Dirk Rafaelsz. Camphuysen
1975-01-31
De theoloog - Jaargang 19
- nummer 5
In het voorgaande hebt U gelezen, dat Camphuysen afzag van het predikambt, vanwege het gevaar dat de luisteraars liepen, als ze een afgezet predikant beluisterden of voorthielpen of onderdak verleenden.
Maar achter deze 'ambtsverlating' zat een veel diepere oorzaak. Camphuysen was langzamerhand tot de overtuiging gekomen, dat het ambt van predikant helemaal niet moest bestaan. In Norden had hij vrienden ontmoet, die tegenstanders waren van de eenmansbediening en die veel meer voelden voor het 'oefenen': een ieder die meende wat te moeten zeggen in het midden der gemeente kon dat doen. De vrienden waren in Rijnsburg geweest, waar de secte der 'Rijnsburgse Collegianten' vergaderde. Zij hadden gedacht, toen hun eigen predikant door de Dordtse synode was afgezet: Waarom zouden we onszelf niet kunnen stichten? Daarbij kwam, dat deze groepering volkomen onconfessioneel was: van een of ander belijdenisgeschrift moest ze niets hebben.
Camphuysen was het met deze denkbeelden eens en in Norden heeft hij ze ook in de praktijk toegepast.
Om het bovenstaande is hij ook van de Remonstranten vervreemd.
Die hadden al heel gauw na de Dordtse synode een nieuw kerkgenootschap gesticht en daarbij ook een confessie ontworpen, hoewel men meteen uitsprak, dat die nooit ofte nimmer een bindende kracht mocht hebben. Hij duidde zijn eigen positie eens als volgt aan: "van niemant afgescheyden ende aan niemant precyselick vast".
Ook in zijn theologische denkbeelden was Carnphuysen zeer ver verwijderd geraakt van de Gereformeerde beginselen. Toen hij tijdens zijn zwerftochten op Ameland woonde, heeft hij o.a. zijn tijd besteed aan het schrijven van het ‘onbedriegelijk oordeel tusschen goede en quade leere'. Met 'oordeel' bedoelt hij het menselijk oordeel, dat voldoende in staat is om te onderscheiden tussen ware en valse leer. Het verstand kan wel beslissen wat nodig is voor een godzalig leven en dat is dan een deugdzaam leven. Het is met ons in orde als we dáártoe gezind zijn. 'Gelooft niet dat yet van Godt is, voor dat gy sels verstaat dat het goed is'.
Het is geen wonder, dat Camphuysen een moeilijk geestelijk leven moet hebben doorgemaakt, want het ontbrak hem ten enenmale aan de zekerheid des geloofs. Immers, wie zijn zekerheid wil ontlenen aan zijn deugdzaam leven, blijft doorlopend staan voor de vraag of dat leven wel deugdzaam genoeg was. .
In zijn dichtwerken ontbreekt dan ook steeds het vreugdevolle moment.
In de enkele blijde gedichtjes die hij schreef klinkt toch nog een sombere ondertoon. Iemand schreef: 'Zijn negatie van de kerndogma's der Christelijke leer beroofde hem van de diepst emotionerende motieven der Christelijke lyriek.' Voor hem was Ohristus alleen Wetgever en Voorbeeld, wiens juk hard was en wiens last zwaar.
Zijn dichtwerk
In 1624 verscheen bij een onbekende uitgever te Hoorn een bundeltje gedichten van Camphuysen, zonder dat overigens zijn naam op de titelpagina prijkte: het gevaar van de vervolging bestond immers nog altijd. Het is met deze bundel 'Stichtelijke Rijmen' anders gegaan dan de dichter ooit had kunnen dromen: binnen een anderhalve eeuw tijd waren er vijftig drukken van verschenen, een eer die zelfs aan Vader Cats niet kan worden toegeschreven. Camphuysen had het boekje gereed gemaakt in zijn Dokkumse tijd, toen er 'geld moest komen. Zelf is hij naar Hoorn gereisd om toezicht op het werk te houden; hij was immers zelf boekdrukker geweest. En het resultaat mocht er zijn. Het is een boekje dat er uit ziet als een psalmboekje: klein van formaat, geschikt om in de kleding mee te nemen.
