NA HET AVONDMAAL

1978-11-03
  • Jaargang 22
  • nummer 41
En terstond dwong Hij zijn discipelen in het schip te gaan ...
Matth. 14: 13-33

Het is waar dat de wonderbare spijziging waarover de evangelies een en andermaal berichten, niet met het heilig avondmaal gelijk gesteld kan worden. Maar het is tegelijk waar dat het heilig avondmaal, telkens wanneer wij het vieren, een wonderbare spijziging is. En daarom sloot ik onlangs de avondmaalszondag in de gemeente af met juist dit gedeelte uit Mattheüs 14. Of liever, met het directe vervolg daarop, het afscheid na het hoogtepunt met Jezus. "En terstond dwong Hij zijn discipelen in het schip te gaan ... "
Wat een weelde om midden in de woestijn van het leven zó met de Here Jezus te mogen zijn en het hemelse brood uit Lijn handen te mogen ontvangen! Wat is Hij in deze spijziging dichtbij en wat schittert hier zijn Heilandsmacht.
We zouden het liefst bij Hem blijven.
We willen eigenlijk niet weg.
"Wij worden door U begenadigd die heilig zijt en goed. Gij die ons in uw huis verzadigt met alle overvloed" (ps. 65). We kunnen Petrus zo goed begrijpen die toen hij Jezus op 'n keer zo schitterend meemaakte, de neiging kreeg tenten op te slaan om dit mooie vast te houden. Maar Jezus dwingt zijn discipelen in het schip te gaan.
Houd Mij niet vast, Maria ...
Dit laatste zegt de Here na zijn opstanding en vóór zijn hemelvaart.
De jongeren en Maria hebben Hem dan in zijn paas-glorie gezien, maar moeten Hem daarna voorlopig afstaan. Zij moeten zonder zijn zichtbare aanwezigheid verder. Naar zijn menselijke natuur is Hij dan niet meer op aarde, al wijkt Hij naar zijn goddelijkheid, majesteit, genade en Geest nimmer van hen.
Dit afscheid nu bij de hemelvaart wordt door heel het evangelie heen al voorbereid. Telkens zijn er 'situaties dat Jezus zich van zijn jongeren losmaakt om hen te laten wennen aan zijn lijfelijke afwezigheid.
Ook trouwens bij de broodvermenigvuldiging zelf al had Jezus gezegd: geef gij hun te eten. Wees gij, kerk, zelf vanuit Mijn ontferming bezig met de scharen die hongeren naar het brood des levens.
Leer je eigen verantwoordelijkheid voor de wereld verstaan.
Je mag dan rekenen op mijn wondermacht die achter je staat.
Maar je mag die wondermacht nooit zo verstaan, dat Ik daarmee alle verantwoordelijkheid van jullie afneem. Houd Mij niet vast, want Je hebt je handen voor andere dingen nodig, voor de uitdeling van het brood des levens.
Er loopt een draad van afscheid door heel het evangelie. Niet pas her einde vertelt daarvan. Jezus bindt zijn jongeren niet aan zijn lijfelijke aanwezigheid. Daarom dwingt Hii na de wonderbare spijziging zijn discipelen in het schip te gaan, terwijl Hij zelf de berg op gaat om te bidden. Dat is een beeld van en een voorschot op desituatie zoals die na Hemelvaart is ontstaan. Het schip op zee is de kerk in de geschiedenis en Christus is voor het aangezicht van zijn Vader haar voorspreker. En als we opstaan van de avondmaalstafel, is dat 't moment waarop we er scherp van doordrongen worden, dat zo de situatie is: Wij hier, Hij daar. Ons ten goede, dat wel, maar toch, ... dáár. En dit besef kan pijn doen. Er zijn momenten dat de bruidegom bijna handtastelijk bij ons is. Dat zijn de hoogtepunten van het leven. Maar ze worden niet zelden gevolgd door ogenblikken waarop Hij uit ons gezicht is weggenomen. Dat zijn de tijden van het vasten, zegt het evangelie.

Toch is de Here ook dan onze Goede Herder en met dezelfde almacht als waarmee Hij de broden vermenigvuldigde staat Hij ons ter zijde. Maar, weer anders.

De discipelen staken met hun bootje van wal zoals de gemeente na de avondmaalszondag de werkweek instapt. Volstrekt herkenbaar horen we dan dat de wind tegen was. We kennen dat in het gemeentelijke en in het persoonlijke leven. Er is immers een vijand, die het op de kerk en de gelovigen voorzien heeft? Juist als we de genade van God in Christus op wonderbare wijze hebben ondervonden, kan de terugslag zo hard aankomen. Juist dan immers wil satan ons ziften als de tarwe om te zien wat die genade nu waard is, of ze inderdaad tot versterking van het geloof heeft gediend.
Maar wat valt dat dan tegen! Wat beledigen wij Christus vaak door ons ongeloof! Het is vooral de vrees waaruit dat blijkt. Dezelfde vrees die ook de discipelen op zee parten speelde. Tegen het aanbreken van de morgen komt Jezus over zee op het schip toelopen. Als de jongeren Hem zo over zee zien gaan, raken zij verbijsterd en zeggen: het is een spook! En ze schreeuwen van vrees.
Het is vreemd. Als wij vrezen, als onze ogen door vrees bevangen zijn, lijkt het wel of wij alleen nog maar vreselijke dingen kunnen zien.
Zelfs de tekenen van Gods aanwezigheid duiden wij dan nog ten kwade. Wij passen Jezus in in het beeld dat wij van de werkelijkheid hebben en dat beeld is door vrees gekleurd.
Juist als we midden in de wereld zijn, is er voor Jezus Christus zo weinig plaats in onze geest. Wij zijn dan als Maria van Magdala die op de opstandingsmorgen Jezus die haar verscheen voor de tuinman hield. Zij paste Jezus in in het troosteloze beeld dat zij van de werkelijkheid had. Onze ogen zijn niet aan zijn almacht gewend. Misschien 's zondags nog wel, maar in de week? Als 't stormt en de wind ons tegen is?
En toch is Jezus hier dezelfde als bij de vermenigvuldiging der broden.
Even machtig, even heerlijk.
Alleen, onze bevangenheid is groter en onze verwachting kleiner, We zijn in de stormen van het leven meer gelijkvormig aan de ongelovige wereld. Onze oren en ogen zitten juist naar Gods kant zo dicht gesmeerd. Alles horen we en alles zien we, als 't gaat om kleine sporen van hoop in deze wereld, dat wel. Maar als de hulp ons van buiten de wereld geboden wordt, herkennen wij die niet. In plaats van Hem opgelucht te verwelkomen: Hè, eindelijk, dat is Hij, de Meester! - wordt onze angst nog verhevigd: "een spook!" en we schreeuwen van vrees. Hoe pijnlijk is dat!
Zeker, juist deze donkere nacht eindigt in een klare belijdenis. "Die in het schip waren, vielen voor Hem neder en zeiden: waarlijk, Gij zijt Gods Zoon!" Deze belijdenis ontbreekt bij de vermenigvuldiging der broden. De mooiste en waarachtigste belijdenissen worden ook meer in de week dan op de zondag geboren, meer in dieptepunten dan op hoogtepunten, meer na pinksteren dan vóór hemelvaartsdag, meer op zee dan op het veilige land. Daaruit blijkt iets van het heilzame dat Christus de zijnen dwingt in het schip te gaan en afscheid van hen neemt. Maar die prachtige belijdenissen in het uur van gevaar - hoe moeten ze gewonnen worden op het ongeloof!
Wat hebben ze een moeilijke geboorte!
Christus eerst voor een spook te houden, de hemel te duiden als een manifestatie van de hel, wat moet dat voor onze Here pijnlijk zijn (geweest)!
En juist dit is het wat wij Hem regelmatig aandoen. Gemeentelijk en persoonlijk. Ook persoonlijk, zoals blijkt uit Petrus' reaktie. Hij is de eerste die Jezus op zee herkent.
Dat is heerlijk om te lezen.
Tenminste één die komt van vrees tot geloof! Maar dan herhaalt zich aan hem persoonlijk wat eerst de groep overkwam. Ook hij valt weer terug in de vrees. Zodat niemand kan zeggen: de kerk viel maar ik bleef staande. Gemeentelijk en persoonlijk is er reden tot schaamte. En dit temeer als we omkijken en zien van welk hoog strand we zijn afgedaald en welke verwenning we aan de tafel des Heren achter de rug hebben. Kleingelovigen, die wij zijn! Waarom gaan we toch altijd weer twijfelen?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief