Belijdenis in trechtervorm ?

1975-01-17
  • Jaargang 19
  • nummer 3
Twee geschriften

De generale synode van de Gereformeerde Kerken (1971/73) verzocht de hoogleraren G. C. Berkouw er en H. N. Ridderbos een "éénparig geloofsgetuigenis" op te stellen, dat wellicht als basis zou kunnen" dienen voor "een nieuw belijden in gemeenschap des geloofs met het belijden der vaderen".
De beide professoren zijn gekomen tot het opstellen van een Geloofsgetuigenis, dat onderverdeeld is in twee hoofd delen - de Proeve en de Bezinning. De synode van Haarlem (1973/75) besloot het Geloofsgetuigenis voor beraad en bezinning aan de kerken te doen toekomen en - na behandeling van de reakties uit de kerken - de vraag te overwegen, of het mogelijk tot een nieuw kerkelijk belijdenisgeschrift zou kunnen komen.
Men kan dit Geloofsgetuigenis in zijn bezit krijgen door overmaking van f 1,75 op gironr. 513153 van het Algemeen Kerkelijk Bureau, Koningslaan 11 te Utrecht.
Er zijn diverse reakties geweest.
Het gaat dan ook om een uitermate belangrijke zaak. Bij de redaktie van "Opbouw" kwam binnen een geschriftje "Hoe spreekt de Kerk vandaag?", waarin ons geboden wordt een overdruk van een serie door dr E. Masseling in "Waarheid en, Eenlheid" geschreven artkelen. Het is niet mogelijk dit geschrift - en dus in feite beide geschriften - breed te bespreken.
Laat ik alleen mogen zeggen. dat het geschriftje van dr Masselink van waarde is voor de vorming van een oordeel over het Geloofsgetuigenis.
"Hoe spreekt de Kerk vandaag?"
is verkrijgtbaar tegen overmaking van f 2,50 op gironr. 347666 t.n.v. P. Sanders, Rhenenstraat 18 te 's-Gravenhage (reduktie bij 10 of meer exemplaren).

Het probleem van de éénparigheid

Voor een eigen kleine bijdrage zou ik willen aansluiten bij enkele opmerkingen van dr Masselink, die zich op pag. 8 e.v. afvraagt wat nu precies met de opdracht tot een éénparig getuigenis is bedoeld. Spreekt hierin misschien de wens mee om zoveel mogelijk stromingen en meningen van vandaag een onderdak te bezorgen in de ruimte van het Geloofsgetuigenis?
Waarom "éénparig"? Waarom niet heel gewoon "schriftuurlijk"?
Daarmee staan we dan al direkt voor de vraag, of het Geloofsgetuigenis niet te zeer een "verpakking"
geworden is van onderling vaak strijdige meningen. Is het niet te zeer een "woorden-huis"
geworden, waarin diverse bewoners in diverse vertrekken zijn ondergebracht? Ik heb me deze vraag gesteld ten aanzien van het hoofdstuk "Wat wij als ons geloof belijden", artikel 3 "Jezus Christus, Gods Zoon, onze Heer" (pag.
21 e.v.). Zo beknopt mogelijk wil ik er iets van zeggen.

De trechter-mond

Ik citeer het begin van artikel 3: "Wij geloven, dat Jezus van Nazareth de Gezondene is van de Vader, de aan Israël beloofde Messias, de Heiland van de wereld.
Want aldus heeft Hij Zich tijdens zijn leven op aarde doen kennen, als de Zoon van God, die kwam om de mensen tot God terug te roepen en hen door de macht van zijn woorden en daden te brengen onder Gods verlossende heerschappij.".
Wat ik in deze - overigens bewonderenswaardige - formulering betreur is de opmerkelijk "bescheiden" positie van de uitdrukking "Zoon van God". Die uitdrukking heeft geen eigen plaats maar funktioneert in een zin van verklarende strekking (Zie het eerste woordje "Want").
Het is niet duidelijk of "Zoon van God" naast "Gezondene", "Messias" nog een eigen betekenis heeft of slechts als een "verzamelterm" moet worden opgevat, waarin die andere benamingen als het ware samenkomen, Wie de hedendaagse theologische ontwikkeling een beetje kent, die weet dat ik hier geen spijkers op laag water zoek. Ten aanzien van "Zoon van God" is de "adoptiegedachte" overheersend. In Hosea 11 : 2 (" ... en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen ... ") wordt de uitdrukking toegepast op Israël dat volk is "verkoren" en "geadopteerd" tot "zoon van God".
In Psalm 2: 7 ("Ik wil gewagen van het besluit des Heren: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt") gaat het om de "adoptie" van de "gezalfde", van Israëls koning. Nu is Jezus - zo zet de gedachtengang zich voort - de ware representant van Israël en evenzeer de ware gezalfde, de Messias. Vandaar dat de adoptie-titel "Zoon van God" in vervulde diepte op Hem van toepassing is. "Messias", "Zoon van God" - het worden benamingen die in sterke mate verwisselbaar zijn, omdat ze in "feite hetzelfde beogen.
Nu erken ik ten volle, dat Jezus Christus de ware representant van Israël en de ware koning is.
Mijn grote bezwaar is echter, dat men in deze gedachtengang de Godheid van Christus het Woord dat bij God was en dat God was en dat vlees geworden is (Joh. 1 : I, 14) - volslagen kàn negeren en in feite ook maar al te vaak wèrkelijk negeert. Dan heeft "Zoon van God" geen eigen diepte meer en is alleen maar het "eindpunt" van een historische lijn. .
Ik behóef niet te zeggen, dat het hier niet om een kleinigheid gaat.
Het gaat om de kernvraag: Wiens Zoon is Hij? Wie is Hij? Hoe Kunnen we in Hem geloven?
Ik betreur het erg, dat niet "van stonde aan", in het begin van het artikel een duidelijke keus naar voren komt. De ingang is daardoor zeer breed - een trechtermond.

De trechter-tuit

Maar komt in het vervolg van dit artikel niet duidelijk naar voren, dat de opstellers het anders en beter bedoelen dan de "adoptietheologen"?
Zeker, dat komt vooral aan het eind duidelijk naar voren.
We lezen: "Hij is arm geworden, terwijl Hij rijk was, mens geworden door Zichzelf te ontledigen.
Want het was God Zelf, die in Hem tot ons kwam en de wereld met Zich verzoende.". Verder wordt de door mij aangeduide passage uit Joh. 1 letterlijk geciteerd.
Hier vindt dus een duidelijke toespitsing en versmalling van het brede begin plaats - de tuit van de trechter. Er zullen er toch echt wel zijn, die de vaargeul ná de aanvankelijke breedte nu te smal gaan vinden.
Zullen we dan onze kritiek van het begin maar weer inslikken?
Is aan het einde alles niet "rèchtgekomen"?
Voorzichtig aan! Bij alle waardering voor het slot blijft de "trechtervorm" voor mij een groot probleem.

Geleidelijke opklimming?

Toch zullen er wel zijn, die deze trechtervorm als zeer juist waarderen.
Kent het evangelie ook niet een "geloofsopklimming", waarin de discipelen pas geleidelijk het hoogtepunt bereiken?
Neem nu het evangelie van Johannes.
In 2 : 11 wordt al gezegd, dat de discipelen in Hem geloofden.
Maar in 20 : 9 wordt van de "andere discipel" pas gezegd, dat hij het zag en geloofde, want "zij kenden nog de Schrift niet, dat Hij uit de doden moest opstaan.".
Is er niet sprake van een voortgang, een verdieping, "een "fasering" in de Christus-openbaring, waarbij de discipelen telkens weer de nieuwe fase met hun geloof als het ware moesten "inhalen"?
Zo moesten zij "groeien" van de bruiloft te Kana naar de opstanding toe!
Heeft men nu niet het recht aan die geloofs-opklimming ook in een geloofsgetuigenis vorm en gestalte te geven en zo allengs te komen van "Gezondene" - "Messias"
- "Heiland" tot "Zoon van God" in de diepste zin van het woord?
Ik geloof dat we hier op een onhistorische toer gaan! Nu het woord van Joh. 20: 31 (" ... opdat gij gelooft, dat Jezus is" de Christus, de Zoon van God ... ") gesproken is en nu het Pinksteren is geweest, kunnen wij niet meer terugvallen in een "Kana-fase".
Hoe goed de prediker ons ook met het gebeuren laat "meeleven", een preek over Joh. 2 moet "verraden", dat zij ná Joh. 20 en ná Pinksteren geboren is. Wij mogen het Kerstgebeuren gedenken maar we kunnen het niet meer meemaken.
Ook in een belijdenisartikel kan men de fasering van de evangeliën niet nog eens "overdoen". Het is niet reëel te verwachten, dat allen, die in de brede ingang met ons meekomen, ook wel met ons naar het eind zullen "toegroeien".
De "adoptie-idee" bijvoorbeeld is helemaal geen voorstadium van het geloof in de eeuwige Zoon van God. Hier is sprake van tegenstelling, van vijandschap, van verwerping.
Ik ben er volledig van overtuigd, dat de opstellers de éénheid van trechtermond en trechtertuit willen bewaren en dat zij tot geen enkele prijs het slot van het artikel zouden willen laten vallen.
Maar wie zou ànderen kunnen beletten tussen begin en eind een tegenstelling te zien en zich binnen het "mond-raam" van het getuigenis te begeven, terwijl het slot verworpen wordt?
Waar zit dan de éénparigheid nog?
En waarvan getuigt het geloofsgetuigenis dan eigenlijk? Dan wordt de trechter wat hij naar vorm en funktie in het dagelijks leven al is: het omgekeerde van een bazuin!

Gegronde vrees?

We hebben maar een onderdeel bekeken. Maar het was allerminst een onbelangrijk gedeelte! Geeft één en ander ons nu aanleiding tot de vrees van dr Masselink, dat het getuigenis zal gaan fungeren als een verpakking van onderling strijdige gedachten?
Ik geloof niet, dat de opstellers een dergelijke verpakking· beogen (wat dr Masselink ook niet beweert), want men ziet bij hen na· de brede opening wel degelijk bijsturing en toespitsing.
Maar de vrees, dat het Geloofsgetuigenis ondanks betere bedoelingen van velen toch als zulk een verpakking zou gáán: funktioneren, is niet ongegrond te noemen.
Is het niet heter àlles wat men bedoelt te belijden maar zonder omwegen. en toeleidingen te zeggen?

Ik hoop, dat men zal willen aannemen, dat ik dit artikeltje zonder enige haat of nijd - alleen in het verlangen naar echte éénparigheid en een echt gelóófsgetuigenis heb geschreven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief