BIDDEN

1978-11-17
  • Jaargang 22
  • nummer 43
"Hij sprak tot hen een gelijkenis met het oog daarop, dat zij altijd moesten bidden en niet verslappen."

Luc. 18: 1-8

De Here Jezus stelt in het gelijkenisje van de onrechtvaardige rechter de zaak van het bidden aan de orde. Hij doet dat als waarachtig mens en als waarachtig God. Als waarachtig mens weet Hij van onze gebeds-moeite. Als waarachtig God kent Hij het hart van zijn Vader, dat overvloeit van liefde en aandacht voor zijn kinderen. Wat kent Jezus ons goed en wat kent Hij zijn Váder goed - dat is wat we vanuit deze gelijkenis tegen elkaar mogen zeggen.
De belijdenis dat Jezus Christus waarachtig God en mens is, kan voor ons gemakkelijk iets abstracts krijgen.
'Jezus Christus God en mens' is dan niet een woord uit het leven, maar een zin uit het boekje; meer behorend tot de dogmatiek, de grammatica des geloofs, dan tot de levende geloofstaal. Daarom is het goed om in een springlevende gelijkenis als die van de onrechtvaardige rechter deze grondbelijdenis van de gemeente te zien opstaan in de zo gewone woorden van de Heiland, die schijnbaar over heel andere dingen gaan.
Jezus kent onze gebeds-moeite en onze aanvechting om er mee op te houden. Daar hobbelt Hij niet licht overheen. Hij zegt niet: 't valt wel mee. Nee, met een paar zinnen zet Hij voor ons een gelijkenis neer, waarin Hij de kansloosheid uitbeeldt.
Hij bedoelt daarmee een herkenning op te roepen. Hij kijkt ons vanuit dit gelijkenisje aan en zegt: is het niet zo dat je je als biddend mens vaak voelt als die vrouw? Even kansloos? En wij voelen ons op heterdaad betrapt, of liever: ten diepste gekend.
Maar gaat dit niet ten koste van iets? Jezus' beeldspraak is toch gewaagd, bijna verdachtmakend voor God. "Er was in een stad een rechter die God niet vreesde en geen mens ontzag." Is dit God?
Nee, maar zo lijkt God soms voor ons, ongenaakbaar en willekeurig.
Terwijl wij onszelf mogen herkennen in die hulpeloze weduwe die telkens tot deze vreselijke man komt om haar recht. De rechter en de weduwe - twee oerbijbelse typen. De rechter die naar God verwijst, zo zeer dat hij zelfs wel god heet (zie Ex. 22 : 9 en Ps. 82 : 1) en de weduwe als voorbeeld van de deerniswekkende, op hulp van God en de medemensen aangewezen mens. Wat horen ze bij elkaar! De rechter is de aangewezene bij uitstek om de weduwe te helpen, vertegenwoordiger als hij is van God die helpt in nood.
Maar het uiterst pijnlijke is hier dat de rechter de vijand is geworden van de weduwe, terwijl hij toch als man van het recht God blijft vertegenwoordigen. Hier is de hulpbehoevende mens die aan alles en dan ook nog aan zijn God moet wanhopen. Dat beeldt Jezus uit.
Hoe kàn Hij! Werpt Hij met deze gelijkenis geen smaad op zijn Vader? Doet Hij niet te kort aan Gods eer? Maar de mens is sedert de val in zonde de verdwaalde mens, op de vlucht voor God, bang voor zijn hemelse Vader. Ook als hem gezegd wordt, dat hij tot God mag bidden en hij gelooft dat en bouwt een gebedsleven op - ook dan nog kan God hem als een God van willekeur toeschijnen, die zich om zijn recht niet bekommert.
Jezus wil dat wij weten dat Hem deze gevoelens bekend zijn. Hij wil dat wij zijn menswording volstrekt serieus zuIlen nemen. "In aIle dingen op gelijke wijze als wij verzocht" (Hebr. 4 : 15). Ik weet wel dat daarachter aan komt: "doch zonder te zondigen", maar dat neemt de realiteit van de verzoeking niet weg. En de verzoeking heeft juist in zijn Gods-verhouding zo toegeslagen. In psalm 22 – Zijn psalm! - lezen we: "Mijn God, ik roep des daags, en Gij antwoordt niet, en des nachts, en ik kom niet tot stilte." En deze psalm begint met de klacht die we ook van het kruis kennen.
Het moet ons bemoedigen dat ook Hij aan onze gebedslast getild heeft.
Als Hij ons op dit vitale punt vreemd zou zijn en wij Hem, zou dan zijn menswording niet onder een groot, een te groot voorbehoud staan? Kansloos - zo heeft ook Hij zich al biddend wel gevoeld.
Anders zou in zijn geest nooit deze gelijkenis van de kansloosheid hebben kunnen opkomen.
Toch zit er in deze gelijkenis zoals vaker - een wending die niet logisch is. Het is immers een onwaarschijnlijkheid in het verhaal dat deze bruut van een rechter slechts een tijdlang niet wilde luisteren. Nog onwaarschijnlijker wordt het als we hem daarna .ioren zeggen: "AI bekommer ik mij niet om God en al stoor ik mij aan geen mens, toch zal ik, omdat deze weduwe het mij moeilijk maakt, haar recht verschaffen; anders komt zij mij tenslotte nog in het gezicht slaan." Logischer ware het dat hij, met weglating van zijn zelfportret, zou zeggen: de volgende keer laat ik dat mens van de stoep vegen. Hij was immers
een rechter die God niet vreesde en geen mens ontzag? Toch ontziet hij deze weduwe, zij het ook na een tijdlang.
Hiermee maakt Christus een muizegat in deze gelijkenis van de kansloosheid. De kansloosheid is ook slechts kansloosheid naar mensen-oordeel. God neigt de harten, ook die van onrechtvaardige rechters, als waterbeken. Zo is het aanhouden, het drammen tot schaamrood wordens toe van deze vrouw toch niet tevergeefs. Zij kruipt door het uitgespaarde muizegat heen. Maar dat dit niet erg waarschijnlijk is, geeft Christus zelf aan, als Hij opmerkt: "hoort, wat de onrechtvaardige rechter zegt!" Hoort, want dit is van die bruut ook ongehoord. Deze wending zat er eigenlijk niet in.
Dit is dan ook het moment dat Jezus plotseling van de andere kant af begint te spreken. Tot nu toe heeft Hij met ons, vermoeide en tot verslapping geneigde bidders, opgelopen. Als waarachtig mens, die óók tegen de klippen op gebeden heeft. Maar nu stelt Hij zich op aan Gods kant en begint vanuit het hart van zijn hemelse Vader te spreken. "Zal God dan zijn uitverkorenen geen recht doen, die dag en nacht tot Hem roepen, en laat Hij hen wachten?" Hier is Christus waarachtig God, die geheel thuis is in het hart van zijn Vader. Volkomen zeker van Gods gezindheid zegt Hij dat God zijn geliefden niet laat wachten .
Vooral de troetel-naam 'uitverkorenen' valt hier op. Vergelijk hiermee eens de verhouding die eerder aan de orde was, die tussen de rechter en de weduwe. De weduwe was van de rechter allerminst een uitverkorene, eerder een verworpene. Maar nu werpt de Heiland van God uit licht op het hele gebedsgebeuren en nu heerst een heel andere toon. Nu wordt opeens het bidden een spreken als tussen geliefden. Christus maakt ons hiermee verlangend naar het bidden. "Ik zeg u, dat Hij hun spoedig recht zal verschaffen."
Hoe weet Christus dat? Wel, Hij komt toch uit de liefde van God vandaan? Hij geeft hier inside information van de andere kant.
Hij verzekert ons hier van de haast die God maakt met ons recht.
Als zelfs dat beest van een rechter uiteindelijk bloed voor het hart krijgt, hoeveel te meer dan God voor Zijn uitverkorenen, Zijn geliefde kinderen en erfgenamen.
Maar, welk beeld van God wint het nu bij ons die bidden? Het menselijke of het goddelijke? Voor het laatste beeld is geloof nodig, voor het eerste niet. Daarom zegt Jezus op het slot: "Doch, als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof vinden op aarde?"
Het is wel fijn, te merken dat Jezus onze gebedsmoeite ook kent.
Wat komt Hij ons daarin nabij!
Maar het is toch nog fijner, te merken dat Hij tegen die moeite iets doet, dat Hij er heerlijke openbaring tegenover stelt: denk erom, geliefden, mijn Vader neigt zijn oor. Christus kent de moeite van het bidden, want Hij is mens.
Maar Christus weet ook, dat 't de moeite loont om te bidden, want Hij is Gods Zoon. Dat Hij God is, is toch meer dan dat Hij mens is.
Dat Hij mens is, is pas evangelie, omdat Hij God is.
Sprekend vanuit het bijzijn bij God, roept Christus ons op tot geloof en ... gebed. "Toe maar, houd maar vol, het loont de moeite, ook al ken Ik je neiging er mee op te houden."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief