Weest niet bezorgd (1)

1975-01-03
  • Jaargang 19
  • nummer 1
In deze tweede lezing over de "Bergrede", vraag ik uw aandacht voor Matth. 6 vers 25-34.
In het geheel van Jezus' opwekking om in dit leven geen schatten op de aarde te verzamelen, vinden we in het vanavond te bespreken deel de zo bekende vermaning om niet bezorgd te zijn. Daarmee heb ik het thema dat steeds terugkeert al aangegeven.
Weest niet bezorgd over uw leven, wat gij zult eten of over uw lichaam waarmee gij het zult kleden; is het leven niet meer dan het voedsel en het lichaam meer dan de kleding, zo lezen we.
Evenals vorige week, gaan we eerst even na tot wie de Heiland zich met deze woorden richt.
Dan valt op dat zijn gehoor niet bestaat uit mensen, die alleen maar leven om te eten, die van de buik hun god maken.
Ook zijn deze woorden geen verwijten aan het adres van lieden, die slechts zorg hebben voor zichzelf en zich om anderen niet bekommeren, want de hier afgewezen bezorgdheid geldt ook die voor anderen.
Jezus richt zich ook hier tot de mensen die tot Hem gekomen zijn en Hij noemt hen in vers 30: kleingelovigen.
Het zijn mensen, die echt wel op God willen vertrouwen. maar die evenals u en ik zichzelf er dagelijks op betrappen dat ze veel kleingelovige bezorgdheid meedragen in hun leven.
Bij de mensen in Jezus' dagen kon het voorkomen - nu trouwens ook wel - dat een huismoeder echt niet wist wat ze de kinderen te eten moest geven en niets had om ze aan te trekken. We kunnen ons voorstellen hoe de bezorgdheid zo'n vrouw dag en nacht bezig hield.
Bij deze mensen vergeleken zijn wij schatrijk, maar dat betekent niet dat wij niet aan de verleiding om bezorgd te zijn bloot staan; waar de welvaart toeneemt, nemen de zorgen toe. Er is te veel om op te noemen, waar de mensen in onze dagen niet over verontrust zijn in de wereld, maar ook in de kerk.
Is het leven niet meer dan voedsel, zegt Jezus en wij zijn geneigd te zeggen: ja, maar daarom is voedsel voor de wereld zo nodig, want het is één van de eerste voorwaarden voor het leven.
Inderdaad, dit wordt niet ontkend; bedoeld wordt dat in het beschikken over de nodige levensbehoeften dit niet de garantie voor het leven is. Het leven is meer dan het voedsel.
Om ons nu te laten zien waarin het leven meer is, neemt Christus ons a.h.w. mee naar buiten, waar de vogels zingen. Die vogels zijn vol levenslust en zingen het hoogste lied. Zij zaaien en maaien niet, hebben geen voorraden achter de hand, maar elke dag voltrekt zich het wonder dat onze hemelse Vader zijn 'hand opent en de vogels voedt.
De vogels worden de mensen niet daarin ten voorbeeld gesteld dat zij niet zaaien of maaien. Het leven van mensen is anders dan dat van de vogels. Een mens heeft verantwoordelijkheid, heeft de taak te werken voor zijn brood.
Wij kunnen niet vrij en frank als vogeltjes in de lucht leven, maar hebben de zorg voor veel dingen.
In de gecompliceerde wereld van onze dagen moeten heel wat regelingen worden getroffen voor het leven en samenleven in een moderne wereld.
De vogels zijn ons daarin ten voorbeeld dat zij leven uit de hand van onze hemelse Vader van wie wij mogen weten dat zijn kinderen Hem niet minder, zelfs veel meer ter harte gaan dan al die zangertjes in de lucht.
Hier vinden we dus waarin het leven meer is dan het voedsel.
De garantie voor het leven ligt in voedsel of kleding en onze bezorgdheid daarvoor, maar in de belofte van die hemelse Vader.
Van Hem mogen we geloven dat Hij het getal van onze dagen en j aren bepaalt.
Dit ontslaat ons niet van de plichten voor onze gezondheid. Bij ziekte raadplegen we een dokter, we stellen ons leven niet onnodig in de waagschaal in het verkeer en elders.
Jezus wijst dan ook deze zorgen niet af, wanneer Hij zegt: wie van u kan door bezorgd te zijn één el aan zijn lengte toevoegen? Hij spreekt hier niet over de lengte van ons lichaam, maar zoals uit het verband moet worden opgemaakt over de levensduur.
Als ik een levensjaar een kilometer noem. wordt het beeld duidelijk, door bezorgdheid voegt de mens geen el aan zijn lengte toe.
Hier raken we een teer punt aan in ons leven. Wat kunnen we in zorgen zitten over de gezondheid.
De moeiten hierover in de gezinnen wil ik niet onderschatten, er wordt veel geleden en er is veel verdriet en soms slaat voor ons besef het onheil steeds op dezelfde deur.
Het past ons niet hier een hard oordeel te vellen. Het komt regelmatig voor dat bezorgdheid en angst een mens naar de keel vliegt en helemaal neerdrukt. De zo gevreesde ziekten van deze tijd maken sommigen angstig en nerveus.
Die bezorgdheid, zegt Jezus, helpt niet: als we gedaan hebben wat we kunnen en moeten, zal ons leven in vertrouwen in de handen van onze Vader in de hemel gegeven moeten worden. Blijven we vol kommer tobben, het baat niet, het schaadt eerder.
Onze Meester, die ons in onze zwakheid kent, gebruikt nog een voorbeeld.
De leliën, waarmee het gras bekleed is, vertonen meer heerlijkheid dan destijds koning Salomo in vol ornaat, Toch arbeiden zij niet - daar ziet u a.h.w. de mannen aan het werk - en spinnen niet - daar zijn de vrouwen bezig.
Hoe mild Jezus spreekt blijkt uit zijn woord: Zal Hij u niet veel meer kleden, gij kleingelovigen?
Hier valt niet het verwijt: allemaal ongeloof.
Klein-gelovigen zijn mensen die te klein denken of beter te weinig verwachten van God. Zij willen Gods beloften wel aannemen en met de kinderen van het koninkrijk tegen de stroom oproeien in deze wereld. maar door allerlei teleurstellingen lukt het ze dikwijls niet tot een kinderlijk, eenvoudig vertrouwen in alle dingen te komen, daarom klein-gelovigen.
Weer klinkt nu het thema: geen bezorgdheid over eten en drinken en kleding, want al deze dingen zoeken de heidenen.
In die dagen hadden de heidenen hun goden, soms veel goden en door hun offers trachten zij die goden gunstig te stemmen, maar ze hadden geen God die hun Vader was, zodat ze zeker konden zijn van Zijn gunst, en de noden van hun hart aan Hem kwijt konden.

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief