SOLZJENITSYN EN HET GEWELD
1975-02-14
Ik wil proberen uit het werk van Solzjenitsyn een aantal aspecten te belichten. in de hoop dat ik daarmee toch essenties heb gegrepen.- Jaargang 19
- nummer 7
Ik zou dit willen doen aan de hand van het enige geschrift van Solzjenitsyn dat in de Sovjet-Unie zelf in druk is verschenen en alom grote bewondering en herkenning heeft afgedwongen: Een dag (uit het leven) van Iwan Denisowitsch.
Bijna alle romans van Solzjenitsyn gaan over strafkampen, onderdrukking, over het leven van vervolgde en aan terreur blootgestelde mensen. Nu gaat het mij er niet om aan te tonen dat concentratiekampen voortaan een belangrijk thema Voor de wereldliteratuur zijn geworden. Die kant wil Solzjenitsyn er zelf ook niet mee uit. Maar deze kampen vormen wel de achtergrond en tegelijkertijd het draagvlak van een zich afspelend menselijk drama, van menselijke tragiek, van het menselijk lot en het menselijk wel en wee. Centraal staat m.i. de reactie van de mensen op dit soort vervolgingssituaties, onderdrukking en ontbering en niet zozeer een of andere "sociologie van het strafkamp".
Literaire critici zullen wellicht eerder geneigd zijn het strafkamp als symbool te zien van de westerse moderne technologische maatschappij, ja misschien wel van de westerse beschaving als zodanig en vervolgens aantonen dat juist deze éne dag van Iwan Denisowitsch meesterlijk symboliseert hoezeer de mens van tegenwoordig geleefd wordt en zijn mens-zijn volkomen is kwijtgeraakt.
Ook die kant wil ik er niet mee op. Wie de wereld als een gevangenis wil zien waaruit men bevrijd moet worden zegt m.i. niets nieuws, want hetzelfde zeiden de oude gnostici reeds. De wereld moest men als een bezoedelde structuur achter zich laten om eerst 'in het geestelijke het werkelijke leven, het volle licht te aanschouwen.
Zo gezien zou het strafkamp een louteringsplaats worden, waarin het waarachtig geestelijke leven eerst kan opbloeien. Het valt inderdaad niet te ontkennen dat de menselijk:heid en het mededogen dat ons door Solzjenitsyn in figuren als Sjoechov, Aljosja, Tjoerin e.a. wordt voorgetekend tegen de barre achtergrond van het strafkamp enorme diepgang en reliëf krijgt. Toch is ook dit m.i. een overhaaste conclusie, hoeveel waars er ook in mag schuilen.
Maar als wij de vele oproepen in aanmerking nemen die wij vandaag de dag horen, oproepen die ons ervan willen doordringen dat wij in een eindtijd leven, dan zou dit aan de hand van Solzjenitsyn's verhaal wel eens bewaarheid kunnen worden, dan zouden wij met deze eindtijd-gedachte meer ernst kunnen gaan maken en onze conclusies daaruit trekken, juist ook voor onze handelswijze nu, in onze eigen situatie. Wij zouden Solzjenitsyn dan kunnen begroeten, niet zozeer als een Christenbroeder zoals velen van ons zo tactloos en overhaast doen, maar als een voorloper en getuige van .het geweld dat in deze, onze eigen eindtijd, over ons uitgestort wordt en nog zal worden, want dát is een realiteit waarin de Bijbel ons zelf voorgaat.
De menselijke reacties die Solzjenitsyn pijnlijk nauwkeurig observeert en beoordeelt kunnen dan een graadmeter worden voor onze eigen gevoelens en sympathieën ten aanzien van diegenen die voor alles recht willen doen en van de waarheid willen getuigen tegen elke prijs, ofwel die~enen die heulen met de vijand, de grote leugenaar, de satan, de antichrist.
Daaronder reken ik ook degenen die stilzwijgend wegduiken in een materialistisch welbehagen en zich niet bekommeren om andermans lot, laat staat om de gigantische wereldproblemen die zich iedere dag via de nieuwsmedia weer aan ons opdringen.
Als wij, zoals Solzjenitsyn, de geschiedenis serieus nemen en de weg die wij gegaan zijn grondig analyseren om vervolgens tot een beslissend oordeel te komen over de gewelddadige tijd waarin wij leven, dan lijkt het mij haast onontkoombaar dat wij als christenen Solzjenitsyns boodschap in een eindtijdelijk perspectief én in een heilshistorisch kader plaatsen.
Is het u niet opgevallen hoe uiterst spaarzaam Solzjenitsyn in "Een dag van Iwan Denisowitsch" omspringt met feitelijke achtergrondgegevens? Wij zouden toch graag willen weten of Sjoechov terecht veroordeeld is en zim verdiende straf moet uitzitten. Niets daarvan. Terloops vernemen wij dat Sjoechov vrijwillig een valse bekentenis van hoogverraad heeft ondertekend. omdat de waarheid omtrent hemzelf - namelijk dat hij een ontsnapte krijgsgevangene was - toch niet geloofd zou worden (pag. 84). Als het recht zó gebogen wordt en er met de wet zó gemanipuleerd kan worden, heeft het ook geen zin meer naar het eventuele einde van de straftijd te vragen (pag. 82) omdat de kans om permanent veroordeeld te worden meer dan levensgroot is.
Daar komt nog bij dat Sjoechov zoals alle andere gevangenen gewoon geen tijd heeft om erover na te denken hoe hij in het strafkamp verzeild is geraakt, of hoe hij er ooit weer uit moet komen.
De strijd om het naakte bestaan maakt het eenvoudig onmogelijk.
In het strafkamp is het overleven de eerste wet, net zoals Darwin sprak van de "struggle for survival".
Het kampleven dat letterlijk aan de mensen vreet, neemt dusdanig bezit van de mens en mat hem zozeer af. dat ook herinneringen aan thuis langzamerhand wegebben (pag. 156).
In het begin van zijn straftijd had Sjoechov wél naar de vrijheid gehunkerd, maar die lust is hem vergaan. Het is langzamerhand tot hem doorgedrongen dat hij nooit meer naar huis zal terugkeren. En al was dat zo, dan nog zou Sjoechov zich afvragen of zijn leven thuis zoveel beter was dan het leven in het kamp (pag. 197). Het verschil tussen vrijheid en onvrijheid wordt nog verder gerelativeerd wanneer Solzjenitsyn aan het einde van het eendagsverhaal ironisch opmerkt dat Sjoechov's straftijd bestond uit 653 dagen.
Daarmee is de cirkel van de dodende eentonigheid gesloten. Het gaat er niet meer om te benadrukken dat er verschil is tussen leven in vrijheid en leven in onderdrukking (ook al zal Solzjenitsyn deze waarheid uiteindelijk graag erkennen), maar om wat hij met deze relativering beoogt, namelijk dat de situatie van onderdrukking de énige situatie is die bestaat. Met dié situatie hebben wij klaar te komen, in de eerste plaats fysiek, door te overleven, iets dat de mens door de omstandigheden wordt opgedrongen; in de tweede plaats geestelijk en dat is een kwestie van persoonlijke wil.
Het gaat er bepaald niet om op papier gelijk te krijgen en het heeft geen zin om juridische kwesties - zoals de schuldvraag - te overwegen, want eenzelfde lot treft schuldigen en onschuldigen, treft álle mensen, zegt Solzjenitsyn.
Maar Solzjenitsyn zegt méér. Want zelfs wanneer wij uitgaan van een situatie van onderdrukking, dan nog blijft het de taak van de mens om méns te blijven.
Aan de hand van indringend geobserveerde reacties van verschillende gevangenen krijgen wij een totaalbeeld voor ogen geschilderd, krijgen wij inzicht in de situatie alsof wij daar zelf deel van uitmaakten.
Solzjenitsyn dwingt ons als het ware uiterst subtiel, door die veelheid van persoonlijke reacties en gedragingen van de gevangenen, een morele keuze te maken voor of tegen de anoniem gebleven machthebbers die deze onderdrukkingssituatie in het leven hebben geroepen, voor of tegen hun handlangers en voor of tegen hun ... slachtoffers zou ik bijna zeggen, maar dát woord past nu juist niet in Solzjenitsyn's context.
Niemand kan voor zichzelf het alibi gebruiken slachtoffer van de omstandigheden te zijn. Dat blijkt bijvoorbeeld uit een opmerking over de gevangene Fetjoekov.
Sommige gevangenen halen het einde van hun straftijd niet.
Dat zijn diegenen die zich niet de ware geest van het strafkamp hebben eigen gemaakt.
Uit zo'n opmerking maak ik op dat Solzjenitsyn vindt dat een gevangene zich aan de omstandigheden moet aanpassen. zich de ware geest moeet eigen maken om er doorheen te komen. Elke gevangene wordt op die wijze verantwoordelijk gehouden voor zijn eigen leven. Een tweede voorbeeld is de oude man in de eetzaal die door Sjoechov een tijdlang aandachtig wordt gadegeslagen.
Deze man ziet eruit alsof hij reeds onafzienbaar lang in strafkampen en gevangenissen heeft doorgebracht, maar hij is ongebroken en niet van plan zich als verslag ene te beschouwen (pag. 172/173).
Er is hier een geestelijke weerbaarheid ontdekt die volgens Solzjenitsyn tot navolging strekt.
Sjoechov is bijvoorbeeld na 8 jaar strafkamp geen hyena geworden.
Hoe langer hij achter prikkeldraad zat. hoe beter hij zichzelf beheerste (pag. 178). Dat wordt gezegd tegen alle klaarblijkelijke ondervoeding in, tegen de extase van iedere gevangene in wanneer het moment van eten is aangebroken (pag. 153, 170), hét moment waarop nergens meer over geklaagd wordt; het wordt gezegd tegen alle openlijke en heimelijke strijd in om extra porties voedsel te bemachtigen - 'n strijd die als een rode draad door dit verhaal heen loopt. Het wordt ook gezegd tegen de hunkering in naar wat extra slaap, 'n hunkering die elke gevangene overvalt en bedwelmt wanneer hij maar een ogenblik denkt aan warmte (pag. 190). Tenslotte wordt het gezegd tegen alle klaarblijkelijke behoefte in om te protesteren tegen de gruwelijke ongerechtigheid, een behoefte die wordt verdrongen omdat een gevangene nog liever wegkruipt in zijn kot, dan terechtkomen in de kampgevangenis waar zijn gezondheid voor de rest van zijn leven wordt geruïneerd (pag. 186, 193/194).
Een geestelijke weerbaarheid dus die lijdt en verdraagt tegen alle verdrukking in en niét hardop protesteert. Een weerbaarheid die het onleefbare leefbaar maakt, waar het onleefbaar onleefbare gelijkstaat met de dood.
In het verhaal zijn twee diametraal verschillende houdingen (attitudes) aanwijsbaar om de onderdrukking te weerstaan. twee verschillende wegen die bewandeld kunnen, en in het verhaal ook moéten worden. De keuze uit deze twee wegen wordt voor een ieder duidelijk een noodzaak wanneer men de reikwijdte van de geestelijke weerbaarheid heeft onderkend.
De ene weg is die van Aljosja, de Baptist. De onderdrukking wordt door hem gezien en ondergaan als een lijden dat men christelijk dient te dragen. Dit lijden is geen schande, maar een eer. Men moet God erom verheerlijken (pag. 35).
Aljosja is door zijn geloofshouding en zijn persoonlijk contact met God in staat de gruwelen van het kampleven van zich af te schudden. Het deert hem niet (pag. 55). Aljosja kankert ook niet, maar hij bidt in stilte en leest in het Nieuwe Testament dat hij in een zakboekje heeft overgeschreven.
Hij neemt nooit initiatief, maar doet wat hem wordt opgedragen en dat zonder tegenzin. In zeker opzicht is Aljosja's optreden een voorbeeld voor anderen (pag. 125) maar eigenlijk staat hij onpractisch en wat ireëel in het leven. Alleen het geestelijke telt bij hem, het materiële bestaat eigenlijk niet. Dat is dan .ook het eigenlijke verwijt van Sjoechov aan het adres van Aljosja.
Sjoechov berekent de dingen en heeft zich een feilloze intuïtie eigen gemaakt om situaties naar waarde te schatten en te bespelen.
De onderdrukking weerstaat hij door alle mogelijkheden die binnen zijn bereik zijn uit te buiten zoals het brieven schrijven naar huis. waardoor hij gedwongen is aan andere dingen te denken, het contact met de medegevangenen dat hem stimuleert en intact houdt, opdrachten feilloos en met een gevoel van bevrediging uit te voeren, slimheid aan de dag leggen bij het uitdelen van de etensporties en genieten van het eten zelf, zichzelf onmisbaar maken voor anderen door zijn diensten te verlenen en er een beloning in natura voor terug te ontvangen en dergelijke. Sjoechov munt uit door zijn scherp analytisch vermogen, Aljosja door zijn sterk en oprecht geloof. Sjoechov is actief en stelt zichzelf en zijn eigen leven centraal, Aljosja is gedwee, passief en stelt Christus in zijn leven centraal.
Nu wekken deze twee wegen door de afgerondheid waarmee Solzjenitsyn ze heeft beschreven de indruk naast elkaar, ja zelfs tegenover elkaar te staan waardoor een persoonlijke keuze onontwijkbaar wordt. Maar het is toch ook niet zo dat Solzjenitsyn de ene weg laat prevaleren boven de andere, hij dringt ons geen persoonlijke voorkeur op - ook al identificeer ik zelf Solzjenitsyn méér met Sjoechov dan met Aljosja, Ook Aljosja's houding blijft een wezenlijk antwoord, maar het is in de context van het verhaal een subjectief antwoord, geen universeel dwingend antwoord.
Het valt me op dat Sjoechov inziet dat Aljosja de zin van zijn leven in gevangenschap positief ervaart als een lijden terwille van Christus, maar dat hij zelf niet in staat is zijn lot evenzo te beleven. Typerend is Sjoechov's uitspraak dat gebed geen straftijd kan bekorten (pag. 197). Net zo typerend is het dat Aljosja daarop antwoordt dat men slechts om geestelijke zaken moet bidden. om de zuiverheid van het hart (pag. 194/195). De gebeden van Sjoechov zijn daarmee vergeleken inhoudloze en ongeloofwaardige schietgebedjes.
Toch is het m.i. niet toevallig dat Aljosja met Sjoechov aan het einde van het verhaal in een diepzinnig gesprek verwikkeld raakt.
Solzjenitsyn speelt ze niet tegen elkaar uit, maar hij laat ze elkaar aanvullen. Sjoechov vormt de ontbrekende materiële schakel in Al, josja's vergeestelijking, Aljosja doorbreekt de materiële gebondenheid van Sjoechov, Zij vullen elkaar niet alleen aan, zij veronderstellen elkaar zelfs. Zo gezien staan Aljosja en Sjoechov tot elkaar in een dialectische verhouding en dat is juist een typisch marxistische gedachte, nml. een bevruchtende verbinding van waaruit veel goed kan voortkomen.