JEREMIA

1978-11-24
  • Jaargang 22
  • nummer 44
Zigzagkoers (vervolg)

Onwillekeurig moeten we bij Zedekia denken aan de man die Jacobus in zijn brief ten tonele voert: de man die twijfelt als hij bidt. Twijfel is een gebrek aan vertrouwen. Zo'n man is als een golf van de zee. Hij wordt heen en weer geslingerd. Hij is ongestadig in al zijn wegen. Hij moet niet denken dat hij iets van de Here ontvangen zal.
Zo was Zedekia: ongestadig, zigzaggend.
Want hij gaf de HERE niet de beslissende en beheersende plaats in zijn leven. Hij liet zich niet in alles door Hem leiden en durfde niet op Hem te vertrouwen. Hij ontving dan ook inderdaad niets van de HERE.
Zigzaggend ging hij zijn ondergang tegemoet.
Mensen die Christus niet helemaal uit hun leven wilIen wegstoten, maar ook niet met hun hele hart voor Hem kiezen, varen geen vaste koers. Ze zigzaggen door het leven en missen de haven. Ze moeten niet denken dat ze iets van de HERE ontvangen.

Ebed-Melech

Ebed-Melech ontving wel iets. Hij was geen Israëliet. Hij hoorde niet bij de kerk. Mogelijk was hij een eunuch, een ontmande. Het woord dat met hoveling vertaald is (38 : 7), betekent nI. ook eunuch. Dat wil zeggen, dat hij, zelfs als hij een Israëliet geweest was, toch geen toegang gehad zou hebben tot de samenkomsten van de gemeente (Deut.
23 : 1). Maar Ebed-Melech geloofde wel. In heel zijn optreden gaf hij er blijk van op Jahweh te vertrouwen (39: 18). En dat is immers geloven.
Ze zijn er: gelovigen buiten de kerk.
Ze komen in geen enkele kerkelijke administratie voor. Maar Gods administratie kan wel eens anders zijn dan de onze. Ebed-Melech, de Ethiopiër, die niet tot Gods verbond behoorde, geloofde God. Hij vertrouwde op Jahweh. En dat werd hem tot gerechtigheid gerekend.
Dat is beschamend voor de kerkleden.
En je hoort de Here Jezus zeggen: velen zullen komen van Oost en West en zullen aanliggen met Abraham en Izak en Jacob in het Koninkrijk der hemelen; maar de kinderen van het Koninkrijk zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis (Matth. 8: 11, 12). Beschamend ook vandaag, als je ziet dat niet-kerkleden vaak meer bewogen zijn en begaan met de vernederden en vertrapten in de wereld dan tal van kerkleden. Van alle besneden hovelingen en vorsten was er niemand die voor Jeremia op durfde komen en daardoor blijk gaf op Jahweh te vertrouwen. Deze onbesneden en misschien ook ontmande Ethiopiër doet dat wel. Daarom ontvangt hij wel iets van de HERE: Ik zal u redden (39: 17), u doen ontkomen en uw leven zal u ten buit zijn (39 : 18).
Dat is Gods gave aan allen die op Christus vertrouwen, of ze nu wel of niet staan ingeschreven in een kerkelijke ledenadministratie. Want wie de Naam des Heren aanroept, d.w.z. wie op Hem vertrouwt, zal behouden worden en het eeuwige leven ten buit hebben.

JEREMIA 32

Stijgende nood

Jeruzalem staat op het punt ingenomen te worden door de Babyloniërs.
De situatie in de stad is uiterst kritiek.
De honger begint toe te slaan.
De voedselaanvoer van buiten de stad is afgesloten. Het is onmogelijk nog iets eetbaars de stad binnen te krijgen.
Vanwege het nu al zo lang durende beleg - het heeft met een korte onderbreking anderhalf jaar geduurd!
- zijn de broodrantsoenen minimaal geworden en volkomen ontoereikend.
Dieren zie je al niet meer in de straten van Jeruzalem. Die zijn al geslacht voor de consumptie. Er zijn al mensen gestorven van de honger.
Anderen zijn zo verzwakt, dat ze geen weerstand meer hebben tegen ziekten. Het sterftecijfer in de stad stijgt snel. De straten van Jeruzalem worden stil. Er is weinig vertier meer. En de angst voor wat er nog staat te gebeuren, heeft bezit van de mensen genomen.
Buiten de muren van Jeruzalem blijven de Babyloniërs langzaam maar zeker de strop steeds nauwer aanhalen.
Ze hebben geen haast, maar gaan wel heel efficiënt te werk. De ring van belegeringswallen die ze hebben opgeworpen, wordt steeds dichter naar de stad toegeschoven. Die wallen zijn de stadsmuur nu zo dicht genaderd, dat ze er bijna tegenaan liggen.
Wanneer ze daarmee klaar zijn, kunnen ze vanuit die wallen de stadsmuur beschadigen en er een bres in slaan of via die wallen op de muur komen om zo de stad in te nemen.
De verdedigers zien geen kans het aanleggen van de belegeringswallen te belemmeren. Langzaam maar zeker komt onafwendbaar de dag nader, dat de soldaten van Nebukadnezar de stad zullen binnenstromen.
In Juda en Benjamin zijn ze al heer en meester. U weet hoe een land waar vijandelijke legereenheden rondtrekken om te fourageren, eruit gaat zien.
Er wordt gebrandschat en geplunderd.
Huizen worden in brand gestoken.
Mensen worden oorlogsslachtoffer.
Vee wordt geroofd en meegenomen.
Voedselvoorraden worden in beslag genomen. Akkers worden verwoest.
Zo'n land gaat er troosteloos en desolaat uitzien. De bewoners kruipen schuwen angstig weg. Alle activiteiten komen tot stilstand. Niemand durft plannen te maken voor de toekomst of te investeren.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief