TANA MEMA - TANA DAWA
1975-01-03
Naar aanleiding van de bundel "Cultuur als antwoord", verzamelde opstellen van prof. dr L. Onvlee ('s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1973) ( 4)- Jaargang 19
- nummer 1
Het kennismaken met de tana mema - de oude wereld - van de Soembanees bracht voor dr Onvlee veel problemen mee. De toegang via de taal beheerste hij door zijn studie in Leiden, althans theoretisch. Maar aangekomen op het eiland moest hij zich de eerste tijd van het maleis bedienen. Onvlee is. zo staat het in de "verantwoording"van de bundel "zijn leven lang leerling gebleven van de mensen, met wie hij verkeerde.
Voor allen mag één met name worden genoemd: Oemboe Hina Kapita, sedert 1929 zijn medewerker voor vertaalwerk; zijn leermeester ook die hem ingeleid heeft in de taal, het sociale leven en de religie van de Soembanees en die zelfstandig onderzoek verricht heeft naar de structuur van verschillende soembanese gemeenschappen, zodat een belangrijk deel van dit boek "gewoon weergave is van wat hij mij in correspondentie en uit eigen initiatief heeft geleverd." (XII-XIII) En in zijn oratie ter gelegenheid van de aanvaarding van het ambt van buitengewoon hoogleraar in de culturele antropologie aan de V.U. te Amsterdam (1956) zegt hij er van: "Bij het onderzoek van een nog niet in schrift gebrachte taal wordt men er telkens op eigen wijze aan herinnerd, dat de taal een mysterieus iets is. Dat de taal, die toch is een gecompliceerd systeem van symbolen tot aanduiding van begrippen en betrekkin gen, door de sprekers inderdaad wordt gesproken, beheerst zeggen we, maar veelal zonder dat deze van dit systeem en van die ordening zelf weet hebben. Ik denk aan de samensprekingen over het soembaas in ons eerste soembajaar 1926. Mijn informant (Kapita) was iemand die zijn taal in de verschillende vormen daarvan goed sprak, iemand bovendien, die met al de vezels van zijn bestaan in het soembase leven was gehecht. Hij was onderwijzer aan een van de volkshogescholen en we konden dus beginnen met de maleise vormen. Bij ons gesprek over de telwoorden waren we aan de rangtelwoorden toegekomen, die hij in het maleis kende. Maar het lukte hem niet op dezelfde wijze de soembase vormen te reproduceren en hij hield vol, dat weergave van deze groep woorden in het seembaas niet mogelijk was.
Nu was de te verwachten vorm mij bekend en deze kwam ook onmiddellijk tot uitdrukking, toen we trachtten door enkele voorgelegde situaties tot resultaat te komen.
Merkwaardig was toen zijn reactie "Ja", wanneer we praten zijn ze er wel, maar niet op een rijtje als in het maleis", wat we zo zouden kunnen interpreteren "Ik spreek ze wel, maar ik weet er niet van". En zo is het inderdaad bij verre de meerderheid van de sprekers en in ons dagelijks onopzettelijk spreken veelal bij ons allen: we spreken wat we niet weten. of wat we niet weten en ook wel weten. En steeds weer wordt in het spreken van elk onzer het taalsysteem gerealiseerd".
Daar kwam echter nog een tweede, heel grote moeilijkheid bij: de soembase taal bood in feite geen directe mogelijkheden voor weergave van het evangelie. Ze mist er echt de woorden voor. Je kunt dus niet zomaar aan het vertalen slaan. In de loop van de eeuwen is de taal (elke taal) gevormd in de ontwikkeling van de cultuur en ze is daar dan ook nauw verwant mee. Maar daarmee zijn dan tevens de mogelijkheden voor gebruik van de taal begrensd. Op Soemba binnen de heidense cultuur.
We realiseren ons nauwelijks wat dat betekent. In de 16e eeuw was de Bijbel in Europa vrijwel uitsluitend bezit van de (roomse) geestelijkheid. En die las hem in het latijn, Eerst Luther heeft de Heilige Schrift overgezet in de Duitse landstaal en bij ons waren het de Statenvertalers, die "De gantsche Heilige Schrifture uit de Oorspronckelijcke talen in onse Nederlandtsehe tale getrouwelijk overgeset" hebben. Zowel Luther als de S.V. hadden echter een taal ter beschikking, die zich voor dat overzetten leende, althans die zij konden aanpassen. Het volk wist zich in die vertaling aangesproken.
En daarin kwam tegelijk een vernieuwing van de taal tot uiting.
Onvlee kwam als vreemdeling en bracht tana dawa - wereld van de vreemdelingen - mee. Dat was al tegengesteld aan de tana mema van de Soembanees. Hij vertelt verder over zijn eigen situatie van zo'n 50 jaar geleden: "Met dit vertaalwerk zijn we op het terrein van het wonder. Omdat de bijbel het boek van het wonder is. Van dit wonder, dat God spreekt, dat Hij tot ons spreekt; dat Hij in dit spreken, in deze woorden Zich aan ons verstaanbaar maakt, aan ons kenbaar maakt, ons antwoord zoekt en ons Zijn gemeenschap biedt.
(... ) Elke vertaling vraagt tweeërlei gehoorzaamheid, Allereerst gehoorzaamheid aan de tekst die moet worden weergegeven. Want vertalen betekent niet, dat deze boodschap nu zo moet worden gebracht alsof ze origineel tot dit volk zou zijn gekomen. Ik kan en mag deze boodschap niet uitpellen uit. niet losmaken van het historisch en cultureel milieu waarin ze is gesproken. Dat is een verantwoordelijkheid die niemand zou kunnen dragen. Maar wat hier en nu is gezegd en geschied moet ik zo overbrengen dat het hen kan aanspreken voor wie deze vertaling is bedoeld. Dat wil in feite zeggen, dat nu in deze taal dingen moeten worden gezegd, die daarin vroeger geen uitdrukking hebben gevonden, dat deze taal een verandering moet ondergaan, dat ze moet worden vernieuwd." En verder is "de problematiek van de bijbelvertaling niet opgeheven, wanneer maar in de taal "waarin vertaald wordt een "equvalent"
als gereed ligt om een bepaald bijbels begrip weer te geven. (... ) Een woord toch is maar niet een bepaald complex van klanken dat ik eventueel door een klankencomplex uit een andere taal kan vervangen, alsof daarmee dan hetzelfde zou zijn gezegd. Want elk woord heeft zijn plaats in een bepaalde taalgemeenschap; 't wordt gesproken in een bepaald sociaal milieu en tegen een bepaalde geestelijke achtergrond", m.a.w. het is geen zaak van woordenboeken.
Als illustratie daarvan laat hij dan volgen, dat ons woord "bidden" weergegeven kan worden met 'parengena li'l', letterlijk iemand het woord doen horen, of het woord richten tot. Een duidelijk overeenkomstige inhoud. Hij gebruikte dat toen totdat hij eens bij het slachten van een kip de woorden hoorde 'parengeni l'i na manu' d.w.z. doe de kip het woord horen, opdat zo straks de kippendarm inderdaad zou spreken wat de voorvaderen bedoelden te zeggen.
Een orakel dus. Nu en dan moet je wel afzien van zo'n vertaling.
Zo geeft hij in de verschillende opstellen talloze voorbeelden, die het ons duidelijk maken hóe moeilijk het is in een heidense (gesloten) gemeenschap het Woord Gods te brengen, zó dat de hoorders een ánder evangelie horen als waaraan ze gewend zijn. Want zij toch luisteren, geslachten lang, naar Satan's boodschap en die is er een van gekluisterd houden in de macht van de duisternis. Israël moest uit Egypte verlóst worden, lósgescheurd, want anders zou het volk daar zijn ondergegaan. Zo is het evangelie van onze Heer ook prediking van verlossing, van losscheuren, met geweld (Hebr. 2: 14).
Weldadig is te lezen, hoe dr Onvlee zijn eigen werk 'ziet. Gevraagd: hoe vertaal je een bijbel, gaf hij als antwoord: "dat doe je niet, dat doe ik niet, dat doen wij niet, dat doen mensen niet. Ja, inderdaad, daarin zijn mensen wel mee bezig en daarbij is wel menselijke activiteit betrokken. Maar de bijbel vertalen. " Het is hiermee als met alle arbeid in het koninkrijk Gods en goed verstaan wil dit zeggen met al onze arbeid - ons 'doen' heeft in de bijbel een merkwaardige kwaliteit, cfr Joh. 15: 5 - dat wij daarin wel mogen en moeten bezig zijn met geheel ons verstand en met al onze kracht, maar dat wij het beslissende juist niet kunnen doen, dat dat juist buiten onze greep ligt; dat dat ook niet voor onze rekening ligt en dat we alleen daarom in vrijheid kunnen en mogen bezig zijn in alles wat ons te doen gegeven is." En hij verwijst dan naar 1 Cor. 3: 5. Nu, zo zouden we het kunnen zeggen: De een onderzoekt en verklaart en de ander is bezig in overzetting, maar God vertaalt de bijbel.
Typerend, zo zegt hij op een andere plaats, is, voor misschien wel veruit de. meeste zendingsvelden, dat de boodschappers van het Woord niet altijd het geduld hadden, noch de gelegenheid kregen te wachten op een antwoord, maar het zelf gaven, zij het ook vaak op aandrang van hun inheemse medewerkers.