Een gekozen formateur?
1975-01-24
In de discussie over de vraag of in de toekomst een kabinetsformateur door het kiezersvolk aangewezen moet worden, zoals door het huidige kabinet is voorgesteld, heb ik tot nog toe weinig of niets gelezen over de staatsrechtelijke kant van de zaak. Men vraagt zich wel af of achter dit voorstel niet de wens zit, te komen tot een twee blokkensysteem in de Nederlandse politiek: het kiezersvolk zou dan verdeeld worden over twee kampen, een "links" en een "rechts"; beide kampen zouden de als formateur gewenste man naar voren kunnen schuiven, en degene die de overwinning behaalde zou vrijgemakkeliik klaar komen met de kabinetsformatie omdat de formateur op grond van de verkiezingsuitslag onmiddellijk zou weten uit welk kamp hij zijn ministers zou moeten halen.- Jaargang 19
- nummer 4
In de Nederlandse verhoudingen is het niet mogelijk te komen tot een twee-partijensysteem, zoals dat bestaat in de Verenigde Staten, en bijna ook in Engeland en West-Duitsland. Een tweeblokkensysteem.
waarin bepaalde politieke partijen zich aaneensluiten tot een blok, zou echter - zo is de gedachtengang van menigeen - wellicht te verwezenlijken zijn, en dit zou wellicht bevorderd worden door de invoering van "de gekozen formateur".
Er zijn - terecht - bezwaren ingebracht tegen het streven naar een twee-blokkensysteem: het alternatief "links-rechts" is principieel onjuist. Van regeringszijde is ook verzekerd dat het voorstel tot invoering van de figuur van de gekozen formateur niet voortgekomen is uit de begeerte tot dat systeem te komen.
Als bezwaar is ook naar voren gebracht dat de invoering van "de gekozen formateur" weini:g of geen verandering zou betekenen voor de kabinetsformatie. De koehandel. de touwtrekkerij, de strijd om de bezetting van bepaalde departementen zou evengoed blijven bestaan, omdat in de praktijk toch altijd weer samenwerking tussen partijen gezocht zal moeten worden, wil men komen tot een vruchtbaar samenspel tussen kabinet en volksvertegenwoordigers. Ook is al geopperd dat in een bepaalde situatie vele kiezers een bepaald iemand, een figuur van nationale betekenis en van erkende bekwaamheid, als formateur zouden wensen, zonder daarmee te kennen te geven dat ze nu zo enthousiast zijn over de partij of het blok waartoe die figuur behoort.
De verkiezing van zo iemand tot formateur zou dan dus helemaal niet betekenen dat hij nu zijn ministers maar moet gaan zoeken onder zijn politieke vrienden.
Voorts is aangevoerd dat vanuit de kiezers ook wel méér dan twee personen als candidaat-formateur zouden kunnen voorgedragen worden, hetgeen ook weer de bekende strijd om ministersposten tot onvermijdelijk gevolg zou hebben De moeizaamheid waarmee nu elke kabinetsformatie tot stand komt zou geenszins overwonnen zijn.
Er is echter nog een aspect aan de zaak dat, voorzover ik de discussies gevolgd heb. nog maar weinig tot z'n recht gekomen is, en waarover dan nu enkele opmerkingen mogen volgen.
Elk staatsbestel kent de tweeheid van overheid en onderdaan. Die tweeheid behoeft geen tegenstelling te zijn, mag geen tegensteling zijn: overheid en onderdanen vormen sámen het staatkundig samenlevingsverband, en zij hebben elk op hun eigen plaats en in hun eigen functie in dat verband met elkaar te leven. Hoe vaak er ook revoluties geweest zijn die het bestaande gezag omverwierpen,' er kwam altijd weer een ander gezag voor in de praats. Hoe vaak ook de leuze van gelijkheid van alle mensen aangeheven wordt, hoe vaak ook de gezagsloosheid, het anti-autoritaire gepredikt wordt, het resultaat is altijd weer dat men niet om de eigen aard van "de staat" heen kan: er komt altijd weer en er blijft de tweeheid van overheid en onderdanen.
Nu is het in het Nederlandse staatsbestel zo dat we aan de overheidszijde hebben H.M de Koningin met de dienaren der Kroon, de ministers, die de verantwoordelijkheid voor het beleid dragen, en aan de andere kant degenen die zich aan dat beleid 'hebben te onderwerpen. Ik laat in dit verband buiten beschouwing dat er ook nog weer lagere’ overheden zijn, de Provinciale Staten en de Gemeenteraden: het gaat op dit moment over de landelijke verhoudingen, In die landelijke venhoudingen is het dan voorts zo dat de onderdanen het recht hebben een volksvertegenwoordiging te kiezen en dat zonder medewerking van die volksvertegenwoordiging geen wet tot stand kan komen. Natuurlijk zijn de ministers op hun beurt ook weer onderdanen: ook zij moeten belasting betalen, zich aan de verkeersregels houden en wat dies meer zij, en het kan hun hun ministeriële bestaan kosten - dat hebben we al eens beleefd -, wanneer zij op zulk een punt zich misgaan. Ook is het, gezien de noodzakelijkheid van samenwerking tussen regeringskabinet en volksvertegenwoordiging, eis dat bij de kabinetsformatie ernstig rekening gehouden wordt met de samenstelling van de volksvertegenwoordiging.
Maar, hoe waar dit alles moge zijn, en hoe ingewikkeld daardoor de staatsmachinerie van in elkaar grijpende tandraderen ook moge worden, een feit blijft dat we enerzijds de overheid hebben en andererzijds de onderdanen, en dat het kabinet naast H.M. de Koningin aan de ene kant staat en het volk met z'n vertegenwoordiging aan de andere kant.
Binnen het kader van dit staatsbestel past nu, naar het mij voorkomt, de gekozen kabinetsformateur niet, maar moet het staatshoofd de formateur benoemen.
Daartoe zal het staatshoofd uitvoerig adviezen inwinnen van allerlei personen, van de voorzitters van de kamerfracties, van de vice-voorzitter van de Raad van State en van weet ik wie allemaal.
En het staatshoofd zal, bij de bepaling van z'n Jceus, serieus rekening houden met de uitgebrachte adviezen, die alle, zoals men verwachten mag, mede gebaseerd zullen zijn op de concrete politieke verhoudingen, Maar dit alles neemt niet weg, dat het gaat om de benoeming van een dienaar der Kroon, en dat de Kroon daarin tenslotte te beslissen heeft.
Natuurlijk kan men hiertegen aanvoeren dat. ook wanneer de formateur door het kiezersvolk aangewezen wordt, de benoeming dan toch nog van de Kroon moet komen en dat hij dán pas formateur is. Maar met zulk een gang van zaken is alle eigen keuzemogelijkheid aan de Kroon ontnomen . hetgeen m.i. noch principieel noch zakelijk een vooruitgang zou zijn. De idee van de democratie in de principiële zin van het woord - "volksheerschappij" - zou op deze manier weer veld winnen, en bovendien zou de eigen invloed van het staatshoofd, die heilzaam kan werken tegen de verwording van het partijwezen in, geheel uitgeschakeld worden.