Zo was het (21)

1978-10-27
  • Jaargang 22
  • nummer 40
M'n vorig praatje ging over de moeite, die sommigen - of moet ik zeggen: velen? - hebben met de toegang tot het H. Avondmaal. Ze willen niet ontkennen dat ze in de Here Jezus geloven. En toch zijn ze niet zeker of ze wel gerechtigd zijn Avondmaal te vieren. Een mens moet toch maar wedergeboren zijn en echt bekeerd? en voor hen is de uitverkiezing ook een probleem. En er staat toch ook, dat iemand zich een oordeel kan eten en drinken? Is het dan maar niet veiliger zich te onthouden? Daartegen heb ik altijd ingebracht, dat geloof in de Heiland de hoofdzaak is.
Wie niet gelooft zal niet toegaan, hij zal ook niet willen. Hij geeft immers niets om de Here? Nu dan. Maar wie in de Zaligmaker gelooft weet zich toch geroepen om Zijn dood te verkondigen? En die is door het geloof toch gekomen tot nieuw leven? En die heeft zich toch bekeerd van ongeloof tot geloof? En hij begeert z'n geloof te sterken en toe te nemen in de genade en kennis van de Heiland.

Daarop wil ik in dit praatje nog doorgaan. Want in m'n pastorale praktijk merk ik nog, dat velen 't met het Avondmaal toch wel moeilijk hebben. Ze zeggen dat zo niet - we uiten ons niet gemakkelijk en praten er niet gemakkelijk over - maar ze zitten toch met de vraag: is het wel voor mij?
Er zijn twee gevaren op dit gebied. Aan de ene kant kan men het te gemakkelijk opnemen. Te vanzelfsprekend. Aan de andere kant dreigt het gevaar dat men het als normaal beschouwt, dat men niet deelneemt. In m'n eerste gemeente in Friesland sprak het vanzelf, dat ieder die tot onderscheid van jaren was gekomen Belijdenis van z'n geloof aflegde en deelnam aan de Tafel van de Here. "Dat hoort zo", zei men. Wie bij de Avondmaalsviering niet aanwezig was, bleef thuis omdat hij doodziek was om zo te zeggen óf hij had laaiende ruzie met familie of buurman.
Het was normaal dat heel de gemeente aanzat.

Toen ik in Voorthuizen kwam merkte ik al gauw, dat het daar heel anders stond. Wel vierde het grootste deel van de belijdende leden het Avondmaal. Maar velen deden dat met "vrees en beven". Het kwam nogal eens voor, dat jonge brs en zrs Geloofsbelijdenis aflegden en de dood des Heren verkondigden. Maar als ze trouwden kwamen ze vaak bij de ouders inwonen. En die vonden het "zo gemakkelijk niet". Vierden vaak geen Avondmaal. Ze waren toch wel vroom. Maar ze waarschuwden kinderen en kleinkinderen soms: Weest toch voorzichtig! Het gaat toch niet zo maar. Leven jullie wel zo vroom? Hebben jullie het niet mis? En dan werden jonge mannen en vrouwen soms weer bang en bleven weg.

Nu moeten we wel in rekening brengen, dat de traditie, de gewoonte van eeuwen her, een sterke invloed heeft. Als een gemeente door de prediking of door invloed-van-buiten-af eigenlijk bang is gemaakt voor het H. Avondmaal, dan zit de angst er om zo te zeggen ingeroest. Is daarentegen het ruime Evangelie van vergeving en leven gepredikt, dan wordt het allicht gewoonte om wèl de dood van de Here te verkondigen. Er schijnt ook verband te bestaan tussen de streek waar men woont en de vrijmoedigheid of de moedeloosheid in deze zaken. Het schijnt, dat in vissersdorpen, waar het leven onzeker was en de dood dreigde, de zwaarmoedigheid vaak de overhand had over de vrijmoedigheid. De sporen daarvan zijn vandaag nog te zien. Ook in streken waar het leven bedreigd werd door overstroming was de vrijmoedigheid vaak zoek. In Friesland was er ook een duidelijk verschil tussen bewoners van de weidestreken en die van de woudstreken. Maakt het leven tussen bossen soms zwaarmoedig?
Ik weet niet hoe dat verband ligt. Mogelijk weet een psycholoog daar een antwoord op. Maar dat de verschillen bestaan is dunkt mij zeker.
Daarom moeten wij in ons oordeel over anderen ook wat voorzichtig zijn. We kunnen wel smalend neerzien op de Veluwnaars, die Gods beloften maar moeilijk aanvaarden. Maar hoe zou het met ons staan als wij daar geboren en getogen waren? Onder een dreigende prediking, die meer van hel en verdoemenis sprak dan van genade en verlossing? Ik heb mensen gekend, die oprecht in de Here Jezus geloofden, zich voor het Evangelie ook niet schaamden, levende brieven van Christus; die tot hun dood toe aarzelend stonden tegenover het H. Avondmaal. Daarentegen heb ik ook mensen gekend, van wie ik zeer betwijfelde of zij wel echt de Here Jezus liefhadden; terwijl zij toch met grote vrijmoedigheid "aan gingen".

Hoe dat ook zij: Velen zitten met de vraag of zij zullen deelnemen of weg blijven? En de zelfbeproeving brengt hun geen klaarheid. En over die zelftoetsing of zelfbeproeving of zelfbeschouwing wil ik nog iets zeggen.
M.i. bestaat hierover nogal wat misverstand.

We spreken van zelfonderzoek of zelfbeproeving. M.i. kunnen we het best spreken van zelftoetsing. We hebben ons zelf te toetsen of te keuren, met als maatstaf het Woord des HEREN. We zouden ook kunnen zeggen: Onszelf stellen onder de tucht van de Here Jezus. Hem bij het zelfonderzoek er niet buiten houden. We moeten het licht van Wet en Evangelie niet buiten onze zelftoetsing houden. Dan zou het worden een beschouwen van eigen hart en gevoelens en ervaringen. Dat zouden we kunnen noemen: zelfbeschouwing.

Een zelfbeschouwer stelt zich de vraag: ken ik mijn zonde wel goed, is mijn berouw wel diep genoeg? Is mijn ervaring wel voldoende? Meestal zal hij tot de conclusie komen: neen, ik betreur mijn ongerechtigheid niet voldoende. Want 0, ik ben toch zo slecht, maar gevóel dat niet genoeg.
En 0, mijn gebed om vergeving is zo dor. En ach . . . En hij blijft weg van het Avondmaal. Terwijl de Here zegt: Doe dat tot mijn gedachtenis.
Het is ook mogelijk, dat de zelfbeschouwer tot de gevolgtrekking komt.
Ik gevoel m'n ongerechtigheid echt en ik heb er ó zo groot verdriet van.
Mijn schuldbesef is zo groot, dat ik daarmee voor God wel kan verschijnen.
En hij viert Avondmaal; niet omdat hij zichzelf mishaagt om z'n zonden. Maar omdat hij een behagen heeft in zijn mishagen. Het behaagt hem zeer, dat hij zich zo ellendig gevoelt. Hij pronkt met zijn schuldbesef en dat is in de grond der zaak hoogmoed. En dat behaagt de HERE niet.

En wat het geloof betreft, de zelfbeschouwer bekijkt zijn geloof, z'n geloofsbesef, z'n geloofservaring. Meestal met het gevolg, dat hij wegblijft van de Tafel van de Here. Hij bevindt z'n geloof te zwak en te klein.
Maar het kan ook zijn, dat hij tot de slotsom komt: Sterk is m'n geloof en machtig mijn vertrouwen. En hij komt tot het Avondmaal, roemend in z'n sterk geloof. Dat hij aan de Here kan aanbieden. Hij gelooft in of aan z'n geloof. Vaak zolang als het duurt, want later twijfelt hij weer aan zichzelf. En zit weer in de put.

En wat het "stuk der dankbaarheid" betreft kan de zelfbeschouwer weer tot tweeërlei slotsom komen. Hij kán concluderen: Mijn gevoelens van dankbaarheid zijn veel te gering. Ik moest veel blijer en dankbaarder zijn.
En hij gaat niet aan. Of hij komt tot de slotsom: Ja, mijn dankbaarheid is o zo groot. Ik deed met blijdschap dit en dat voor de kerk en voor de Here. Ik ben een ijveraar in het Koninkrijk. En behaagt zo zichzelf. Maar niet aan de Here. Zo staat het met de zelfbeschouwer.

Maar de echte zelftoetsing of zelfkeuring is anders. Een gelovige vraagt zich niet af of hij van zichzelf mag geloven, dat hij een gelovige is. Maar de vraag is: Geloof ik in de Here Jezus. Geloof ik het Evangelie van verlossing en vergeving. Geloof ik in de liefde van God, de genade van de Here Jezus en de gemeenschap van de Heilige Geest. En hij zegt met meer of minder vrijmoedigheid: Ja, ik geloof. Misschien wel met de toevoeging: En sterk mij in de strijd tegen mijn ongeloof. Hij zoekt het leven en de zaligheid buiten zichzelf in Jezus Christus en niet in zichzelf.
En hij verkondigt de dood van de Here en sterkt zo zijn geloof.

Dat is m.i. de eerste vraagt. Dan ook de tweede: Ken ik mijn ongerechtigheid in het licht van de Wet en het Evangelie? Wie gelooft toetst z'n leven aan het Woord des HEREN. En wie zou dan niet erkennen "gebreken en zwakheden" in z'n leven? En hij zegt met Paulus: "Ik ellendig mens". D.w.z. ik door de zonde belaagde en geplaagde mens. En hij mishaagt zichzelf en verootmoedigt zich voor de HERE en bidt om vergeving.
En gaat zo als zondaar naar de Tafel der gemeenschap met Christus en de gemeente.

En wat het derde stuk betreft: Wie gelooft in de Here Jezus toetst zijn doen en laten aan de regel der dankbaarheid. De HERE geeft veel en vraagt veel: Reinheid van hart en zuiverheid van gedachten en oprechtheid in handel en wandel. En hij zegt: Here, Gij weet dat ik U liefheb.
Ik begeer naar uw wil te handelen. Maar soms struikelde ik. Misschien moet hij erkennen: Ik ben gevallen in een oud kwaad. Maar: Ik sta weer op en blijf U verwachten. En hij kan het niet laten, de dood van de Here te verkondigen. En uit te zien naar de wederkomst van Christus, om dan bij de Here te zijn.

De zelfbeschouwer zoekt naar allerlei kenmerken. En als hij die vindt gelooft hij op grond daarvan een kind van God te zijn. Waardig om aan de Tafel van de Here deel te nemen. Hij wil niet met lege handen tot de Here komen. Hij wil eigenlijk niet van genade leven. Maar wil op iets steunen van of in zichzelf. Hij leeft eigenlijk uit de wet en niet uit het Evangelie. Niet van genade maar van verdienste, al weet hij het zelf niet.
Bij alle schijn van vroomheid en ernst is het in de grond der zaak zelfverheffing.
Als hij gaat aanzitten zegt hij eigenlijk: Ik heb een zeer diep schuldbesef. Dus mag ik van mij geloven, dat ik geloof. Of hij steunt op z'n diepe dankbaarheid of op z'n anders zijn en doen dan de anderen.
Hij gelijkt daarin op de Farizeeër, die op zichzelf vertrouwt en de anderen niets acht.

Waar deze houding in de gemeente aangenomen wordt is het grondig mis.
Ik las eens, dat het in een Duitse gemeente is voorgekomen, dat onder een preek van voorbereiding, zij die zich waardig keurden gingen staan!
Daar stonden zij dan, de gekenden des HEREN. De uitverkorenen bij uitnemendheid. En als het Avondmaal werd bediend schreden zij als pauwen naar voren. Zij liepen met hun waardigheid te koop zal ik maar zeggen. Zij hadden de HERE iets aan te bieden. En zij, die het zover niet hadden gebracht, hadden voor deze gekenden ook nog groot respekt: dát waren nu de echte vromen. Zij waren de groten in de Koninkrijk Gods. En zij die zich onwaardig achtten verzuchtten: Mochten wij ook eens zo vroom zijn.

Als wij ons toetsen aan de maatstaf van het Woord van de HERE dan mishagen we onszelf. Dan belijden we onze zonden en zwakheden. Dan zijn we verslagen van geest en bidden om genade. Dan roemen we niet in ons geloof, maar in de genade van onze Here Jezus Christus. En in de liefde van God de Vader. En in de gemeenschap van de Heilige Geest.
En geven zo de eer niet aan onszelf, maar aan God die ons verkoor en deed naderen tot de troon der genade. Dan laten we niet naar ons kijken en verheffen we ons boven niemand ter wereld. Maar dan verkondigen wij de dood van Jezus Christus als de enige bron der zaligheid. En dan zingen we van Gods goedertierenheid. Dan verblijden we ons niet in wat wîj zijn of hebben of gevoelen en ervaren. Maar dan verblijden we ons in Hem, die het leven van ons leven en de kracht van onze kracht is. We erkennen dan: Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit doods bestaan?
Maar laten er ook op volgen: Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door Jezus Christus, onze Here.

Als er in de gemeente te Korinthe grote misstanden zijn bij de viering van het Avondmaal, dan zegt Paulus wel dat het zó niet gaat. De misstand moeten ze veranderen. Ze moeten zich toetsen. Maar dan volgt er niet: Blijft maar weg! Doch: "Ieder beproeve zichzelf en ete dan van het brood en drinke uit de beker." En dat zegt de Here nog tot ieder, die het leven en de zaligheid buiten zichzelf zoekt in Jezus Christus onze Heer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief