JEREMIA
1978-11-03
Twee heren dienen- Jaargang 22
- nummer 41
Zulke mensen zijn er meer. Als je met hen spreekt, zijn ze niet onverschillig.
Beslist niet. Ze weten ook wel dat ze scheef zitten en dat er iets veranderen moet in hun leven. Tot op zekere hoogte willen ze dat ook wel.
Maar het komt er niet van. De macht der gewoonte en van hun vrienden en van hun omgeving is hun te sterk. Ze komen er niet los van.
Af en toe doen ze wel eens een poging.
Dan geven ze blijk van hun goede. wil. Dan ben je blij en denk je: gelukkig, nu gaan ze in de goede richting. Maar ze zetten niet door.
Christus krijgt het niet voor het zeggen in hun leven. Ze kunnen datgene wat hun leven beheerst, niet loslaten terwille van Hem. Ze proberen twee heren te dienen.
Maar dat komt altijd neer op de miskenning van Christus' koningschap in hun leven. Wie niet tot een werkelijke keuze komt vóór Christus, staat uiteindelijk tegenover Hem.
Zo lag het ook bij Zedekia. Hij wist wel waar hij het zoeken moest. Daarom liet hij Jeremia bij zich brengen.
Maar hij deed het wel in het geheim (37 : 17). Hij was bang voor zijn ministers en raadgevers. Hij voelde zich van hen afhankelijk. Hun invloed op hem was zo sterk, dat hij zich niet openlijk van hen durfde te distantiëren.
Hij durfde zich hun ontstemming en critiek niet op de hals te halen.
Misschien was hij ook bang, dat zij het onderhoud met Jeremia zouden verhinderen en er een stokje voor zouden steken als hij open kaart speelde. Vandaar zijn geheimzinnigheid.
De vorsten mogen geen weet hebben van wat hij doet. Hij kan niet tegen hen op.
Koning en profeet
Daar staat Jeremia dan voor de koning.
Hij is bleek geworden en vermagerd en vervuild door zijn verblijf in de gevangenis. Tegenover hem zit Zedekia, tot in de puntjes verzorgd.
Een grotere tegenstelling in uiterlijk en comfort is niet mogelijk. Als je op het eerste gezicht tussen die twee moest kiezen, zou je zeggen: ik kies de plaats van de koning. Ik heb er helemaal geen behoefte aan met Jeremia te ruilen. Die man is er belabberd aan toe. De koning is heel wat beter af.
Maar die schijn bedriegt. De koning is onzeker. De man op de troon weet niet waar hij aan toe is en zoekt hulp bij die man die in zulke miserabele omstandigheden verkeert. Dat laat weer eens zien, dat niet de uiterlijke omstandigheden het geluk van een mens bepalen. Het is mogelijk alles te hebben wat je hart begeert, in luxe en welvaart te leven en een aanzienlijke positie te bekleden en dan toch in onvrede te leven. Onvrede met jezelf, met je omgeving, met God.
Het kan ook zijn, dat je omstandigheden verschrikkelijk zijn en dat je ontstellend veel moet doormaken, terwijl je toch innerlijke rust hebt: vrede met God. En dan is de man die vrede met God heeft, ondanks de ellendige omstandigheden waarin hij verkeert, beter af.
Zo is het ook hier. De koning zoekt steun bij de gevangene: is er een woord van Jahweh? En Jeremia antwoordt: ja, ge zult in de macht van de koning van Babel gegeven worden.
Een dergelijk antwoord kun je alleen maar geven, wanneer je leeft uit de vrede met God en wanneer die je innerlijk rust geeft.
Vrees niet
Probeert u zich de positie van Jeremia eens goed in te denken. Hij is volkomen in de macht van Zedekia.
Hij heeft al geruime tijd in een vunzig kerkerhol gezeten. Zijn lichamelijke kracht gaat zienderogen achteruit.
Zo jong is hij ook niet meer: al ruim zestig jaar. Hij weet zelf dat hij achteruit gaat. Hij voelt het.
Wat is nu menselijker dan dat iemand in zo'n situatie denkt: laat ik op mijn woorden passen. Laat ik niets zeggen waardoor ik de koning tegen de haren in strijd. Het is beter de stroopkwast te gebruiken. Want met honing vang je nu eenmaal meer vliegen dan met azijn.
Het is toch erg menselijk, als je zo'n machtige figuur die je maken en breken kan, naar de mond praat? Als je dat niet doet, benadeel je jezelf. Dan snijd je zelf de mogelijkheden af om uit dat vunzige kerkerhol te komen.
Misschien maak je hem wel zo kwaad, dat hij je ter dood laat brengen.
Christus zei: wees niet bevreesd voor degenen die je wel kunnen doden, maar die je levensgemeenschap met God niet kunnen afsnijden. Om werkelijk zo onbevreesd te kunnen zijn moet die levensgemeenschap met God dan wel een levensgrote realiteit voor je zijn. Als daar ergens een kink in de kabel zit, breng je die moed niet op. Dan laat je verstek gaan en zoek je mogelijkheden om de dreiging te bezweren.
Maar Jeremia doet dat niet. Hij probeert zichzelf niet uit de moeilijkheden te praten. Hij begint niet met pluimstrijken. Hij gaat het woord van Jahweh niet een beetje afzwakken of ombuigen om zichzelf te beschermen.
Hij zegt zonder omwegen: ge zult in de macht van de koning van Babel gegeven worden.
Dat is geen boodschap die de koning in het gevlij komt, maar die recht toe recht aan is. Het is een harde boodschap, direct en onontkoombaar. Jeremia rept ook met geen woord over een mogelijkheid nog aan het oordeel te ontkomen. Die mogelijkheid is er niet meer. Het oordeel komt. Punt.
Het is niet meer te stuiten of af te wenden.
Verzoek
Dat is het enige dat Jeremia namens Jahweh te zeggen heeft. Maar Zedekia barst niet in woede uit. Hij geeft geen bevel om Jeremia stante pede weer in de kerker te gooien of ter dood te brengen. Misschien is dat wel het zwakke punt van Zedekia: hij wordt niet koud en niet warm. Hij windt zich niet op. Hij maakt zich niet kwaad als het Woord van God hem wordt voorgehouden en hem veroordeelt. Hij laat zich er ook niet door omzetten. Het ráákt hem in wezen niet.
Jeremia maakt van de gelegenheid die hij zo krijgt, gebruik om een verzoek te doen. Wat heb ik tegen u of uw dienaren of dit volk misdaan, dat ge me in de gevangenis hebt gezet? vraagt hij.
Jeremia legt de verantwoordelijkheid voor zijn gevangenschap volledig bij de koning: GIJ hebt me in de gevangenis gezet. Natuurlijk weet hij wel, dat het feitelijk door Jeria en de vorsten gedaan was. Maar hij weet ook, dat er rapport over was uitgebracht aan Zedekia en dat de koning de uiteindelijke verantwoordelijkheid draagt. Daarom zegt hij: GIJ hebt me in de gevangenis gezet.
Maar waarom eigenlijk? vraagt hij.
Wat heb ik misdaan? Ik heb alleen maar het Woord van God gesproken en niets anders. Het bewijs daarvan is inmiddels geleverd. Want waar zijn nu uw profeten die u profeteerden: de koning van Babel zal niet optrekken tegen u en tegen dit land? Die profeten zijn nergens meer. Ze houden zich koest. Al hun mooie woorden en prachtige beloften zijn op niets uitgelopen. Ze bleken leugens te zijn.
Maar alles wat ik gezegd heb, is uitgekomen en gebeurd. Een duidelijker bewijs dat ik het Woord van God gesproken heb, is niet te vinden.
Dat is alles wat ik gedaan heb, zegt Jeremia. Dat is nu mijn misdaad: ik heb het Woord van God gesproken.
En daarvoor ben ik in dat vunzige kerkerhol gegooid. Alleen maar omdat ik het Woord van God doorgaf.
En omdat dit mijn enige misdaad is, verzoek ik u mij niet naar dat hol terug te laten brengen. Want dat zou mijn dood zijn.