De regel van Mattheüs 18
1975-02-07
Er zijn enkele hoofdstukken in de bijbel, waarvan het nummer een begrip op zichzelf is. Zo hoef je in een kring van enigszins meelevende broeders en zusters alleen maar te zeggen: "Romeinen 13", en ze weten dat ie het over het gezag van de overheid hebt. Jesaja 53. dat weet ook iedereen: de lijdende Knecht des Heren.- Jaargang 19
- nummer 6
1 Korinthe 13: het hoofdstuk van de liefde.
Noem je Mattheüs 18, dan roept dat prompt de gedachte op aan de kerkelijke tucht. Wanneer iemand iets te berde brengt over zijn broeder, dan vragen we hem: "vergeet je niet de regel van Mattheüs 18? Je moet met hem praten onder vier ogen".
Mattheüs 18 heeft er nogal onder geleden dat het verknipt is in losse stukken, waar we geen verband tussen zagen. Neem bijvoorbeeld vers 20 uit dat hoofdstuk.
Daar staat: "Want waar twee of drie vergaderd zijn in mijn naam, daar ben Ik in hun midden".
Zonder te letten op het verband waarin die woorden staan, gebruikt men ze als bemoediging, wanneer er in een kleine gemeente maar een stuk of tien kerkgangers in het zaaltje gekomen zijn.
Het voorafgaande vers, het negentiende dus, daar geldt hetzelfde van. "Als twee van u op de aarde iets eenparig zullen begeren, zal het hun ten deel vallen van mijn Vader, die in de hemelen is". Dat mág je niet losmaken van het verband, en dat verband gaat over de tucht.
We hebben het dus over de "regel van Mattheüs 18". Wat hebben we er van gemaakt? Sommigen konden bijna lyrisch schrijven over de kerkelijke tucht. "Een kerk die waarachtig liefheeft, weet ook mensen weg te drijven, uit te stoten, de woestijn in te jagen". En meer van zulk soort zinnen.
Mattheüs 18 is, helaas, voor velen een handleiding geworden voor de toepassing van de kerkelijke tucht. Dan gaat het altijd fout. "Bestraf hem onder vier ogen", dat is wel het moeilijke begin, maar kijk eens aan, dat kun je tegenwoordig per telefoon doen. De rest komt dan met een ijzig automatisme. Je hebt in het kerkelijk leven de "trappen van censuur". Eerste trap, tweede trap. en dan de "ban" of uitsluiting uit de Christelijke gemeente.
Die "ban" geven we een mooie naam: "uiterste remedie"; het laatste geneesmiddel. Het is dan wel een paardemiddel.
Bij dit onheilige toepassen van tucht denken we meestal aan de tucht die het gevolg was van meningsverschillen in het kerkelijk leven. Maar er is veel meer gebeurd. Ik denk aan de "tucht over doopleden" waarover voor de tweede wereldoorlog door synodes gehandeld is. Toen konden jongens worden uitgestoten, die 's zondags voetbalden of naar het voetballen gingen kijken. Als één van die jongens jaren later weer naar de Here gaat verlangen, zal hij niet opnieuw de kerk opzoeken die hem indertijd uitstootte.
Er komt dan teveel bij hem boven, aan gegriefdheid of aan schaamte, of aan allebei; zodat hij dan toch liever naar een andere kerk gaat. Er is immers keus genoeg.
In 1936 was er een synode die een uitspraak deed over de C.D.U.
Onze jongens weten daar niet meer van, die denken bij C.D.U. aan de Bondsrepubliek. Maar indertijd had je in ons land ook een C.D.U. Die werd door de synode in één zak gestopt samen met de N.S.B., waar ze niets mee te maken had. Het ging bij de C.D.U. over het antimilitarisme.
Goed, wie lid was van de C.D.U. kon met de kerkelijke tucht "behandeld"
worden. Er was een gemeente waarvan sommige leden zich bij de C.D.U. hadden aangesloten.
De herder van die gemeente zei: "we hebben om dat synodebesluit niet gevraagd, en we hebben er dus niets mee te maken".