In het voorwoord zegt de dichter: 'Het is mij (beminde Lezer) vrij wat tegen dat ik juyst mede een Boeck in de Weereld moet brengen'. Maar als het dan toch moest, dan zou het zo goed mogelijk zijn. Bescheiden schrijft hij: 'In mijn Rijmen en Dichten zullen zonder twijfel de rechte oordeelaars en Konst-hebbers veele fauten zien doch misschien op verr' na zoo veel niet als ik zelfs. Ik ben voldaan als maar 't Boeck zijn Opschrift voldoet, dat is dat het U, Christelijke (of tot Christelijkheyd bereyde) Lezer stichte en met eenen vermake'. In een van zijn gedichten schrijft hij:
Elk heeft zijn byzonder drijven;
Elk heeft zijn byzonder lust
Daar zijn geest op werkt en rust
Dien hygaarn het liefst laat blijven
Daar hygaarn van spreekt en queelt:(= zingt)
Elk heeft wat daar hy me'e speelt.
En dan volgt er wel wat al te bescheiden en ook niet geheel naar waarheid:
Uws gebuurmans lust is tuynen
Of te zien op kruyden kracht:
Uw vermaak is op de jacht
Of met fret en net in duynen;
Rijmpjes maken is het mijn.
Met een woord: Elk heeft het zijn.
Zijn hoofddoel was en bleef: stichten. Dat deed hij in het algemeen, dat deed hij ook in bijzondere gevallen. Zo schreef hij 'Voor een Jonge Dochter M.G. in hare langdurige en sware ziek-quale':
't En is niet alle tijd van vreugde dat men zingt:
Ik zing hoewel met pijn, smert en ellend omringt.
By menschen schijnt geen hulp: waar zal ik henen gaan?
Tot hem daar vreugd en pijn en alles komt vandaan.
In een troostlied voor een vader wiens zoon verdronken is zegt hij:
Wat heeft de mensch waar op hij vast mag staan?
Dat sterff'lijk komt, moet sterff'lijk henegaan.
Vergeefs bezucht men 't gaan van 't noodig pad:
En beter noyt, dan al te liefgehad.
Ziet U, voelt U hoe in de laatste regel Camphuysen een fraaie zegging bereikt, die blijft hangen alsof hij een spreuk was.
Uit de veelheid van verzen zou ik U nog vrij gemakkelijk een serie van schone regels kunnen tonen. Wat vindt U van:
Wat is de Meester wijs en goed,
Die alles heeft gebouwt
En noch in wezen blijven doet,
Wat 's menschen oog aanschouwt.
De Mey wiens zoetheyt zoo ver strekt;
Dat zijn gedachtenis
In's menschen geest al vreugd verwekt
Eer hij voorhanden is.
Elk diertje heeft zijn vollen wensch
En quel-begeert (= begeerte tot kwellen) leyt stil; Bethalven in den dwazen mensch
Door zijn verkeerden wil.
Hoe verder Camphuysen van de gebeurtenissen die tot zijn verbanning hadden geleid kwam af te staan, hoe objectiever zijn gedichten werden.
Inhet voorgaande hebt U enkele regels kunnen lezen uit het 'Schey-liedt', waarmee hij afscheid nam van het vaderland. Dat lied heeft hij later .geheel omgewerkt in het 'Gebed in tegenwoordig en toekornelijk Lijden'. Ik geef U een paar opmerkelijke wijzigingen:
De Satan kreeg (niet lang gele'en)
In onze Vader land
't Verkeerd-geleerde rot by-een,
Stout op de aardsche hand,
veranderde hij als volgt:
Al krijgt de Satan of zijn le'en
In 't een of 't ander land
't Verkeerd-geleerde rot by een
Stout op de aardsche hand; (enz.)
De volgende regels uit het 'Schey-liedt'
Dus moest ik door den kruys-weg heen,
Doch die 'k alleen niet trad:
't Is beter met Gods volk gele'en,
Dan sonden-nut gehad.
vinden we als volgt in het 'Gebed' terug:
Al moet men door den kruys-weg heen
't Is 't hard maar zalig pad;
En beter met Gods volk gele'en
Dan zonden-nut gehad.
Bovendien heeft hij de lengte tot de helft ingekort, door alle eigen ervaringen er uit weg te laten.
De Psalmen
In de 'Stichtelijke Rijmen' komen ook een aantal berijmde psalmen voor. In het Liedboek voor de Kerken kunt U er een vinden. (Of hebt U geen Liedboek in huis? Jammer! Dan zult U er ook wel niet uit zingen in de Kerk. Ook jammer!) Het is nr 420: Een bewerking van psalm 121. In het Liedboek komen maar twee strofen voor; oorspronkeiijk heeft Camphuysen zes strofen geschreven, waarvan ik de volgende overschrijf:
1. Ik hoor trompetten klinken
De vyand is naby;
Ik zie harnassen blinken
En niemand is met my:
Het hart klopt door 't benouwen:
Dies laat ik diep beschroomt
't Gezicht 't gebergt aanschouwen
Of daar geen hulp van koornt.
6. Geen quaad en kan u deren:
't Zy of gy buytens huys
U zelven moet generen (= bezig zijn)
Daar is geen vreez' voor kruys;
't Zy of gy binnen deuren
In uwen huyze bent
Geen quaad kan u gebeuren
Van nu tot aan uw end.
Ook in de bewerking van psalm 125 staan een paar zeer gelukkig getroffen regels .
1. Wat winden dat 'er ruyschen
wat regen dat 'er plast
Het hooge huys van Sion
staat onbeweegt en vast.
2. De hoog-getopte bergen
zijn als een vaste schans
'Rondom Jerus'lem henen;
geen vyand heeft 'er kans.
Als U een beetje op de hoogte bent van de onberijmde psalmen, dan is het niet moeilijk in te zien, dat Camphuysen meer deed dan alleen berijmen. Hij breidde de teksten vaak uit en dat deed hij ook in zijn tweede dichtbundel, die verscheen in 1630. Toen was de dichter al dood. Die was immers in 1627 gestorven. Door het succes van zijn 'Stichtelijke Rijmen' hadden vrienden aan hem de opdracht verstrekt om de psalmen te berijmen op zodanige wijze, dat ze in hun bijeenkomsten gezongen zouden kunnen worden op de bekende melodieën.
(De zojuist genoemde hadden heel andere zangwijzen.) Camphuysen noemde zijn nieuwe bundel 'Uytbreyding over de Psalmen Des Proplheten Davids'; U ziet het: niet uitsluitend berijming. Deze psalmberijming werd veel gebruikt in de kringen die zich met Camphuysen verwant voelden: de Rijnsburgse Collegianten, de Doopsgezinde groeperingen, sommige Remonstranten.
Naar mijn smaak zijn deze psalmbewerkingen van minder dichterlijke kwaliteit dan die uit de 'Stichtelijke Rijmen'. Ze zijn ook lang niet zo bekend geworden en gebleven.
Merkwaardig is, dat de Zuid afrikaanse psalmberijmer Totius in deze eeuw nog gebruik gemaakt heeft van het werk van zijn voorganger Camphuysen. Veel nam hij over, veel van de 'uytbreyding' liet hij weg, -het niet orthodox klinkende veranderde hij. Zie het volgende voorbeeld uit psalm 119:
Uwe wetten draag ik liefde, wankelbaren menschen haat.
Heer, Gy zyt myn schut, bescherming, en uw woord myn toeverlaat.
Weg van my, gy boosgeaarde; 't is myns harten vollen wil
In al myrs bedrijf en hanid'len zoo te wand'len als God wil.
Deze regels komen bij Totius als' volgt terug:
Vir u wette dra ek liefde vir die twyf'laars enkel haat.
Heer, U is my skild en skuiling, en u woord my toeverlaat.
Weg van my, 0 boosgeaardes; want dit maak my onrus stil:
om in myn bedryf en handel so te wandel soos God wil.
Toen Camphuysen zijn psalmboek voltooide, leed hij al aan de ziekte die hem het leven zou kosten. En hij wist dat. Maar het vervulde hem met diepe blijdschap, dat hij gereed had, wat hij als zijn levenswerk moet hebben beschouwd. Op zijn sterfbed sprak hij de woorden: "De Heere sij gedankt en gepreesen, het psalmboek is voltrocken."