilt ge de boeken, die ge als de uwe erkend hebt, herroepen?" besloot Luther een krachtige rede ten antwoord aldus: "Als men mij overtuigen kan van ongelijk, dan zal ik herroepen. Want dat ik voor alle menselijke dwaling toegankelijk ben, daarvan ben ik overtuigd. Dit mag ik echter eisen, dat men mij uit Gods Woord bewijst als ik dwaal. Zelfs Christus, Die de Waarheid was, zeide, voor de Hogepriester staande: "Bewijs Mij, dat Ik verkeerd gesproken heb." "
Zijn hele leven lang heeft Maarten Luther geworsteld met de vraag betreffende de vorm, de vormgeving, de overzetting en de verkondiging van het Woord van zijn God. Hierin bleek publiek, dat zijn strijd de schone strijd van het geloof was, welke lelijke dingen zijn tegenstanders ook tegen hem uitspeelden en uitspookten. Dit kwam voor Luther zo vast als een paal boven water te staan: Niet de Kerk legt de Bijbel uit voor de onmondige leek, maar de Bijbel legt zichzelf uit! God Zèlf spreekt daarin de mens persoonlijk toe. De Schrift is hem Gods Woord in letterlijke zin!
Ook sommige van zijn vrienden gaven gedeelten van de Bijbel uit in het Duits. "Ik hoop", zegt Luther, "dat op den duur elke stad een vertaler van de Bijbel zal krijgen, omdat de handen, tongen, ogen, oren en harten van alle Christenen zich met dit ene Boek moesten bezighouden."
Het is belangrijk na te gaan welke opvatting de reformatoren, vooral Calvijn mag hier niet vergeten worden, betreffende het gezag en de inhoud van de Heilige Schrift huldigden. De Heilige Geest verheerlijkt Christus voor ons door middel van het Woord. En daarom kon Calvijn ook van de Schriften zeggen, dat zij het gewaad van Christus vormden.
Christus verschijnt ons in het gewaad van de Heilige Schrift, bekleed met het evangelie. Onze omgang met de Bijbel moet zijn een omgang met de Christus der Schriften. "Als ge Christus wegneemt uit de Bijbel, wat houdt ge dan nog over?", zo luidde de vraag van Luther aan het adres van Erasmus.
Wie Christus heeft, heeft alles. Want de waarheid der Schrift is een zuiver afgeronde gouden ring zonder naad, ze bevat maar één leerstuk: Christus.
We gaan er nu aan voorbij, dat Luther vanuit dit gezichtspunt een verkeerde konklusie trok ten aanzien van sommige Bijbelboeken. Maar wat Luther opmerkte was to the point!
De strijd van de reformatie tegen Rome spitste zich telkens toe op dit punt: Zal de Bijbel het alleen te zeggen hebben of is er naast de Schrift nog een andere autoriteit? Kan naast de Bijbel nog de traditie geplaatst worden, het gezag van de kerkvaders, de concilies, de pauselijke decreten?
De Roomse kerk stelt metterdaad Schrift en traditie op één lijn. Maar de reformatie liet niet langer de aanvaarding van de Bijbel afhankelijk stellen van het gezag en de akseptatie van de Kerk. Het Woord regeert de kerk en niet andersom. Doordat het Woord was ingekapseld in een hiërarchische kerkstruktuur, verkeerde volgens Luther het volk van God in gevaar - hij zag het voor zijn ogen gebeuren, de aflaat b.v. - want het kreeg onvoldoende uitzicht op zijn enige, zijn goddelijke oorsprong, zoals Luther zich graag uitdrukte. De Geest kon niet meer waaien waar Hij wilde. DAAROM WERD LUTHER REFORMATOR. "De Kerk", aldus Luther, "blijft een onderdanige zondares voor God tot aan de jongste dag en zij is alleen heilig in Christus, haar Heiland, door genade en vergeving van zonden." En als men denkt, dat Rome vandaag een andere leer voorstaat betreffende de onfeilbaarheid en het gezag van de kerk, dan vergist men zich deerlijk. Want ik lees in "De Nieuwe Katechismus"
- Geloofsverkondiging voor volwassenen - het volgende onder het kopje: Het bisschoppencollege en de onfeilbaarheid: "De gezamenlijke bisschoppen zijn de hoeders van de kerk en van Christus' waarheid. In hen komt de onfeilbaarheid van "Gods eigen volk", dat door Christus niet verlaten wordt, tot uiting. Daarom is het concilie onfeilbaar, als het zegt uitdrukkelijk als zodanig te spreken." (cursivering van mij, O.M.).
