De wet voor de mens
1978-11-24
"... en dit is de wet voor de mens, Here, HERE."- Jaargang 22
- nummer 44
2 Samuël 7: 19
David wilde voor de Here zijn God een huis, een tempel bouwen.
Nathan de profeet, aan wie hij dit plan met een half woord voorlegde, juichte het voornemen geestdriftig toe. Dat is nog eens een koning, zal hij gedacht hebben, zodra hij de handen vrij heeft van de vijanden rondom, spant hij zich in voor de dienst van zijn God. "Welaan, doe al wat in uw hart is, want de Here is met u." Tevreden ging Nathan slapen; het was een fijne dag geweest. 'Profeten' maken weleens andere dingen van 'koningen' mee.
Maar in de nacht die volgt zegt God toch nee. Een huis bouwen?
Maar Ik ben toch nog volop onderweg? Het is nog geen tijd voor thuis komen! Stel je voor dat God in Davids dagen reeds alles in allen had willen zijn. Lang nog niet alles was er, lang nog niet allen waren er. Nu al? zouden de engelen teleurgesteld gezegd hebben.
En dus wordt de tempelbouw uitgesteld.
Davids zoon mag het doen.
Salomo, hetgeen vertaald betekent Frederik de Grote. Was God in Salomo's dagen dan wèl klaar?
Nee, dat niet. En daarom was Salomo's tempel ook iets voorlopigs, omdat een rijk met een troon nu eenmaal niet zonder tempel kon. Salomo trouwens was zich die voorlopigheid zeer goed bewust.
Hij zei: "Zou God dan waarlijk op aarde wonen? Zie, de hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan U, (Here) niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb" (1 Kon. 8 : 27). Salomo's tempel was allerminst de definitieve woonstede van God.
Toen de Here zei: Uw zoon mag het doen, bedoelde Hij dan ook niet eigenlijk Salomo. Die paste wel in dit woord, maar dan bleven er nog grote ruimten over. Wie was de uiteindelijk bedoelde Zoon?
Daarvoor moeten we letten op de meest centrale en daarom ook wel plechtige zin van heel 2 Samuël 7: "Ook kondigt de HERE u aan: De HERE zal u een huis bouwen"
(vs. 11). Niet David bouwt voor God een huis. maar God bouwt voor David een huis, dat wil zeggen: een dynastie, een erfelijk koningschap. En de zoon uit die gegeven dynastie, die zal voor de Here een huis, een tempel bouwen.
Dus toch Salomo? Want ieder kind is toch een gave Gods? Zeker, maar van Salomo kan toch niet gezegd worden dat God zijn koninklijke troon voor immer bevestigd heeft.
We worden wel degelijk heengeleid naar een zeer bijzondere Zoon van David. Eén, die in een bijzondere verhouding tot God zou staan: "Ik zal hem tot een vader zijn en hij zal Mij tot een zoon zijn" (vs. 14).
Een zeer bijzondere zoon voor het zeer bijzondere werk: het bouwen van een tempel voor de Here, een woonstede Gods in de Geest, waarin Hij zou kunnen zijn alles in allen. We weten: Jezus Christus.
Tot de tijd van David heeft 't er veel van dat de geschiedenis van het heil afhankelijk is van de gehoorzaamheid der mensen. God schakelt mensen in voor Zijn heilsplan, maar als deze mensen verstek laten gaan, brengen zij het heil aan het wankelen. In de tijd van de Richteren zie je dat duidelijk. Je houdt je hart erbij vast: afvalstraf - bekering - verlossingweer afval - weer straf enzovoorts. Dat kan toch op de duur zo niet voortgaan? Israëls geschiedenis lijkt zo opgenomen in de wet van opgaan, blinken en verzinken. Of 'lijkt' - zo is het ook. En het heil lijkt met dat verzinken mee onder te gaan.
Staat niet alles onder de drukkende last van een 'indien'? "Indien gij aandachtig luistert naar de stem van de HERE uw God en al zijn geboden die ik u heden opleg, naarstig onderhoudt, dan zal de HERE uw God u verheffen boven alle volken der aarde" (Deutr. 28 : 1). Maar: "Indien gij niet naarstig onderhoudt ... dan zal de HERE u en uw nageslacht ongemeen zwaar tuchtigen met felle, aanhoudende slagen en boze aanhoudende ziekten ... totdat gij verdelgd zijt" (vs. 59-61). Het lijkt alsof hiermee de hele voortgang van het heil afhankelijk gesteld is van de gehoorzaamheid van het volk.
Inderdaad staan we hier voor de geopenbaarde dingen: Zegen en voortgang bij gehoorzaamheid, straf en afloop bij ongehoorzaamheid.
Dat er daarachter bij God toch nog voortgang is, ondanks lsraëls ongehoorzaamheid, dat behoort tot de verborgen dingen, die Mozes nog niet heeft mogen openbaren. (Deutr. 29 : 29). En het is daarmee dat God in Davids dagen begonnen is: ook kondigt de Here u aan ...
Dit is wat de belofte aan David I,;ehelst:Ik zal jou een huis touwen, een dynastie geven en binnen die dynastie zal Ik Mij een Davidszoon bereiden, die ontheven zal zijn aan die grondwet der geschiedenis, die niet meer onderworpen zal zijn aan het opgaan, blinken en verzinken, aan wiens vaste hand de bouw van Mijn huis toevertrouwd kan worden. En vanaf dit moment is de geschiedenis van het heil ontspannen en de geschiedenis van het verbond ontkrampt.
Daarom is 2 Samuël 7 zo belangrijk in de Schrift.
O zeker, ook in Davids huis zien we de 'wet' der geschiedenis werkzaam in het opgaan, blinken en verzinken. De' kracht van deze 'wet' is de zonde. Zo lezen we het dan ook: "Wanneer hij ongerechtigheid bedrijft, zal Ik hem - de Davidszoon - tuchtigen met een roede der mensen en met slagen der mensenkinderen" (vs. 14). Dit heeft zulke vormen aangenomen dat psalm 89 in de ballingschap klaagt: "het verbond met uw knecht (David) hebt Gij te niet gedaan, zijn kroon ter aarde toe ontwijd" (vs. 40).
En toch eindigt de Davids-lijn niet in het-ledige. Dat is de kracht van de belofte in 2 Samuël 7. Ondanks alle tuchtiging en slagen over de Davidszoon, "zal Mijn goedertierenheid van hem niet wijken, zoals Ik die wèl heb doen wijken van Saul ... " (vs. 15). Al is de Davids-lijn bij tijden ook weggezonken beneden het niveau van Saul, toch is deze lijn uitgelopen op een eeuwig koningschap, krachtens Gods vrije, onafhankelijke genade.
Een vergelijking. Toen God de wereld schiep, stelde Hij Adam aan tot een hoofd over al het geschapene.
Van zijn gehoorzaamheid was het goed functioneren van de schepping afhankelijk. Toen hij viel, sleurde hij de hele schepping mee in zijn val. Dat kwam pas bij de zondvloed in al z'n verschrikkelijkheid aan het licht. Toen wankelden de ordeningen van hemel en aarde vanwege de goddeloosheid der Adamskinderen.
Na de zondvloed zei God: Ik ga het anders doen .,Ik zal de aardbodem niet weer vervloeken om de mens, omdat 't voortbrengsel van des mensen hart boos is van zijn jeugd aan ... Voortaan zullen, zolang de aarde bestaat, zaaiing en oogst, koude en hitte, zomer en winter, dag en nacht niet ophouden."
Hier worden de ordeningen van hemel en aarde onafhankelijk gemaakt van de menselijke gehoorzaamheid. Sindsdien gaat Gods zon op over bozen en goeden, waarover we ons verbazen.
Wat God bij Noach in het rijk der natuur gedaan heeft, doet Hij bij David in het rijk der genade.
Daarom kunnen later in de profetie het Noachietisch verbond en de Davidsbelofte met elkaar vergeleken worden: " ... Indien gij mijn verbond aangaande dag en nacht kunt verbreken, zodat er geen dag en geen nacht meer zou zijn op hun tijd, dan zal ook Mijn verbond met mijn knecht David verbroken worden, dat hij geen zoon meer hebben zal, die koning is op zijn troon ... " (Jer. 33 : 20, 21). Het Davidsverbond is 'vast als de hemel zelve', zegt psalm 89.
Dit is de wet voor de mens - heeft David in zijn ontroerend dankgebed van deze goddelijke beschikking gezegd (vs. 19). De wet voor de mens is uiteindelijk niet: gij zult ... Waar dit op uitloopt, laat de geschiedenis van Israël en de gemeente duidelijk zien. Langs die weg krijgt de Here nooit een huis, komt Hij nooit tot zijn rust, zal Hij nooit zijn alles in allen. Nee, de Here zal het voor mij voleinden, dat is de uiteindelijke wet voor de mens. Het is ook het evangelie voor de mens. Het evangelie van Jezus Christus, Davids Zoon. Binnen dit evangelie komt dan de wet van 'gij zult .. .' ontspannen ter sprake.