Maar niet elke gemeente had zo'n herder en de tucht werd toegepast.
U zegt: dat was misbruik van de tucht en het misbruik heft het gebruik niet op. Dat is wel zo, maar als er zo ontstellend veel misbruik is, moeten we dan niet eens nadenken over de vraag, wat de Here ons eigenlijk leert in Mattheüs 18 ?
En zéker in onze tijd moet de kerkelijke tucht geen slag in de lucht zijn. We weten nu toch allen.
dat wanneer je iemand af snijdt, hij gegarandeerd nooit in jouw kerk terugkomt. Hij zal een andere kerk zoeken. Vroeger lag dat misschien anders. Toen kon je nergens heen. Rooms worden deed je niet en je kon de kerk ook moeilijk missen omdat je dan overal buiten kwam te staan.
Buiten je familie en buiten je werk op den duur. Toen had de afsnijding enige zin. De verloren zoon kwam ook terug omdat hij honger had en zonder werk zat.
Als de tucht inderdaad een geneesmiddel is, moet je dat middel alleen toedienen wanneer je redelijkerwijs mag aannemen dat het iets uithalen zal. Anders gaan we als kerk geweldige woorden zeggen, die nergens op slaan.
Is de tucht dan geen opdracht die de Here Jezus aan de gemeente gaf? Hij heeft toch Zelf gezegd:
"indien hij (de zondaar) naar de gemeente niet luistert. dan zij hij u als de heiden en de tollenaar"?
Ja, maar wat betekent dat? De Here Jezus heeft dat gezegd en Hij heeft zelf aanvankelijk weliswaar de heidenen wat op een afstand gehouden, maar de tollenaars zeker niet. Die stootte Hij niet af.
Men heeft uit deze moeilijkheid een uitweg gezocht. De Here Jezus zou zich bij de bestaande opvatting en praktijk hebben aangesloten.
De Jood had geen contact met de heiden en de tollenaar.
Het lijkt mij toch onwaarschijnlijk dat de Here Jezus zich bij een praktijk aansluit, die Hij Zelf in woord en daad veroordeelt: Kan het niet zijn, dat de Heiland bedoeld heeft: "een broeder die hardnekkig weigert te luisteren naar de gemeente, moet je maar zien als iemand bij wie je helemaal van voren af aan beginnen moet?" Dat deed de Here Jezus al immers ook Zelf. Hij zocht de tollenaars en Hij nodigde zichzelf uit om bij hen te eten.
Het is van groot belang, dat we er op letten, hoe de woorden van de Here Jezus over de "tucht" overgekomen zijn bij de leerlingen.
Want wij leven zoveel later. Wij zien Hem niet spreken. Wij horen niet zo direct de toon van zijn stem en wij zien zozeer niet hoe Zijn ogen staan. De discipelen wel.
En dan valt het ons op, hoe Petrus reageert op de woorden van de Heer. Toen kwam Petrus bij Hem en zeide: Here, hoeveel maal zal mijn broeder tegen mij zondigen en moet ik hem vergeven?
Toen. Dat woordje is belangrijk.
Nu weten we, hoe de woorden van de Here Jezus althans bij Petrus overkwamen.
Petrus heeft niet gedacht: 0, nu hebben we een handleiding voor de tucht, maar hij heeft gedacht: wat is dit moeilijk. Kunnen we dit wel opbrengen? Hoe vaak moeten we vergeven? Komt daar nooit een eind aan?
Wij leerden vroeger op catechisatie dat "tucht" een woord was, dat afgeleid was van het woord "trekken". Ik weet niet of onze dominee hierin taalkundig gelijk had. Maar zakelijk in ieder geval wel.
Als we het hebben over "de regel van Mattheüs 18" dan moeten we niet denken aan "tucht volgens het boekje", maar aan de sterke band van de liefde, waarmee we trekken, naar de Here Jezus toe. In onze mond mag het Woord van God zeer levend zijn; wanneer we met de zondaar spreken.
Het kan onze eigen jongen of dochter zijn. Het woord "vergeving" is, als de regel van Mattheüs 18, de gouden draad door al onze woorden heen.