EEN DISCUSSIE (1)
1978-12-01
Onlangs, om precies te zijn, op 4 oktober 1978 was door het studenten-pastoraat in Amsterdam een discussie-avond belegd, voor alle studenten toegankelijk, maar vooral aangeboden aan de nieuw aangekomen eerstejaars. De discussie liep over de vraag: hoe links/rechts is de kerk? Voor de leiding van dit gesprek had men de bekende Huub Oosterhuis gevraagd. Voor de inleidingen ds R. Zuurmond, de bekende christen voor het socialisme, en mij, een onbekende ds uit Amsterdam.- Jaargang 22
- nummer 45
Ik wil in de eerstvolgende twee nrs. van deze ontmoeting iets weergeven.
Vooral de stellingen die van beide zijden vooraf waren ingeleverd.
Als ik van beide verhalen een kenschetsing zou moeten geven, dan zou ik zeggen dat wat ds Zuurmond naar voren bracht vooral op de practische politiek gericht was, terwijl mijn bijdrage meer aan de principiële kant bleef. Dit verschil is, geloof ik, niet toevallig.
Nog een opmerking vooraf: ik ga volgens mijn aantekeningen te werk.
Dat wil zeggen: ik, die daar niet als verslaggever maar als deelnemer aan de discussie zat, heb meer herinnering bewaard aan wat ik, me thuis voorbereidend, opgeschreven heb dan aan wat in de discussie gezegd werd. Daarom is de toelichting op mijn stellingen en zijn de vragen die ik aan ds Z. stelde, uitvoerig weergegeven. Van de toelichting van ds Z. op zijn stellingen heb ik zelfs niets bewaard. Die waren trouwens ook zeer kort gehouden, omdat de stellingen zelf vrij uitvoerig waren.
Ik begin met de stellingen van ds Zuurmond, met daarachter de vragen die ik hem heb gesteld.
Hoe links/rechs is de kerk?
Zeven stellingen voor de discussie op 4-10-1978 door Rochus Zuurmond.
Afspraken:
- Onder 'links' versta ik hier: geneigd mee te werken aan strukturele veranderingen van de maatschappij in socialistische zin.
'Rechts' versta ik als anti-socialistisch.
- Onder 'kerk' versta ik hier: vertegenwoordigende kerkelijke lichamen vanaf kerkeraad/parochieraad tot en met synode/ bisschoppen.
Stellingen:
1. De messiaanse beweging is van oorsprong proletarisch. De kerk heeft - generaliserend gesproken - deze oorsprong reeds in de tweede eeuw na Christus verloochend. (Zie mijn opstel 'De gemeente van Korinthe' in Wending 33/4 van juni 1978, blz. 247 vlg.).
2. Theologisch betekent deze verloochening het loslaten van Tenakh als raam voor de messiaanse verkondiging en het daarvoor in de plaats stellen van de platoons-stoïsche wereldbeschouwing.
Deze laatste, met zijn minachting voor het lichamelijke en het materiële, moet als ideologie van de heersende klassen worden gekwalificeerd.
3. De hellenistische erfenis is, ondanks de voortdurende verschuiving van accenten, in de kerk nog steeds werkzaam. -In het Westen ligt - afgezien van joodse denkers als Rosenzweig en Levinas - de definitieve breuk daarmee filosofisch eerst bij Marx en theologisch bij Barth.
4. 'Links' is vanaf zijn ontstaan (1ge eeuw) kwantitatief sterk in de minderheid. Dat hangt samen met het midden-klasse karakter van de kerk: hoewel objectief vaak proletarisch, subjectief toch burgerlijk. (Zie ook punt 7d).
5. De linkse minderheid wordt in de kerk slechts getolereerd onder de volgende voorwaarden:
a. Ze mag geen werkelijke invloed krijgen en moet een zaak van buitenbeentjes blijven. (Voorbeeld: De 'Zaak Ter Schegget');
b. Ze moet zich schikken in de stereotypen die de meerderheid haar (projecterend) oplegt; bijvoorbeeld: - ze is ontdaan over het droeve lot der 'armen', ze heeft een begrijpelijke, maar enigszins naïeve, sympathie voor de 'underdog', - ze stelt in haar ijver geestelijke waarden achter bij materiële, haar filosofie is onkritisch, ze ziet 'de gevaren' van het marxisme niet, ze uit zich 'dogmatisch', betweterig, prekerig, drammerig en arrogant, ze begrijpt niet hoe een groot goed 'de vrijheid' is, ze is in principe gewelddadig, etc. etc. etc.
c. Ze moet voortdurend willig en bereid zijn zich door 'het midden' tegen 'rechts' te laten uitspelen.
6. De kerk verbergt haar intolerantie achter het ideologische masker der pluriformiteit.
7. Een linkse positie is in de kerk niet of nauwelijks bespreekbaar vanwege:
a. een massieve - maar uiterst comfortabele - onkunde aangaande het socialisme, hetgeen kerkelijke woordvoerders overigens niet in het minst belet om hoog van de toren te blazen (Topvoorbeeld: prof. dr J. Verkuyl).
b. een bijna geconditioneerde vlucht in het irrationele, zodra de zaak van het socialisme in de kerk ter sprake komt. (Recent voorbeeld: dr F. O. van Gennep in een editorial in 'In de Waagschaal' nr. 12 van sept. '78)
c. de dominantie van de onder 5. genoemde stereotypen, o.a. middels de 'ideologische staatsapparaten' (Bv.: A. A. Spijkerboer haalt onmiddellijk de landelijke pers met zijn lasterpraatjes over CvS; prof. dr J. de Graaf beschrijft in een synodaal rapport CvS als een groep die afkerig is van de dialoog) d. de 'dictatuur van de bourgeoisie' niet alleen in de kerk, maar ook in de theologie, ja zelfs in de exegese.
(Zie b.V. H. Gillwitzer, De Kapitalistisch Revolutie (Baarn 1975) 77 vlg. en vgl. het werk van BeIo, Clévenot, Casalis en vele latijnsamerikaanse theologen.
Vragen aan ds R. Zuurmond.
1. Uitspraak van de pastor van Hermas (midden 2e eeuw): "Gij knechten Gods, weet dat gij hier in den vreemde verkeert, want uw stad is ver van de stad Rome verwijderd, die u eigenlijk had willen uitbannen en waarin gij u dan ook geen have en goed moet verwerven; laat haar los, ga naar uw eigen stad, waar gij naar uw eigen wet kunt leven, in grote vreugde." We hebben hier niet de minachting van het lichamelijke en het materiële maar wel de ten achter stelling van deze goederen bij 't 'goed dat nimmermeer vergaat'. Deze opvatting komt uit de bijbel: Hebreeën, 1 Petrus en de bergrede (Matth. 6 : 19 V.V.:verzamelt u geen schatten op de aarde). Hoe kunt u zeggen dat we in de tweede eeuw na Christus al stuiten op de ideologie van de heersende klasse? Dit is midden in de vervolging geschreven. Er "heerste" toen nog geen enkele christen. Is het eigen aan de heersende klasse om in twee werelden te denken en te leven? Is dit niet méér eigen aan een vervolgde kerk?
Heeft een heersende kerk niet de neiging zich in deze wereld thuis te voelen? Blijkt dat in de vroege kerkgeschiedenis niet uit de ontwikkeling van de leer der transsubstantiatie?
2. Kunt U aangeven waar de kerk in de tweede eeuw bewust gezegd heeft: we moeten af van Tenakh als raam van de Messiaanse verkondiging en we moeten een platoons-stoïsch Vorverständnis kiezen?
Anders gezegd: Kunt u in de vroege kerkgeschiedenis zoiets aanwijzen als wat prof. Strijd in onze tijd openlijk bepleit heeft, dat wij een marxistisch Vorverständnis moeten kiezen voor de prediking van het evangelie? Als de kerk in later eeuwen meer platonisch is gaan denken, dan is haar dat meer overkomen dan dat ze dit bewust gekozen heeft. Men legde de bijbel naar Plato uit, maar men dacht dat men Plato naar de bijbel uitlegde.
Om de vergelijking tussen de twee Vorverständnisse af te maken: dat de vroege kerk naar Plato gegrepen heeft, was een vergissing, maar een begrijpelijke. Dat men nu naar het maxrisme grijpt als Vorverständnis is niet alleen een vergissing maar kan ik ook eerlijk niet begrijpen, gezien het anti-religieuze karakter van het marxisme.
3. In stelling 4 probeert u de 19e eeuwse kerkgeschiedenis met de sleutel van de klassenstrijd open te krijgen: Een middenklassekerk tegenover een socialistische, linkse minderheid. Nu is er in de vorige eeuw ook een Afscheiding geweest. Deze kan niet als een klassenstrijd getypeerd worden.
Kunt u nu verklaren, waarom tegenover de Afgescheidenen wèl maatregelen van kerkelijke tucht genomen zijn en tegen 'links' niet? Ds De Cock is afgezet, ds Domela Nieuwenhuys is uitgetreden. Er heeft een fellere strijd gewoed (met verdrukking en al) tussen de Hervormde kerk en de Afgescheidenen dan tussen de Hervormde kerk en de linkse minderheid. Dat laat op z'n minst zien dat u de vorige eeuw vanuit een te vernauwd perspectief beziet. Er was kwantitatief en kwalitatief meer aan de hand dan alleen klassen-strijd.