EEN DISCUSSIE (2)
1978-12-08
En nu mijn stellingen bij de discussie over de vraag: hoe links/rechts is de kerk?- Jaargang 22
- nummer 46
1. Rechtzinnig is niet hetzelfde als "rechts" -zinnig.
2. "Rechts" is a-christelijk.
3. "Links" is anti-christelijk.
4. De samenleving is gebouwd op de persoonlijke verantwoordelijkheid van een ieder voor God, op de plaats waar hij gesteld is.
5. De kerk moet een ieder, maar vooral de hoger geplaatsten, op deze verantwoordelijkheid wijzen (Nu dan, gij koningen, handelt verstandiglijk ... psalm 2).
6. De kerk heeft daartoe Woordmacht ontvangen, waar God Zich met zijn almacht achter stelt, - tot zegen en tot vloek.
7. Te vaak heeft 't de kerk aan moed ontbroken om met deze haar Woord-macht in de wereld te staan.
8. Steeds dreigt derhalve het gevaar dat de kerk zich bij geheel andere machten aansluit, bijvoorbeeld die van het kapitaal of die van het arbeidersproletariaat.
9. De klassen-strijd als sleutel past niet op het slot van de bijbel.
Ik gaf hier de volgende toelichting bij:
St. 1: Ik treed in dit gesprek op tegenover iemand die duidelijk
links is. Daarbij komt dat ik behoor tot een kerk die duidelijk tot de rechtzinnigheid gerekend kan worden.
Zo ligt de associatie tussen "rechts"
en rechtzinnig voor de hand. Daartegen verweer ik mij in st. 1.
St. 2/3: In deze stellingen probeer ik een globale kenschetsing te geven van "rechts" en "links". De woorden "rechts" en "links" staan tussen aanhalingstekens, omdat ze niet eenduidig zijn. Ik probeer me aan te sluiten bij de betekenis die men in de regel aan deze termen geeft.
"Rechts" is dan behoudend, de bestaande toestand verdedigend, althans naar z'n structuren, terwijl "links" duidt op veranderingsgezindheid t.a.v. die structuren, maar dan op grond van een duidelijke en doordachte maatschappij-visie.
Ik vind nu "rechts" a-christelijk.
Daarmee bedoel ik dat "rechts" zich in het algemeen weinig rekenschap geeft van zijn maatschappijvisie en met name onverschillig staat tegenover het christelijk geloof en dat geloof politiek van geen betekenis acht. Je kunt geloven of je kunt niet geloven, maar dat maakt voor de publieke zaak niets uit.
Mogelijk zijn er onder "links" wel personen die dat ook vinden, maar de leer van "links" is duidelijk een alternatief tegenover het evangelie.
"Links" heeft namelijk dit met de bijbel gemeen dat het een diepe nood pijlt en daar met een verlossingsboodschap op antwoordt, maar het is een boodschap van zelfverlossing.
De arme, de verdrukte, heet bij "links" niet, zoals in de bijbel, Lazarus, een naam die betekent 'God die helpt in nood', maar de verlossingsleer van "links" zegt dat de mens of liever de mensheid zichzelf moet helpen.
Nu weet ik wel dat Jezus zegt dat wie niet vóór Hem is, tegen Hem is, en naar dit woord kun je het achristelijke "rechts" ook anti-christelijk noemen. Het is trouwens in de geschiedenis ook wel gebleken dat "rechts" anti-christelijk kan zijn.
Toch is het anti-christelijke van "rechts" als stelsel veelal afgekoeld tot a-christelijkheid en is het nee van "links" tegen het evangelie meer bewust, meer doordacht, meer systematisch. Bij "links" proef ik de mentaliteit van: we hebben nu lang genoeg op God gewacht, zoals de bijbel ons voorhoudt, we moeten nu nodig zèlf aan het werk.
Ik wil hiermee zeker niet gezegd hebben, dat alle uitingen van "links" anti-christelijk zijn, laat staan dat alle "linksen" anti-christelijk zijn. Het gaat om het grondbeginsel.
Daarvan zeg ik dat 't bij "links" anti-christelijk is. Dit betekent ook dat "links" door zijn scherpe leer meer dan "rechts" de christenen dwingt om wakker te worden en zich opnieuw op het evangelie te bezinnen. In die zin is "links" interessanter dan "rechts".
Bij "rechts" slaapt de kerk langer.
Bij "links" is dat onmogelijk. Die eer wil ik "links" wel geven.
St. 4: Uit deze stelling is op te maken, dat ik niet zoveel van "rechts"
verschil in de waardering van de structuur van onze samenleving. Ik heb daar eigenlijk geen diep ingrijpende kritiek op. Wel op de vulling van die strutuur en daarin verschil ik zeer van "rechts".
Ik vind dat "rechts" in het algemeen de structuur van de persoonlijke verantwoordelijkheid heeft los gekoppeld van God, van zijn beloften en geboden. Daardoor is deze structuur zwevend geworden. De verantwoordelijkheid der personen is veelszins omgeslagen in onverantwoordelijkheid.
Dat betekent dat vooral en in toenemende mate vooraanstaanden hun plaats uitbuiten en hun macht misbruiken.
Wat dus moet gebeuren is dat de verantwoordelijkheid weer gericht wordt op God, op Zijn beloften en Zijn geboden. Deze samenleving moet haar vastigheid, haar verankering weer terug krijgen. Tegen "rechts" moet daarom gezegd worden, dat christelijk geloof wel degelijk relevant, van betekenis is voor de samenleving. Als de verantwoordelijkheid niet religieus gevuld wordt, gaat de samenleving echt naar de knoppen.
Bij "links" evenwel tref ik weinig belangstelling aan voor persoonlijke verantwoordelijkheid. Men wil de verantwoordelijkheid leggen op de samenleving zèlf en dat lijkt me een mystificatie. Dit betekent het einde van de ethiek, want ethiek is persoonlijk of is niet.
In plaats van een denken in recht komt een denken in macht. Nu kan ook een losgeslagen verantwoordelijkheid leiden tot een denken in macht, zodat in dat geval op ;,links" en "rechts" dezelfde kritiek is uit te brengen. Alleen, bij "rechts" is het dan een individueel denken in macht binnen een rechtsstructuur en bij "links" is het een collectief denken in macht dat zelf een machtsstructuur in het leven roept. Het leven is er in dat laatste geval toch slechter aan toe, al is de schijn aanvankelijk omgekeerd.
St. 6-8: Bij Woord-macht heb ik gedacht aan een duidelijke, doorgaande lijn in de Schrift, volgens welke telkens mensen zonder uiterlijke invloed zich met het Woord van God tegenover de machthebbers stellen: Mozes contra de farao, David contra Saul, Nathan contra David, Elia contra Achab, Jeremia contra Jojakim, Johannes contra Herodes, Jezus contra Pilatus, Paulus contra Felix (Hand. 24: 25), symbolisch samengevat tenslotte in de twee getuigen van Openb. 11 tegenover de wereldse machten.
St. 9: Bij de laatste stelling deze opmerking: wanneer je de klassenstrijd hanteert als kader waarbinnen de bijbeltekst klinkt, dan hanteer je m.i. geen sleutel, maar een breekijzer. Vele teksten moet je gewelddadig uitleggen, andere kunnen niet eens aan het woord komen.
De klassenstrijd als hermeneutische sleutel levert een vernauwde en verschraalde optiek op. (Zie hiervoor ook mijn artikel 'Iets over hedendaagse bijbeluitleg in Opbouw van 29 september 1978.) Hetzelfde is het geval wanneer je de klassenstrijd als verklaringssleutel van de kerkgeschiedenis hanteert.
Tot zover de toelichting op mijn stellingen. Ik heb ds Zuurmand gevraagd, zijn commentaar of vragen naar aanleiding van mijn verhaal mij toe te sturen. Dat heeft hij gedaan. Volgende week geef ik die door en eindig dan met een korte nabeschouwing. De week daarop hoop ik dan nog iets aanvullends te bieden over de tegenwoordig veel besproken materialistische bijbeluitleg.