Luthers visie op de Bijbel had ongetwijfeld tot achtergrond het sakramentalisme van de Roomse kerk, waarbij men dacht aan een ingestorte genade. Het ging allemaal automatisch. Daarvoor was zelfs het geloof niet een onontkoombare voorwaarde. Maar wat bleef er zo over van de funktie van het LEVENDE WOORD? De eis van het Verbond der genade kwam in de mist, omdat men de belofte misduidde. Maar Luther aksentueerde de analogie tussen de uitwerking, die Gods genade en macht hadden op de historische Christus en de uitwerking, die de Heilige Schrift als Evangelie heeft op ons: "Gods macht deed Hém eenmaal opstaan van de doden, het Evangelie maakt óns levend, hier en nu." Prediking wil volgens Luther zeggen, dat de dood van Christus MIJN dood is, het sterven van mijn oude mens. Zij betekent tevens, dat de opstanding van Christus MIJN opstanding is, het leven van de nieuwe mens.
Luther eerde Gods Woord op Godewaardige manier. De Heilige Schrift is alleen van God, aldus de Wittenberger reformator. Hij alleen heeft haar gesproken en geschreven. Wij mogen er geen letter of tittel aan veranderen.
Immers: "De Heilige Schrift is Gods Woord, in lettertekens gevat en uitgebeeld zoals Christus, het eeuwige Woord Gods, in het kleed van de mensheid werd gehuld."
Ik geef nog één machtige volzin van deze Doctor der Heilige Schrift, die een begenadigd predicator was, aan U door, terwijl ik mij moet beheersen om niet breder en verder te citeren: "In Zijn Woord wandelt Christus Victor met Zijn Heilige Geest midden onder de mensen en viert Zijn overwinning over de machten van het verderf, van geslacht op geslacht."
Wat doen wij vandaag met het evangelie als het overwinningsbericht van Christus? We behoeven de waarheid van de Bijbel niet te bewijzen evenmin als we een leeuw behoeven te verdedigen naar de nuchtere opmerking van Spurgeon. Maar laten we ons het toevertrouwde pand niet ontfutselen?
Laten we de woorden schepping, zonde, genade, geloof, ongeloof en wat dies meer zij op de plaats staan waar God ze gezet heeft? Of maken we bij de hantering van die gulden woorden ons schuldig aan een verandering van het gehalte van deze schriftuurlijke begrippen? Of kapituleren we voor de ethiek van de revolutie en voor een selekterend Schriftgebruik, dat de Bijbel "alleen" gebruikt om Jezus' betekenis tot dit leven te beperken? Dan geldt het woord van de apostel Paulus: "Indien wij alleen voor dit leven onze hoop op Christus gebouwd hebben, zijn wij de beklagenswaardigste van alle mensen." (1 Kor. 15 : 29).
We zullen door de prediking van het volle evangelie moeten leren de gevaren en fronten te onderkennen. Zo zullen we ons laten reguleren door dat indringende Petrinische woord: "Het einde aller dingen is nabij gekomen.
Komt dus tot bezinning en wordt nuchter, opdat gij kunt bidden."
(1 Petr. 4 : 7). Dat is de dagorder van de kerk!! De reformatorische waarden zijn aan het evangelie ontleend! Daarom houden ze het uit in een turbulente wereld en in een versplinterde kerk! Het gaat er niet om de kerk een vals oecumenisch gezicht te geven, maar om die kerk te laten staan op de oude schriftuurlijke ware oecumenische basis van het Woord!

Gods Woord houdt stand in eeuwigheid
en zal geen duimbreed wijken.

Geraadpleegde en geciteerde litteratuur:
1. Dr W. J. Kooiman: "Maarten Luther - Doctor der Heilige Schrift-Reformator der Kerk", Amsterdam 1948.
2. Dr W. J. Kooiman: "Luther, zijn weg en werk", Amsterdam 1954.
3. "De nieuwe Katechismus", 's-Hertogenbosch-Roermond 1966.
4. Dr W. J. Kooiman e.a.: "Spelregels", Amsterdam 1967.
5. Prof. dr G. H. Posthumus Meyes: "Historische beschouwingen over de onfeilbaarheid van de kerk", Rondom het Woord, llde jrg. no. 1.
6. Dr C. van der Waal: "Sola Scriptura", deel 1, Goes 1966.
7. Ds W. van 't Spijker: "Fundamentele vragen betreffende onze OMGANG MET DE BIJBEL", Den Haag 1962.
8. Dr W. H. Velema: "De nieuwe Theologie en de Heilige Schrift", Amsterdam 1970.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief