Kommunisme en Christendom
1975-01-17
In verband met het conflict in Zwolle wil ik nog wat nader ingaan op de verhouding van Kommunisme en Christendom. Dat is vooral daarom van belang omdat heel veel christenen en zij die zich zo noemen onder de bekoring, om niet te zeggen: de hypnose, van het kommunisme zijn geraakt. En de geestelijke weerbaarheid van de christenen tegen deze ideologie, men mag wel zeggen: afgodendienst, valse godsdienst, is in de loop der jaren aanmerkelijk, ja zelfs beangstigend verzwakt.- Jaargang 19
- nummer 3
Marxisme en de godsdienst
Marx, de profeet van het kommunisme, - zijn werken zijn voor de kommunisten kanoniek! - haatte het christendom en alle godsdiensten met een dodelijke haat.
In de voorrede van zijn dissertatie, hij promoveerde in 1841, schreef hij o.a. "De wijsbegeerte zal, zolang nog één bloeddroppel door haar wereldbedwingende, absoluut vrij hart stroomt, steeds de tegenstanders met Epicurus toeroepen: goddeloos is niet wie de goden der menigte veracht, maar wie de mening der menigte omtrent de goden aanhangt. De wijsbegeerte moet als belijdenis opheffen de leus: "Tegen alle goden voel ik haat"." 1) In zijn jonge jaren werd Marx sterk beïnvloed door Feuerbach, de atheïstische theoloog die in de eerste helft van de vorige eeuw een onvoorstelbaar diepe invloed heeft uitgeoefend op de jonge intellectuelen in Europa, Feuerbach verdedigde de stelling dat niet God de mens, maar omgekeerd de mens God schiep. Het Godsbeeld dat de mens maakt is de uitdrukking, de uitbeelding, de projectie, van de eigen noden, verlangens, idealen van de mens. Maar Feuerbach ging naar de overtuiging van 'Marx nog niet ver genoeg.
Men kan volgens hem niet zinvol spreken van "de mens". "De mens is een abstractie. Om de mens te leren kennen zoals hij werkelijk is moet men doorstoten naar de sociale wereld waarin hij leeft en die zijn noden en verlangens bepaalt."
Die “sociale wereld" wordt nu bepaald door de productiekrachten - bodem, kapitaal, arbeid, techniek enz. en de daaruit gegroeide productieverhoudingen. Déze beheersen, bepalen, vormen de mens. De concrete mens is het product van die productieverhoudingen.
Kort en bondig formuleerde Marx zijn theorie eens met deze woorden: In het algemeen bepaalt de produktievorm van het materiële leven het sociale, politieke en geestelijke levensproces. Het is niet het bewustzijn der mensen dat hun zijn, maar omgekeerd, hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn bepaalt. Godsdienst, gezin, staat, recht en moraal, wetenschap, kunst, kortom de gehele cultuur zijn slechts bijzondere wijzen van deze produktievormen.
En ze vallen daarom onder hun algemene wet.
Uiteindelijk IS de mens alleen maar dat wat hij EET. Dat is de korte formule van de marxistische ideologie. In het duits klinkt die stelling nog pittiger: Der Mensch ist was er isst. Berthold Brecht, de ook in ons land zo populaire marxistische toneelschrijver en dichter, laat in één van zijn stukken dit door een van zijn sujetten rauw en duidelijk zó zeggen: "Erst kommt das Fressen. und dann kommt die Moral."
Het is duidelijk uit het genoemde dat het marxisme, en het leninisme dat daarvan een nadere uitwerking is, voluit een materialistische wereld- en mensbeschouwing heeft.
Het gaat ervan uit dat de wereld naar haar wezenlijke aard stoffelijk is. De veelvormige verschijnselen in de wereld zijn de verschillende gedaanten van de zich bewegende eeuwige stof. De wereld beweegt zich volgens de wetten van de beweging van deze stof. Een of andere "wereldgeest" of "god" is voor de verklaring van deze beweging niet nodig. Daarvoor is eeruvoudig geen plaats. De gedachte daaraan is zelfs zonder meer absurd. Ze is bovendien dom - èn gevaarlijk. En ze moet daarom met alle kracht bestreden worden. De marxistisch-leninistische wereld- en levensbeschouwing is radikaal en totaal atheïstisch.
Godsdienst opium VAN het volk
De ideeën van de marxistischleninistische ideologie ten opzichte van de godsdienst worden bizonder duidelijk als men nagaat wat Marx bedoelde met zijn zo bekende uitspraak: godsdienst is de opium van het volk.
Ik wil er eerst op wijzen dat deze uitspraak bijna altijd verkeerd wordt weergegeven. Ik heb dat vele malen kunnen constateren.
Men zegt of schrijft dan: godsdienst is de opium voor het volk.
En dan wordt die stelling voorts, ten gevolge van deze verkeerde weergave ervan, ook altijd weer verkeerd geïnterpreteerd.
Men stelt Marx' bedoeling dan ongeveer zo voor: Er is een categorie van beroepsbedriegers. verachtelijke knechten van "het kapitalisme", die. een middel hebben uitgevonden om de werkende massa, het onderdrukte proletariaat onder de duim van de kapitalisten te houden. Een middel waardoor zij er geen besef van krijgen in welk een ellendige situatie zij zich bevinden, hoe ze uitgebuit worden. Een middel waardoor ze zich gewillig schikken in de slavernij waarin ze in de kapitalistische maatschappij gehouden worden. Deze beroepsbedriegers zijn vooral de "geestelijken", de priesters en de dominees. En het middel dat deze lieden voor hun vileine praktijk gebruiken is de godsdienst. Die is het opium dat zij het volk toedienen. Door middel van deze godsdienst maken zij enerzijds de massa doodsbenauwd.
Want ze verkondigen een of andere "god" die de opstandige proletariërs straft, als die het erg bont maken zelfs met een eeuwige straf! Maar anderzijds verkondigen zij de slaven van "het kapitalisme", dat als ze geduldig hun juk torsen en trouw hun slavendienst verrichten nà hun dood in een soort heilsstaat, een of andere "hemel" zullen komen, waarin ze onuitsprekelijk gelukkig zullen zijn. Kort gezegd: deze volksmisleiders houden de proletariërs hier in hun ellende en schepen ze daarbij af met "een wissel op de eeuwigheid."
Van heel deze voorstelling van zaken vindt men bij Marx, als hij over de godsdienst als opium van het volk spreekt, niets!
Ik zal zo precies mogelijk weergeven wat hij over deze zaak zelf zei. De uitdrukking is te vinden in een van zijn eerste geschriften.
2) Dat is een belangrijk gegeven.
Want de nee-marxisten en de talrijke marxistisch beïnvloede theologen beroepen zich vooral op de geschriften van de jonge Marx, De grondslag van de kritiek op de religie, op alle religie is, aldus Marx, dat de mens religie maakt en niet de religie de mens! De religie is, zo schrijft hij letterlijk, "het zelfbewustzijn en het zelfgevoel van de mens, die zichzelf of nog niet gevonden of alweer verloren heeft".
Marx betoogt dan vervolgens dat de mens volledig wordt beheerst, gevormd door de productiekrachten en door het productieproces, dus de productieverhoudingen.
"De mens, dat is de wereld der mensen, de staat, de maatschappij."
De religie is nu "de algemene theorie van deze (kapitalistische C.V.) wereld." Zij is "haar allesomvattende handleiding, haar logica in populaire vorm." Zij is "haar spiritualistisch eergevoel, haar bezieling, haar zedelijke bekrachtiging, haar vervolmaking, haar algemene troost- en rechtvaardigingsgrond.
Zij is de schijnverwerkelijking van het menselijke wezen omdat het menselijk wezen geen ware werkelijkheid bezit. De strijd tegen de religie is dus indirect de strijd tegen die (kapitalistische) wereld, welker geestelijk aroma de religie is."
Maar daarmee is nog niet alles gezegd. Aan de religie, en dan speciaal de christelijke is inherent het lijden. Er is geen christelijk geloof, geen christelijke religie zonder lijden. Dat godsdienstig lijden is nu "tegelijkertijd" de uitdrukking van het werkelijke lijden en van het verzet tegen het werkelijke lijden. De religie is de verzuchting van het schepsel in nood, het geweten van een harteloze wereld, zoals zij de geest van geesteloze toestanden is. Zij is opium van het volk ("Opium des Volkes", niet: Opium für das Volkl), De afschaffing van de religie als het denkbeeldig geluk van het volk is vereiste voor zijn werkelijk geluk. De eis af te stappen van illusies over iemands toestand, is de eis af te stappen van een toestand die behoefte aan illusies schept. De kritiek op de religie is aldus in de kern de kritiek op het tranendal, welks aureool de religie is."
Weg met alle religie!
Volgens Marx is het dus zo: de godsdienstige mensen, speciaal de christenen, zijn gelijk aan de mensen die in miserabele omstandigheden verkeren en in hun ellende de toevlucht nemen tot de opium van de christelijke religie. Zij proberen daardoor een "kick" te krijgen die hen in een schone, ideale wereld verplaatst. Maar dit.
gedoe is schijn, illusie, zelfbedrog.
Het is de meest fatale "zelfvervreemding" van de mensen. Wat deze rampzalige stakkers nodig hebben is de opheffing van de afschuwelijke omstandigheden waarin zij verkeren en die hen er toe brengen de toevlucht tot dat opium, die drug, dat vergif van de christelijke godsdienst te nemen.
Als dát slaagt zal vanzelf de noodzaak, de drang om van dat "opium" gebruik te maken verdwijnen.
In plaats van het schijngeluk valt hun dan het ware geluk ten deel!
En daarom is het "de taak van de geschiedkunde, om, nadat de waarheid van het bovenzinnelijke is ontdaan, de waarheid van deze wereld te grondvesten. Het is in de eerste plaats de taak van de wijsbegeerte, die de geschiedwetenschap van dienst is, om, nadat de heiligenfiguur van de menselijke zelfvervreemding is ontmaskerd, de zelfvervreemding in haar onheilige verschijningsvorm (nl. de christelijke religie) te ontmaskeren.
De kritiek van de hemel gaat dan over in de kritiek van de aarde, de kritiek van de religie in de kritiek van het recht de kritiek van de godgeleerdheid in de kritiek van de politiek."
Uit dit alles is duidelijk dat Karl Marx iedere godsdienst van ganser harte verfoeit Met name de christelijke. Want' die is een excrement van het kapitalisme. Die afwijzing is voorts een wezenselement van zijn beschouwingen. Zij staan of vallen daarmee. Het is daarom een dodelijk gevaarlijke gedachte te menen dat men b.v. bepaalde opvattingen van Marx over de structuur der maatschappij zou kunnen losmaken van, uitpellen uit, zijn systeem, zijn ideologie.
Ieder compromis tussen de marxistisch-leninistische ideologie en het authentieks christendom is een onmogelijk!heid, een fictie.
Het gaat hier om: Of-Of.
Ten slotte wil ik nog dit zeggen: kritiek op de huiveringwekkende, ten hemel schreiende toestanden op maatschappelijk en sociaal gebied die door. mannen als Bilderdijk, Da Costa, Groen van Prinsterer en Kuyper werd geoefend was in de grond der zaak veel scherper en dieper dan die ooit door Marx werd gegeven.
1) Marx' dissertatie had als thema Demoeritus en Epicurus. Hij promoveerde in 1841 in de philosophie.
2) Uit: Zur Kritik der Hegelscben Rechtspsilosophie. Zie Landshut· und Mayer: Die Frühschriften, 263-265.