BIJBEL EN ARBEID
1978-11-24
- Jaargang 22
- nummer 44
Inleiding
Onlangs mocht ik op een bijbelstudieweekend spreken over de betekenis en de zin van de arbeid. Vanwege de omvangrijkheid van het onderwerp en ook vanwege het gevaar dat de bespreking in het gedrang zou komen, heb ik aan de deelnemers de uitgewerkte hoofdpunten van mijn betoog doen toekomen. Desgewenst kon men dan al thuis wat voorstudie maken.
Maar bovenal dienden deze inleidende opmerkingen om de deelnemers aan dit weekend vertrouwd te maken met de problematiek.
Het is niet ondenkbaar dat ook de lezers van Opbouw belangstelling hebben voor deze inleidende opmerkingen. Vandaar dat ik deze nu zonder commentaar doorgeef. Eén opmerking nog. Vanwege de kracht van deze moderne dwaling, heb ik vooral aandacht besteed aan het marxisme.
1. In de moderne geïndustrialiseerde samenleving komt de vraag naar de zin van de arbeid als een uitdaging op ons af. En dit wel vanwege twee ontwikkelingen in de samenleving of zo men wilt vanwege twee standen van zaken.
In de eerste plaats is er de ontwikkeling in het economisch leven waardoor het steeds moeilijker wordt voor de mens om arbeid en het liefst passende arbeid te vinden. De technologische ontwikkeling gaat een steeds dreigender aangezicht krijgen. Zal er nog wel genoeg werkgelegenheid zijn of moeten we erop rekenen dat er in de toekomst permanente werklozen zijn? Daardoor krijgt de vraag naar de zin van de arbeid wel een navrante betekenis.
Wat heeft het nu voor een zin om te vragen naar de zin van de arbeid als er voor vele mensen geen arbeidsmogelijkheid meer is? Wat heeft het voor een zin om te vragen naar de betekenis van de arbeid als men de technologische uitstoting van mensen uit het arbeidsproces nauwelijks ter discussie stelt in christelijke kringen.
In de tweede plaats hebben wij, vooral als christenen te maken met de uitdaging vanuit radicaal-marxistische richting.
Een richting die zich richt op een bestudering van de bewegingswetten van het kapitalisme. Vanuit deze studie formuleert een marxist een antwoord op de vraag naar de zin van de arbeid.
En de wereld kijkt toe of wij in staat zijn om de bijbelse zin van de arbeid te laten concurreren met de marxistische zingeving. Ook de marxist is op weg naar het beloofde land en wiens toekomstig land geeft aan de moderne mens de beste perspectieven?
Gaan wij in op de door de marxisten aangedragen problematiek of willen wij tegenover deze problematiek het echte vaandel van het evangelie opheffen?
2. In de bijbel wordt veel over de arbeid gesproken. Men vindt er regels voor de dagelijkse arbeid. De arbeid is opdracht en daarom is de arbeider ook zijn loon waard. De arbeid heeft volgens de bijbel meer te betekenen dan alleen maar een middel om geld te verdienen en daarmede in zijn levensonderhoud te voorzien. Weliswaar valt ook de arbeid onder de gevolgen van de zonde en wordt de arbeid dikwijls terecht als een last ervaren, maar dat neemt niet weg dat uiteindelijk de vruchten van onze arbeid ons zullen navolgen.
Er zijn in de bijbelse visie op de arbeid enkele fundamentele gegevens te onderkennen. Of anders gezegd de bijbelse visie op de arbeid wordt geschraagd door minstens drie fundamentele geloofswaarheden.
In de eerste plaats is er sprake van een cultuuropdracht waardoor de arbeid van de mens onder een complex van normen valt.
De mens is in deze wereld met een roeping om dienstbaar te zijn.
Daarbij is sprake van tweeërlei dienstbetoon die a.h.w. elkaars toetssteen zijn en een onlosmakelijke eenheid vormen.
Er is een dienstbetoon aan God, de Schepper en Onderhouder van al het geschapene en er is een dienstbetoon aan de naaste, die mens is en daarmede normatief gezien kroon van de schepping.
De zin van de arbeid concentreert zich rondom het dienstbetoon.
Achter elke vorm waarin de arbeid zich voordoet en in welke maatschappelijke orde ook, achter dit alles moet worden gezien de dienst aan God en de dienst aan de naaste.
Hierin, en dat kan nimmer uitgewist worden, staat het christelijk denken over de zin van de arbeid antithetisch tegenover de marxistische beschouwing van de mens als drager van arbeidskracht. De marxist wil ook werken voor de naaste maar negeert hiermede de Schepper van de naaste.
In de tweede plaats is er de geloofswaarheid dat God met de opdracht tot arbeid ook de belofte van de beloning geeft. God stelt zich a.h.w. verantwoordelijk voor het levensonderhoud van de mens en Hij zal de mensheid richten inzoverre er verhoudingen in deze wereld zijn waardoor mensen sterven van de honger omdat er geen werk en geen eten is. De bede om ons dagelijks brood heeft een beloftekarakter. En God heeft een rustdag ingesteld en verbindt aan de onderhouding van de rustdag grote beloften voor ons welzijn.
De bijbel spreekt van de regeermacht van Christus aan wie alles en allen onderworpen zijn en dezelfde Christus heeft ons leren bidden om ons dagelijks brood. Dat brood is fundamenteel gezien dan ook gegarandeerd.
De marxist weet alleen van de mens die in het raam van de ontwikkeling van de samenlevingsverhoudingen op weg is naar het zelf gebouwde koninkrijk dat louter van deze wereld is. Hij is samen op weg met de leden van één klasse.
En tenslotte is er de geloofswaarheid betreffende de gang van de wereld en de ontwikkeling van de mensheid naar het einde. Voor deze ontwikkeling dragen wij de volle verantwoordelijkheid. Dit vraagt om een visie op deze ontwikkeling.
Ook de marxist weet van een ontwikkeling, maar deze visie heeft geen kennis aan Gods leiding in de historie.
3. Nu moet in dit verband toch wel voor een misvatting worden gewaarschuwd.
Vele mensen denken als zij over het marxisme horen, aan politieke systemen waarin er geen vrijheid van godsdienst is en waarin alles van boven af wordt geregeld. Nu zit daar wel een kern van waarheid in maar het gaat bij het marxisme toch wezenlijk om andere dingen. De echte marxist hecht veel waarde aan de marxistische methode. De marxist is van mening dat slechts de marxist inzicht kan hebben in de echte bewegingen van de samenleving.
leder die geen marxist is, blijft steken in de oppervlakkige verschijningsvormen.
En voor de christen geldt dit, aldus de marxist, nog sterker omdat zijn blik vertroebeld is als ware hij in de ban van de opium. Als de marxist over de arbeid spreekt, moet men altijd bedenken dat hij het heeft over een maatschappelijk verschijnsel in de menselijke geschiedenis.
De geschiedenis van de mensheid is niets anders dan de geschiedenis van de klassestrijd. In deze geschiedenis vervreemdt de mens van zijn menszijn.
De arbeider omdat hij niet meer kan beschikken over het product van zijn handen. Hij moet een deel van zich zelf verkopen. Maar ook de "baas" raakt vervreemd doordat hij zijn mede-mens gedwongen moet uitbuiten.
Gedwongen vanwege de grondwet 'van het kapitalisme.
Maar de marxist is ook een optimist. De marxistische leer houdt in dat het kapitalisme, dat het systeem waarin de arbeidskracht louter een waar is, gedoemd is te verdwijnen. Daar wijzen alle verschijnselen op. De arbeider wordt van loonslaaf weer een vrij mens, een maatschappelijk bewust wezen. De arbeid wordt op de duur een zelfstandige beslissing van de vrije mens die zich zijn verantwoordelijkheid bewust is.
Ten aanzien van deze fundamentele stellingname kan de christelijke leer niet marchanderen. Het gaat uiteindelijk niet om het al of niet geleid zijn van een bedrijfsleven door de overheid. Het gaat om de zin van de mens.
Zal de mens beelddrager Gods zijn, ook en juist in zijn arbeid? Of zal de mens beelddrager zijn van de souvereine mens die erin slaagt om toch de toren van Babel te bouwen?
Zal de arbeidende mens verlost worden langs de weg van de ontwikkeling van het kapitalisme naar een klassesloze maatschappij of zal de verlossing uiteindelijk alleen op Golgotha worden gevonden en vandaar uitstralen naar het complex der normen van de maatschappelijke verhoudingen?
4. Wij hebben echter te doen met de werkelijkheid van alle dag. En deze werkelijkheid laat zien dat het in de moderne samenleving moeilijk wordt om mensen aan het werk te houden.
Vooral het verschijnsel van de jeugdwerkloosheid neemt verontrustende vormen aan. Er is gewoon niet genoeg werk voor de werkwilligen. In de traditionele liberale visie zoals die in het verleden wel werd verkondigd had men niet veel moeite met het werkloosheidsverschijnsel. Men geloofde in het vrije spel der maatschappelijke krachten.
Wij geloven niet meer in dit oud-liberale optimisme. Wij rekenen met blijvende en structurele werkloosheid. Een werkloosheid die slechts is op te lossen wanneer de beslissingsvrijheid in het bedrijfsleven wordt ingeperkt en een andere richting gegeven.
Maar er blijft in het zuiver economisch denken één ding onaangetast, nl.
de idee dat de arbeider leverancier is van arbeidskracht. Nu het marktmechanisme niet in staat is om evenwicht te brengen tussen vraag naar en aanbod van arbeidskracht, nu moet er iets anders worden gevonden.
Maar de arbeid is een gewone productiefactor en van een unieke plaats van de mens als hoofd van de schepping, daar is geen sprake van.
En dat is de tragiek. Er worden allerlei pogingen gedaan om in de werkelijkheid van alle dag de werkloosheid op te heffen en om de mens in staat te stellen te arbeiden. Maar waar blijft de unieke plaats van de mens?
Uniek in deze zin dat de mens geroepen is om zinvol bezig te zijn.
En nu is het duidelijk dat bezig-zijn niet altijd behoeft te betekenen in een onderneming werkzaam te zijn of bij andere instellingen in dienstverband.
Maar het gaat om het zinvol bezig zijn en daarom wijst de vraag naar de zin van de arbeid uiteindelijk heen naar een samenleving waarin de mens zowel in als buiten de werksituatie zinvol bezig kan zijn. De zin van de arbeid is de vraag naar de zin van de mens.
Het gaat bij de vraag naar de zin van de arbeid niet alleen om de vraag of de mens wel in het arbeidsproces is ingeschakeld. De vraag naar de zin van de arbeid heeft te maken met het zijn, het bezig-zijn van de mens in de samenleving.
5. En dan komen wij, als wij de werkelijkheid zien, in grote verlegenheid.
Wat betekent arbeid in bijbelse zin als wij leven in een samenleving waarin men heel bewogen spreekt over de mens in het arbeidsproces, maar tegelijkertijd de mens slachtoffer laat worden van de technische ontwikkeling?
Er is een verlegenheid omdat wij niet zomaar een pasklaar antwoord hebben. Wij worden omgeven door energieën van dwalingen, dwalingen van humanisme, liberalisme, marxisme en pragmatisme.
Er is een verlegenheid omdat er zoveel weerstanden zijn tegen de doorwerking van de bijbelse boodschap, omdat dan ook de bevoorrechte posities van vele christenen ter discussie moeten worden gesteld.
Er is verlegenheid omdat het antwoord op de vraag naar de zin van de arbeid met zich mede brengt dat wij moeten breken met de ongebreidende zucht naar welvaart; breken met de tomeloze uitputting van het milieu; moeten breken met de concentratietendentie in onze samenleving waardoor er a.h.w. steeds meer staten binnen de staat komen.
Kortom breken met bestaande ordeningen en machtsverhoudingen.
En dat breken lukt niet.
Daarom kunnen wij slechts partiëel werken en onze activiteiten richten op onderdelen; onze getuigenissen laten slaan op facetten van de samenleving.
We zullen ons moeten afvragen of het niet waardevol is om welvaart op te offeren om dan via de kleinschaligheid van de productie meer mensen zinvol te laten werken.
Wij zullen ons moeten afvragen of een vol-continu bedrijf wel de werkvloer is waarop de arbeider zinvol kan arbeiden als mens. En zo zijn er nog veel van dergelijke vragen.
Het christelijk denken over de arbeid moet wel worden gedragen door het geloof in de betere toekomst, maar tegelijkertijd gaat het in het christelijk denken om deze aarde. Christelijk denken betrekt zich op deze aarde en is daarmede verbonden.
En daarom zal de visie op de zin van de arbeid niets anders kunnen zijn dan een visie op de maatschappij. Een idee van een aardse samenleving waarin er voor ieder mens een zinvol bezig-zijn is. Bezig zijn in de ontplooiing van de wereld en hierin bezig zijn in de dienst aan God en aan de naaste.