DE C VAN HET C.D.A. (2)

1978-12-08
  • Jaargang 22
  • nummer 46
Grondslag en politiek handelen

Op 4 november 1977 werd door het C.D.A. een commissie ingesteld, die tot taak kreeg een nadere concretisering van de politieke relatie tussen grondslag en politiek handelen aan te geven.
Deze commissie heeft met haar werk willen voortbouwen op de grondslag zoals deze door het C.D.A. is aanvaard. Deze grondslag is te vinden in de grondslagartikelen 2 en 3 van de statuten van het C.D.A.
Art. 2, het meest fundamentele, luidt als volgt: "Het Christen-Democratisch Appèl aanvaardt het Evangelie als richtsnoer voor het politieke handelen."
In een noot is daaraan toegevoegd, dat onder Evangelie de gehele Bijbel verstaan wordt.
De commissie geeft er de voorkeur aan om in art. 2 het woord Evangelie te vervangen door de Heilige Schrift. In het rapport worden de woorden Evangelie en Heilige Schrift als volledig synoniem gebruikt.
Deze suggestie lijkt me een juiste. Het gebruik van het woord Evangelie zou de gedachte kunnen wekken, dat niet de gehele Bijbel, maar slechts een deel daarvan als richtsnoer aanvaard wordt.
Het valt ook op, dat in het rapport van de commissie over het algemeen een taal gesproken wordt, die in A.R.-kring gebruikelijk is. De vraag kan rijzen, of deze taal voor de leden van de K.V.P. wel altijd duidelijk is.
Het is helaas zo, dat ieder van de drie samenwerkende partijen een eigen partij-jargon heeft opgebouwd, dat niet voor elke buitenstaander direct te begrijpen is. Het zelfde geldt trouwens voor het kerk-jargon.
Over het algemeen vind ik het rapport van de commissie een goed verhaal, waarin op duidelijke wijze getracht wordt vanuit de grondslag tot een politieke visie te komen. Ik had niet gedacht, dat een commissie met een zo veelzijdige samenstelling in staat zou zijn een zo duidelijke politieke visie te ontwerpen.
Dat neemt niet weg, dat de principiële verschillen hier en daar wat weggemasseerd zijn. Zo worden b.v. het rooms-katholieke subsidiariteitsbeginsel en het calvinistisch beginsel van de souvereiniteit in eigen kring in één adem genoemd, alsof dat ongeveer dezelfde beginselen zouden zijn.
De verschillen tussen deze opvattingen zijn wel zeer wezenlijk.
Bij het subsidiariteitsbeginsel worden de lagere gemeenschappen op "natuurlijk gebied" gezien als delen van het staatsgeheel. De staat wordt dan ook gezien als de volmaakte natuurlijke gemeenschap, die haar doel vindt in het algemeen welzijn van haar leden.
Bij de souvereiniteit in eigen kring daarentegen heeft men oog voor de eigen innerlijke geaardheid van de verschillende levenskringen. Dit betekent, dat de ene levenskring nooit een deel kan zijn van een andere levenskring.
In het rapport van de commissie wordt over beide beginselen gesproken als zouden ze ongeveer samenvallen. De bespreking ervan wijst in de richting van de souvereiniteit in eigen kring. Zo staat er te lezen, dat de functies van organisaties en instellingen niet tot elkaar zijn te herleiden of aan elkaar ondergeschikt zijn te maken.
De algemene conclusie over dit rapport kan echter wel zijn, dat het kan meewerken om te komen tot een duidelijker politieke visie vanuit de grondslag van het C.D.A.

Helaas is dit rapport niet duidelijk wat betreft het fundamentele discussiepunt of vertegenwoordigers van het C.D.A. al dan niet persoonlijk aan de grondslag gebonden zouden zijn.
In de pers was met grote letters te lezen, dat de grondslag van het C.D.A. niet meer bindend is.
Dr D. Th. Kuiper, vice-voorzitter van de A.R.P. schrijft daarentegen, dat de riskante kanten van de oorspronkelijke "open partij gedachte" worden uitgesloten.
Prof. dr B. Goudzwaard daarentegen is van mening, dat "het rapport, ondanks alle goede bedoelingen, ook vrij gemakkelijk gebruikt en geïnterpreteerd kan worden als een ruggesteun voor degenen, die op de langere termijn een geheel "vrijblijvende" politieke C.D.A.-overtuiging tot stand willen zien komen - na de afstoot geheel open en onderhevig aan de krachten van wind en tij."
In de conclusies, zo stelt Goudzwaard, mis ik ook elke opmerking over het blijvend en bindend karakter van deze - ongetwijfeld nog nader uit te bouwen - uitgangspunten.
Ik vrees, dat Goudzwaard gelijk heeft.
Wel is waar, dat de commissie zich ernstig heeft bezig gehouden met de vraag welke gevaren er dreigen voor de "C" van het C.D.A. Ze maakt daarover ook waardevolle opmerkingen.
Gewezen wordt op de noodzaak het publieke beroep op de grondslag te laten functioneren.
Maar hoe zal dat dan functioneren, als er geen uitdrukkelijke binding aan de grondslag is?
Overeenstemming over de grondslag van het C.D.A. is een noodzakelijke voorwaarde voor de inhoudelijke bepaling van onze politieke groepering, zo wordt gesteld.
Vanuit dit uitgangspunt is toch de conclusie onontkoombaar, dat de leden van de partij dus overeenstemming over de grondslag moeten hebben, m.a.w. de grondslag dienen te onderschrijven. Ik kan me maar moeilijk een partij voorstellen, die een bepaalde grondslag heeft, terwijl de leden van die partij een andere grondslag aanvaarden. De partij is toch niet een abstract iets?
Maar juist deze noodzakelijke conclusie ontbreekt.
De commissie zegt voorts, dat er voor een politieke partij meer nodig is.
Dat lijkt me juist. Er zal ook een gemeenschappelijke politieke visie zowel op lange als op korte termijn vanuit de grondslag ontwikkeld moeten worden.
Maar de commissie zegt het toch wat anders.
Door ervaringen geleerd, zo zegt ze, is het belangrijkste element de politieke overtuiging, welke als antwoord op de grondslag vanuit het politieke leven tot stand komt.
Hier wordt dus de politieke overtuiging centraal gesteld.
Daar zit al een onduidelijkheid is.
Waarom is die politieke overtuiging, dat is het antwoord op de grondslag, belangrijker dan de grondslag zelf?
Een foute politieke overtuiging kun je nog verbeteren, als de grondslag maar goed is. Is de grondslag fout, dan zit je altijd op een verkeerde koers.
De politieke overtuiging, aldus de commissie, is datgene wat het C.D.A. tot partij maakt. Deze vormt de vertrouwensband, die er tussen de leden bestaat.
Maar wat blijft er in de toekomst dan over van het functioneren van de grondslag?
Die grondslag, zo lezen we, heeft een inspirerende en normerende betekenis en is in zekere zin waarborg ervoor, dat de "C" in de naam zijn zin behoudt.
De vraag is, hoe die grondslag dat dan moet doen.
Men kan vanuit de grondslag een goede christelijke politieke overtuiging ontwikkelen. Dat geeft echter weinig waarborg voor de toekomst, tenzij die grondslag ook in de toekomst voluit blijft functioneren.
De politieke overtuiging immers, ook de commissie merkt dat op, is niet iets statisch. Er treden regelmatig veranderingen op. Er komen zaken aan de orde, waarin de politieke overtuiging niet heeft voorzien.
Wat dan?
De commissie is van mening, dat de uiteindelijke toetsing aan het Bijbels richtsnoer door ieder voor zijn rekening genomen moet worden. De partij vraagt hiermee niet een uitspraak te doen over iemands christen-zijn.
Wel is aanvaarding van de noodzaak om overtuiging en beleid steeds weer te toetsen aan de grondslag een hard element van de politieke overtuiging.
In deze wat moeilijke zinnen, wandelt de commissie toch wat langs het probleem heen.
De vraag is, of de partij mag aannemen, dat de leden de grondslag onderschrijven en daarop dus ook aangesproken kunnen worden.
Hoe kan men anders de politieke overtuiging en het beleid aan de grondslag toetsen? Dat is toch alleen mogelijk door iemand, die het Evangelie zelf als uitgangspunt en norm aanvaardt?
Immers de Openbaring van God is alleen in het geloof te doorstaan en te doorzien, en in het concrete denken van de mens is ook steeds zijn geloofsfunctie werkzaam.
Mijn ongerustheid over deze onduidelijkheid in het rapport van de commissie is des te groter, omdat een van de commissieleden, prof. dr W. C. M. Klijn, hierover nog al bedenkelijke opmerkingen gemaakt heeft op de C.D.J.A.-conferentie.
In een christelijke democratische partij, aldus Klijn, is er geen persoonlijke aanspreekbaarheid op het Evangelie. En niet-christen kan zonder Christus te herkennen een christen zuiverder de spiegel van het Evangelie voorhouden, zo meent Klijn.
Klijn spreekt hier onomwonden zijn vertrouwen in de rede, het verstand uit. Dit is in overeenstemming met de r.k. opvatting over de autonome menselijke rede volgens welke op natuurlijk terrein de eigen wetten buiten het Evangelie om zouden kunnen functioneren.
In rooms-katholieke kring beroept men zich hiervoor op Rom. 2: 14 en 15. Ten onrechte meent men hieruit te kunnen lezen, dat Paulus hier een zelfstandigheid van het natuurlijk verstand tegenover de Goddelijke openbaring zou leren.
Op het congres werd van A.R.-zijde tegen Klijn Luther geciteerd: verstand is te koop, verstand is een hoer, die zich aan ieder die wil uitlevert.
Voor het unieke van de Godsopenbaring in Jezus Christus heeft Klijn onvoldoende oog.
Mijn vrees is, dat het rapport toch ook wat aan dit euvel lijdt.
De brug tussen calvinisme en rooms-katholicisme is hier nog niet geslagen.
Met alle waardering voor de visie, die de commissie ontwikkeld heeft, moet toch geconstateerd worden, dat de garantie voor het in de toekomst functioneren van de "C" van het C.D.A. door de onduidelijke formulering niet voldoende is.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief