De brief aan de Eenheid (vervolg)
1975-02-14
Het geheel van deze brief dient weer in het oog gehouden te worden.- Jaargang 19
- nummer 7
Het gaat om het herstel van alle dingen in Jezus Christus. Het gaat om de vergadering van de nieuwe mensheid bestemd voor de nieuwe aarde. En door de dienst van de Evangelieprediking is God in Jezus Christus op weg naar het bereiken van het einddoel. Maar dat moet dan ook een volwassen mensheid zijn. In vers 13 valt de nadruk op het woordje allen. De nu vaak bestaande onenigheid en gebrek aan vertrouwen mag op de duur niet blijven bestaan. Kinderen moeten geen kinderen blijven, maar opgroeien tot volwassen mensen. Wel met een kinderhart.
En de zegen, die God wil verbinden aan de ambtelijke prediking van het Evangelie is de garantie dat het doel eenmaal bereikt zal zijn. Dan, bij de wederkomst des Heren zullen de diensten dan ook hun einde, hun doel, vinden.
Mondig. 4: 14-16
Als we zeggen dat bij de wederkomst de ideaaltoestand pas bereikt zal zijn, dan betekent dat niet, dat er hier en nu niet een taak is. We kunnen in Christus groeien van onmondig naar mondig.
Er dient een geestelijk groeiproces te zijn.
Er is in de H. Schrift sprake van onmondigheid op twee manieren.
Er wordt van de kerk in het Oudtestamentische bedeling gezegd dat die leefde in een tijd van onmondigheid.
Daarvan spreekt Paulus in de Galatenbrief. Gal. 4 : 1 en 3 vv . Aan deze onmondigheid is een eind gekomen bij de komst van Christus.
Op een tweede manier spreekt Paulus hier over onmondigheid of beter over de mondigheid, Paulus heeft hetzelfde op het oog in 1 Cor. 3 : 1 vv. Zie ook Hebr. 5 : 13 vv, Waarin bestaat nu de mondigheid van de gemeente?
Dat we weten te onderscheiden waarop het aankomt. Dat we niet meer door allerlei wind van leer heen en weer geslingerd worden, maar dat we weten, met de echte geloofskennis te aanvaarden en te verwerpen wat ons als "leer"
wordt voorgehouden. De taak van apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraars bestaat daarin dat ze de gemeente weten toe te rusten, opdat de gelovigen zelfstandig oordelen, naar de norm van de leer van de apostelen.
We zijn kinderen als we ons direct laten meeslepen door iets "nieuws".
We zijn ook kinderen als we alleen maar willen weten van oude dingen. Zie Matth. 13: 52.
We moeten ook weten dat er een duivels plan zit achter alle valse spel van mensen, die tot dwaling verleidt.
We hebben een norm. Dat is de waarheid van het Evangelie. De waarheid van het Evangelie is dat er alleen redding is door Jezus Christus. Zonder iets van de mens.
Dat Hij alles heeft volbracht. Dat er niets bij hoeft. Dat er ook niet bij mag.
Daaraan vasthoudend raken we niet in de war. Fil. 3 : 15, 16. Het "beproeft de geesten", gold toen; het geldt evenzeer nu.
Er is gestreden over de vraag of Paulus hier doelt op heidense leringen of op leringen binnen de gemeente. Ik meen dat we hier geen keus behoeven te doen. Terugval in het heidendom is 0 zo gauw aanwezig. Maar er worden evenzeer valse leringen verkondigd door mensen die zeggen Jezus Christus te willen dienen. Het Judaïsme was in die dagen en nu daarvan wel een voorbeeld.
Als we mondige gelovigen zijn, dan dienen we ook de eenheid, de ware eendracht. Dat blijkt wel uit vers 16. Met die ware eendracht is hoofdstuk 4 begonnen en daarover heeft Paulus het ook in dit gedeelte nog.
Nieuwe wandel. 4: 17-19
Het gaat in Gods plan over het herstel van alle dingen. Over een nieuwe hemel en een nieuwe aarde.
Het gaat om de gemeente uit Joden en heidenen vergaderd, de nieuwe mensheid. Bestemd voor de nieuwe aarde. Maar dat dient dan toch ook echt een vernieuwde mensheid te zijn, die een nieuwe levenswandel voert.
Daarom mag de gemeente niet langer wandelen zoals ook de heidenen wandelen.
Dus geen wereldgelijkvormige levensinstelling.
Paulus tekent dan heel kort het leven van de heidenen. Het doet denken aap wat er staat in Romeinen 1.
In de eerste plaats wordt het heidense leven getypeerd door de woorden "in de ijdelheid van hun denken". De Griekse wereld uit de dagen van Paulus was vermaard om het vermogen tot denken.
De gevolgen van dat Griekse denken hebben we tot vandaag toe niet overwonnen. Toch: dat denken is ijdelheid. Het is vruchteloos. Hand. 14 : 15. Het leidt tot geen echte antwoorden op de echte levensvragen.
Verder zijn ze verduisterd in hun verstand. Dat is een oordeel van God. Rom. 1 : 28.
Als de mens God niet wil kennen en erkennen dan gaat het grootste verstand op hol.
Er is werkelijk ook behoefte aan een echt christelijke logica.
Dat oordeel geeft Paulus hier aan met te zeggen dat ze vervreemd zijn van het leven Gods om de schuldige onwetendheid, om de verharding van hun hart. We weten dat in het woord verharding ook iets zit van het oordeel Gods.
God heeft de volkeren laten gaan op hun eigen gekozen wegen. Omdat ze niet bij Hem wilden horen, daarom ging het van kwaad tot erger.
In de beoordeling van het na-Christelijke tijdperk, waarin wij verkeren, is dit altijd in rekening te brengen. Anders zijn we zachte heelmeesters. Tegelijk dienen we te bedenken dat we vaak meer kinderen van onze tijd zijn, dan we zelf vaak vermoeden en wel willen.
De "normen" veranderen, zo zegt men tegenwoordig veelal. Maar normen veranderen niet, als het Bijbelse normen zijn. En elke zgn. "nieuwe" norm kan de toets van de kritiek van Gods Woord doorstaan, als het werkelijk nieuw is in de zin van Matth. 13: 52.
Uit een verwerpelijk denken komt ook een verwerpelijk leven te voorschijn.