Oproep vanuit Nes Ammim, Israël
1975-02-07
Als christelijke nederzetting in Israël volgen wij met aandacht en zorg de uitspraken en verklaringen van kerken en individuele christenen in Nederland over de situatie in en rond de Staat Israël.- Jaargang 19
- nummer 6
Wij schrijven deze oproep met Kerst 1974, een oproep die u aan het begin van het jaar 1975 bereikt.
In het nieuwe jaar willen wij vanuit Israël uiting geven aan onze zorg over de situatie in het Midden-Oosten en een krachtige oproep doen aan alle nederlandse christenen tot gebed voor en dienst aan Israël.
Als groep van ongeveer 90 personen zijn wij in Nes Ammim een niet onaanzienlijke vertegenwoordiging van de nederlandse christenheid in Israël. In het klein delen wij hier dagelijks in de spanningen en dreigingen van een ogenschijnlijk onvermijdelijke oorlog. Door de regelmatige terreuraanvallen in Israël worden wij telkens weer aan deze dreiging herinnerd.
Wij trachten ons daadwerkelijk te wijden aan de dienst aan Israël door de inspanning van ons werk (o.a. rozencultuur), door onze vele kontakten en gesprekken met joden en arabieren. Onze hoop wordt gevoed, doordat wij af en toe kleine bruggen van begrip en verzoening mogen slaan over kloven van misverstand en achterdocht.
Vanuit onze christelijke verbondenheid ontstaan ook goede kontakten en diepgaande gesprekken met onze arabische medechristenen in Galilea.
Wij willen kerken en christenen ik in Nederland oproepen om:
a. te bidden, dat het jaar 1975 een jaar van SJALOOM mag zijn voor Israël en het Midden-Oosten,
b., zich met de liefde, die van een christen verwacht mag worden, voor het volk waaruit de Messias geboren werd, in te zetten voor het voortbestaan van de Joodse Staat, die zo nauw verbonden is met heel de joodse identiteit.
c. er bij de nederlandse regering en volksvertegenwoordiging op aan te dringen om het langzaam afglijden naar een anti-Israëlische houding te verlaten en om blijk te geven van een moedige houding in plaats van angst voor een nieuwe arabische olieboycot,
d. te bidden, dat alle christenen in Israël bruggebouwers van vrede en verzoening zullen zijn en blijven getuigen van een andere oplossing van de onvoorstelbare problemen dan de oplossing van terreur en geweld.
Vanuit ons geloof in de Messias van Israël getuigen wij van onze diepe solidariteit met Israël en van onze zekerheid, dat Israël en de Kerk elkaar nodig hebben op weg naar het Rijk van God.
Commentaar
Nes Ammim is ontstaan nadat honderdduizenden joden sinds de stichting van de staat Israël konden terugkeren in hun vanouds beloofde land. Christenen hebben zich na de afschuwelijke genocide afgevraagd of deze exodus het einde betekende van hun omgang met Israël. Zij zijn de joden nagereisd om het gesprek gaande te houden en ondanks alles te zeggen: "Uw God is onze God. Hoe kunnen wij samen verder?" Nes Ammim bedoelt een bijdrage te leveren aan de moeizame opbouw van het land en te werken aan betere verhoudingen tussen joden en christenen.
Toch wil Nes Ammim uitdrukkelijk géén zendingspost zijn. In een informatiefolder wordt dit aldus geformuleerd: "Wij menen, na alles wat er in de loop der eeuwen gebeurd is, niet het recht te hebben om tot de joden te zeggen: kom bij ons; kom in de kerk.
Trouwens welke kerk zou dat dan wel moeten zijn?"
Officiëel heeft men zich dus monddood gemaakt en niet alleen vanuit een principiële stellingname, maar ook omdat de Israëlische regering dit als voorwaarde stelde.
Men tolereerde geen zending en evangelisatie vanuit een door de regering toegewezen grondgebied.
Dit is mij persoonlijk gebleken bij een bezoek aan Nes Ammim in 1971, waar men ontsteld was over het feit dat ik - bekeerde jood - mij in de kerk had laten dopen. Zelfs als ik dat gewild had, zou ik nooit in Nes Ammim toegelaten zijn als vaste bewoner eh medewerker. Men vreesde immers dat de autoriteiten dit zouden uitleggen als proselvtisme.
Het verzoek van Nes Ammim (om de oproep te plaatsen in "Opbouw") gaat vergezeld met de mededeling, dat zich momenteel vier Gereformeerd Vrijgemaakt b.v. gezinnen in de nederzetting bevinden, die prijs zouden stellen op merkbare steun van hun achterland.
Voorafgaand aan de vraag of wij inderdaad in staat én bereid zijn om de gevraagde steun te verlenen, zou het wenselijk zijn om goed geïnformeerd te zijn over wat er werkelijk gebeurt in Nes Ammim, met name wat de menselijke kontakten betreft. Misschien is het mogelijk dat ons kontakt leidt tot een pastorale zorg voor elkaar en dat onze hulp veel wenselijker blijkt dan wordt vermoed. De motivering vanuit het achterland zou dan gepaard gaan met de ervaringen opgedaan in Nes Ammim. Laten wij er in ieder geval voor bidden dat het Evangelie de doelstelling van Nes Ammim van binnenuit openbreekt naar een moedig getuigenis, juist daar waar het naar menselijke maatstaven gerekend onmogelijk schijnt.