Allen verantwoordelijk
1978-11-10
Naar aanleiding van één van m'n laatste artikeltjes ontving ik een reaktie van een broeder waarop ik graag even wil ingaan. Ik schreef over Willem, de jongen die aan drugs verslaafd raakte en tenslotte overleed in een tramstel te Amsterdam. In verband hiermede nam ik het gedicht op van Mevrouw IJkes-Kooger "Ik heb vergaderd enz.". En tenslotte wees ik er op dat de Here Jezus ons straks, als Hij terugkomt, wel eens de pijnlijke vraag kan stellen wat wij voor Willem hebben gedaan, wat we voor hem hebben betekend. En wat zullen we dan antwoorden? Dat we het te druk hadden met vergaderen?- Jaargang 22
- nummer 42
Nu kunt je, als het over die vraag van de Here Jezus gaat, natuurlijk iedere naam invullen. Ten diepste gaat het hierbij over "ons iets zijn voor een ander".
Genoemde broeder wijst in zijn brief op iets wat ik in het bewuste artikeltje niet noemde, nl. de eigen verantwoordelijkheid van Willem en zovele anderen. En daarin heeft hij gelijk. Ieder mens kiest in zijn leven, dat deed Willem ook. Hij koos voor de drugs, voor een leven "van de wereld" en zijn ouders zullen daar ongetwijfeld veel verdriet over hebben gehad. Onze broeder vertelt iets van wat hij in zijn kennissenkring meemaakte: een broeder en een zuster kregen zelf geen kinderen en namen tenslotte een jongetje als kind aan. Ze brachten het met zorg groot, gaven hem een christelijke opvoeding, maar toen hij bijna volwassen was, ging het mis: " ... hij is nu één van de vele druggebruikers die Amsterdam onrustig maken ... "
Daar zit een stuk tragiek in, want U begrijpt dat dit maar een heel klein stukje is van het hele verhaal. En de briefschrijver stelt de vraag: Wie is hiervan de schuld?
Nu, ik wil graag duidelijk zeggen dat ik de schuld beslist niet wil zoeken in de richting van de bewuste pleegouders van die jongen. Natuurlijk zullen zij ook fouten hebben gemaakt, maar wellicht niet méér dan andere ouders. Ze zullen vooral ook veel voor hem gebeden hebben.
Maar dat ging het nu in mijn "in memoriam" niet om. Ik probeerde iets te laten zien van het feit dat wij allen met elkaar, als christelijk volksdeel, als gemeente van de Heer, vaak zo weinig doen - vaak zo weinig wéten te doen - voor zulke jongens en duizenden andere verbondskinderen die op de een of andere wijze van God vervreemden en zelfs in de goot terecht komen.
Ik heb er in deze rubriek wel vaker op gewezen dat we maar eens heel voorzichtig moeten zijn of worden om de wijsvinger uit te steken naar ouders van wie de kinderen de verkeerde kant opgaan.
Juist in dat in de richting van de ouders kijken - zo op de manier van "moet je eens zien, dat is er één van die of die" - zit een stuk burgerlijke braafheid, een stuk onmenselijke laksheid, om die termen nog eens te herhalen. Hoeveel ouders zijn er vandaag niet die tobben over schuldvragen bij hen zelf, maar hoe weinig ouders ontvangen daadwerkelijke steun van b.v. ouders wier kinderen "netjes" hun weg gaan.
Hoeveel christenen liggen vandaag wakker van de ellende waarin veel verbondskinderen verkeren? Wat weten wij met elkaar voor antwoorden te geven als een jongen als Willem je met vragende ogen aankijkt?
Wij denken vaak het allemaal zo goed te weten, maar in de praktijk staan we met de mond vol tanden.
Natuurlijk, Willem blijft verantwoordelijk voor zijn daden.
Maar wij blijven verantwoordelijk voor de wijze waarop we omzien naar mensen in nood.
We hebben het druk met allerlei dingen, we hebben onze vergaderingen en ik doe er zelf aan mee.
Maar de vraag van Mevrouw IJskes-Kooger blijft aktueel: maken we ons niet te druk met vergaderen, terwijl ander werk blijft liggen?
Als christenen pretenderen we een woord voor de wereld te hebben. We hebben een antwoord: Jezus redt, Jezus verzoent. Maar wat brengen we er van terecht als we daarvan iets moeten vertellen aan een ander?
Hóe praten we er over als we een jongen of een meisje ontmoeten die van Gods liefde niets meer weten wil?
Tenslotte nog dit: de briefschrijver is bang dat degenen die te lui zijn om eens iets te doen in Gods gemeente zullen lachen om wat ik schreef over dat vergaderen.
Nu, als dat zo is, laten dan ook die lachers zich niet vergissen.
Want ook aan hen kán die pijnlijke vraag worden gesteld: wat deed je voor een ander. En wat zullen zij dan antwoorden? Dat ze zo nodig televisie moesten kijken of moesten knutselen in hun huis of zo nodig een waardeloos boekje moesten lezen?
De vraag van de Here Jezus raakt ont allen. Zonder uitzondering.
De dood van een verbondskind door een overdosis heroïne raakt allen, niet alleen de ouders.
Het weglopen van een kind van God bij Gods gemeente vandaan raakt allen, ook de ouders van goed oppassende kinderen.
Als één lid lijdt, lijden immers alle leden?
Is dáár ook iets van te zien?