Het vertrek van Dr. M. J. Arntzen

1975-02-14
  • Jaargang 19
  • nummer 7
In ons blad en elders hebben we de mededeling aangetroffen van de kerkeraad van Breukelen dat ds M. J. Arntzen zijn ambtsdienst in de gemeente aldaar heeft beëindigd.
Opvallend is de milde toon in deze verklaring, waarin men de predikant in waarde houdt en van geen maatregelen tegen hem gesproken wordt.
Dr A. is blijkens berichten in Trouwen het Nederlands Dagblad voornemens zich aan te sluiten bij de kerken binnen verband en het is niet uitgesloten dat hij daar opnieuw het ambt gaat bedienen.
Niet alleen voor de gemeente van Breukelen en voor ds Arntzen, maar voor heel onze gemeenschap is dit een droevige zaak.
In 1971 veroorzaakte het veel opschudding toen dr A. zijn ambt in de Geref. Kerk (syn.) te 's-Gravendeel neerlegde; het was hem niet langer mogelijk mede-verantwoording te dragen voor de ontwikrkelingen binnen genoemde kerken en hoewel wij vrijgemaakten zo onze vragen hebben over het neerleggen van het ambt, was er in onze kringen veel meeleven voor dr A. en andere verontrusten in hun moeiten.
Dr A. zocht toenadering tot onze kerken en het is zeer te prijzen in de kerkeraad en de gemeente van Breukelen dat zij dr A. beriepen en hem in grote hartelijkheid hebben ontvangen en begrip konden opbrengen voor de moeiten, die aan de overgang die hij maakte, verbonden waren.
De overgang moet groot geweest zijn.
In de vrijmaking heeft dr A. niet voor ons en met ons gekozen; daar zal hij - serieus als hij is zijn redenen voor gehad hebben en het is zeker dat hij de vrijmaking niet zag als een door de Here geboden reformatie van de kerk.
Daar dr A. vreemd was gebleven aan de strijd van de vrijmaking, was het voor hem geen eenvoudige zaak zich binnen onze kerken.
die door die strijd gestempeld zijn, op te stellen.
De vrijgemaakte kerken hebben van 1945 tot de buiten-verbandzettingen in 1967/68 hun eigen ontwikkeling doorgemaakt. waarbij allerlei vragen aan de orde zijn gekomen.
Ook aan deze ontwikkelingen is dr A. vreemd gebleven.
De verontrusten in de Geref. Kerken (syn.) voeren hun strijd tegen een geest die van geen binding van het geloof aan de Schrift en de belijdenis wil weten. Die strijd zullen we niet onderschatten en de nood van deze broeders evenmin.
Zij hebben recht op een hartelijk medeleven.
Onze kerken buiten-verband zijn echter onder het juk van kerkisme en confessionalisme doorgegaan en de wonden in die strijd opgelopen zijn nauwelijks genezen.
Daarom staan onze kerken anders opgesteld dan de verontrusten, terwijl we toch één zijn in de liefde tot het schriftuurlijk belijden, en daarom aan hetzelfde front staan.
Er zijn verontrusten bij onze kerken gekomen, die het heel goed bij ons kunnen vinden, maar bij dr A. was dit niet het geval; hij verstond de in onze kring levende aarzelingen t.a.v. een kerkverband niet; hij is wel onder ons geweest, maar niet van ons geworden.
Dit blijkt o.m. daar uit, dat hij zijn ambtsdienst in Breukelen beeindigde en gelijk erkent dat de kerk aldaar zich wil houden aan Schrift en belijdenis en hem in zijn streven geen strobreed in de weg legde.
Vrijgemaakte predikanten, die toch echt wel wat meegemaakt hebben in hun kerkverband, kunnen zich moeilijk voorstellen dat men in zo'n situatie zijn gemeente in de steek laat. Er zijn onder ons nog al wat collega's die twee maal geschorst of buiten-gesloten zijn; maar een gemeente verlaten die achter je staat in tijden van nood, neen, dat ligt ons niet.
Nu dr A. voor de tweede maal zijn ambt neerlegt, zou ik toch wel eens met hem willen spreken over zijn opvattingen over kerk en wijsambt; zijn die wel naar de belijdenis en de k.o., die hij en ik zo graag gehandhaafd zien.
De kerkeraad van Breukelen spreekt mild over zijn hooggeachte predikant; daar willen we ons bij aansluiten en geen harde verwijten maken.
Wat trekt dr A. nu naar de kerken binnen verband.
Hij zoekt een kerk, waarin de belijdenis zeker is gesteld en heeft dienaangaande twijfels over onze kerken; op dit laatste hoop ik terug te komen. Het zeker stellen van de belijdenis is een moeilijke zaak.
Niemand zal ontkennen dat er in de kerken binnen verband een ijver is voor het onverkort handhaven van de belijdenis.
Heeft men zich daarbij ook gedragen naar de regels die ons belijden aangeven voor de handhaving daarvan?
Nu is dr A. lang genoeg bij ons geweest om te weten op welke wijze de kerken binnen verband hebben gemeend te moeten optreden om het belijden te handhaven; hij weet van de manieren, kent de oordelen en de beschuldigingen die zijn uitgesproken over broeders die dr A. als confessioneel betrouwbaar heeft leren kennen.
Wanneer dr A. nu overgaat naar de kerken binnen verband, aanvaardt hij mede-verantwoordelijkheid voor de schorsingen, doleanties, buiten-verband-zettingen enz. waardoor meer dan vijf en twintig procent van de leden van de vrijgemaakte kerken in de verstrooiing zijn gebracht.
Daarbij vrees ik dat de ambtsneer legging van dr A. zal worden aangegrepen ter rechtvaardiging van de handelingen van de synodes van Delfshaven tot Hoogeveen en als wapen tegen onze kerken zal worden gehanteerd.
Er is mij verteld dat in de Reformatie heet van de naald commentaar is gegeven en de schrijver goed ingelicht blijkt te zijn en dit valt mij toch erg tegen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief