Boekbespreking
1975-02-14
- Jaargang 19
- nummer 7
Emancipatie en Bijbel.
dr J. v. Bruggen.
Amsterdam, 1974.
Prijs f 8,90.
Dr Van Bruggen is een scherpzinnig Schriftuitlegger zodat ik met verwachting naar zijn laatste boekje gegrepen heb. Ik kan evenwel niet zeggen, dat ditmaal aan mijn verwachtingen geheel is voldaan. Laat ik dit toelichten aan een drietal opmerkingen.
In de eerste plaats ben ik niet overtuigd door de exegese van 1 Cor. 11: 10.
"Daarom moet de vrouw een macht op haar hoofd hebben (vanwege de engelen)".
Van 'Bruggen stelt een iets (!) andere vertaling voor, die - zoals hij zegt het Grieks hier letterlijk weergeeft: "Daarom behoort de vrouw macht te hebben over haar hoofd" (pag. 64). Ik vind deze vertaling niet onmogelijk, maar wel gezocht. Het meest ongedwongen is toch wel, dit vers te zien tegen de achtergrond van het voorgaande (vss 5 en 6) waar Paulus het heeft over het bedekken van het hoofd. Ik ben door Van Bruggen wel overtuigd geworden dat 't daar, blijkens het Griekse woordgebruik, gaat over de palla die men als een soort capuchon over het hoofd kon slaan (pag. 45) maar vs 10 beschrijft dan m.i. het dragen van deze hoofdbedekking naar z'n zin en betekenis: het is het hebben van een macht op het hoofd. Zoals de pet van een postbode (vroeger) ook een macht op z'n hoofd was; het teken dat hij onder gezag stond. En zoals zelfs de koningskroon oorspronkelijk ook het teken was, dat de koning regeerde uit naam of bij de gratie van degene, die hem gekroond had. De hoofdman uit het evangelie zegt, dat hij onder gezag staat, (hypo exousian, Matth. 8: 9). In de vorm van de militaire kepi zal hij ook wel die macht op z'n hoofd gehad hebben en als hij een meerdere groette, bracht hij de hand aan de kepi, dat wil zeggen: verwees hij naar het boven hem staande gezag. Zo was dat vroeger, in de tijd dat onze maatschappij nog een heerschappij was.
Trouwens, als Paulus bedoelde te zeggen dat de vrouw macht over haar hoofd moest hebben (om zich zo onder controle te hebben als vrouw in de onderdanigheid aan de man) zou hij zich dan in het grieks zo hebben uitgedrukt? In 1 Cor. 7 : 37 komt de vergelijkbare uitdrukking voor: 'macht hebben over de wil' en daar staat: exousian echein peri tou thelèmatos, Een ander voorzetsel dus.
Een strikt bewijs is dit niet, maar toch ...
Let wel, ik heb het nu niet over de hantering van deze tekst in onze situatie, maar als het gaat over Paulus' bedoeling, heeft hij m.i. volgens dit vs 10 inderdaad gewild, dat de vrouw iets op haar hoofd zou hebben als teken dat ze het gezag van de man erkent. Op Van Bruggen's manier komen we niet van de befaamde dameshoed af.
Ik vind verder, dat Van Bruggen te weinig gegevens aandraagt om aan te tonen, dat er in het oude Corinthe een emancipatie-beweging aan de gang was van vrouwen, die in plaats van de palla over het hoofd te slaan, hun hoofd in de nek wierpen en dat het straatbeeld daar de vrouw met ongedekten hoofde vertoonde.
Ook dit vind ik niet zo waarschijnlijk.
Zoals nu de griekse vrouwen en gros de hoofddoek dragen (wie zei dat onlangs ook maar weer: ik wil de griekse vrouw onder haar hoofddoek vandaan halen?) zo zal in Paulus' dagen de palla wel algemeen gebruikelijk zijn geweest. En de spitsvondige wijze waarop Van Bruggen zich van het getuigenis van Plutarchus in dezen ontdoet, is allerminst overtuigend (pag. 47, 48).
Natuurlijk, in de hogere kringen en betere standen zal er aan emancipatie gedaan zijn. Dat is altijd en overal het geval geweest. Maar we krijgen uit de brieven aan Corinthe de indruk, dat de gemeente in die kringen nu juist weinig verspreiding gevonden had. (1 Cor. 1: 26, niet vele rijken, niet vele edelen.) Is het daarom wel juist, zo wil ik vragen, om achter de tekst van 1 Cor. 11 : 2-16 een wereldgelijkvormigheid te construëren, die het vermaan van Paulus op dit punt moet verklaren? 'Is het niet waarschijnlijker, dat Paulus in Corinthe te maken had met een mentaliteit van de gemeente zelf, die op allerlei punten te vèrgaande conclusies trok uit het gegeven van de christelijke vrijheid (1 Cor. 6: 12), waarbij men .zelfs dingen deed, die onder de niet-gelovige Corinthiërs niet voorkwamen (1 Cor. 5: 1)? Waren de heidense Corinthiërs wel zo progressief?
Ik krijg uit Paulus' brieven die indruk niet.
Van Bruggen zegt eigenlijk dit: In het oude Corinthe was een verleidelijke emancipatie-beweging aan de gang, waar de gemeente slachtoffer van dreigde te worden. Precies als dat in onze wereld het geval is. En zoals Paulus zich daar róen tegen verzet heeft, zo moeten wij dat nu doen. Maar is de actualiteit van wat Paulus te dezer zake schrijft, zo niet een geconstrueerde actualiteit?
Zou de boodschap niet als volgt kunnen uitvallen: de apostel wilde niet, dat zijn gemeenten in de wereld zouden opvallen door een vooruitstrevendheid op punten, die ten eerste niet zo erg belangrijk waren en ten tweede niet door de wereld begrepen werden. Hij wilde dat toen niet en hij wil dat nu nog niet. Het verdoezelt de hoofdzaak maar. De keerzijde hiervan is, dat we ook niet op dezelfde punten door behoudzucht moeten willen opvallen. Als nu in de hele wereld de functie van de hoofdbedekking voor vrouwen niet meer begrepen wordt, moeten wij niet met hand en tand aan zulke uiterlijke dingen blijven vasthouden. Dat verdoezelt evenzo de hoofdzaak.
Maar Paulus fundeert zijn vermaan toch op het aloude scheppingsbericht in de Bijbel? Dat geeft er toch een geldigheid voor alle tijden aan? Hier wil ik mijn derde opmerking maken.
Zeer terecht wijst Van Bruggen er op, dat Paulus in 1 Cor. 11, zoals elders, de man-vrouw-verhouding vanuit' Christus benadert (pag. 29-31). De formulering in 1 Cor. 11 : 3 is zo gekozen, dat de zin 'het hoofd der vrouw is de man' wordt voorafgegaan en gevolgd door de naam van Christus. Het is Christus voor en na. Buiten Hem om is het alleen maar in een heilloze zin waar, dat de man het hoofd van de vrouw is. Buiten Christus om treffen we de werkelijkheid aan van Gen. 3 : 16b: 'naar uw man zal uw begeerte uitgaan en hij zal over u heersen', dat wil zeggen, de werkelijkheid van de schandalige mannen-tyrannie, die de hang van de vrouw naar de man gemeen misbruikt.
Maar in Christus worden wij gebracht bij de verhouding zoals die in den beginne was. Hoe was die verhouding in den beginne? Mijns inziens, als ik de gegevens van Gen. 1 en 2 goed beoordeel, een subtiel in-elkaar-grijpen van nevenschikking en onderschikking van de vrouw aan de man. Een spanningsveld, waarin nu eens het woord partnerschap, dan weer het woord gezagsrelarie gepast is. Ongetwijfeld duidt het op een ondergeschiktheid van de vrouw aan de man als in Gen. 1 : 27 het vrouwelijk na het mannelijk genoemd wordt en in Gen. ê de vrouw na de man geschapen wordt.
Toch tendeert de woordkeus in Gen. 1 naar gelijkwaardigheid: het mannelijk en vrouwelijk geschapen zijn is in gelijke zin een verbizondering van het menszijn, dat voorop staat. En wanneer in Gen. 2 : 18 v.v. de vrouw aan de man' toegevoegd wordt als 'een hulp, die bij hem past', dan moeten we opmerken dat dit een erg mannige vertaling is. De St. Vert. doet 't precieser: 'een hulpe als tegenover hem'. Dat 'tegenover' is essentiëel.
God bedoelde, dat de vrouw aan de man tegenspel zou leveren. En daarmee zitten we heel dicht bij het partnerschap.
De zondeval heeft dit subtiele in-elkaar van nevengeschiktheid en ondergeschiktheid verstoord, de spanning verbroken.
De plompe heerschappij van de man is gevestigd. Daar botst de emancipatie tegenop, steeds heftiger, maar meest vruchteloos.
Gezien dit laatste vind ik de vrouwenemancipatie meer zielig dan gevaarlijk; het is een vechten tegen de bierkaai. Inde wereld van vandaag zijn wij verder dan ooit van de gelijkwaardigheid verwijderd.
Emancipatie hier en daar is uitzondering op de grote regel van slavernij.
Wat dacht u van de toenemende gewoonte, dat iedere getrouwde man er een vriendinnetje op na gaat houden? Levert dat geen verhouding op van 'man: vrouw = 1: 2'? Dat is toch een grote belediging voor de vrouw? .
Nog slechter dan met de gelijkwaardigheid is het met het partnerschap gesteld.
De hele man-vrouw-verhouding in onze cultuur wordt vergiftigd door een concurrentie-sfeer en ontaardt in een rivaliteit.
Wat moet er in deze situatie als evangelie gezegd worden? Moet er vanuit de christelijke kerk, aan welke het Woord Gods is toevertrouwd, gewaarschuwd worden tegen de emancipatie? Ik zou zeggen, laten we dat maar toevertrouwen aan de wijzen van het perzische hof (Esther 1!) en andere reactionaire politici. Iedere man baas in eigen huis', zoals het in Esther 1 : 22 staat. Het is niet vreemd, dat hier op den duur een bijna gelijkluidende vrouwenleus tegenover is komen te staan: iedere vrouw baas in eigen buik. Hier heb je die strijdsfeer, waar we buiten moeten zien te blijven.
Is niet de hoofd-boodschap van de Schrift op dit punt, dat God in zijn verlossing uit is op verheffing van de vrouw? Dat Hij in Christus herstellend heenwerkt naar dat subtiel genuanceerde begin? Zeker, in een bijzin zegt de Schrift óók, dat deze verheffing in de gemeente vrijgehouden moet worden van de revolutionaire gelijkheid, waar elke nuance uit weggesloopt is. 1 Cor. 11 en andere plaatsen in het N.T. behoren tot die bijzin. Maar de bijbelse hoofdzin krijgen we vóór ons, als we Jezus met vrouwen zien omgaan in het evangelie.
Je merkt aan Jezus eigenlijk zo weinig, dat Hij man is. Hij is vóór alles mens.
In Joh. 4 b.v. ademen we in de lucht van Gen. 1 : 27: 'En God schiep de mens naar zijn beeld, mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen'. Jezus gebruikt zijn mannelijk-zijn als instrumentarium voor het mens-zijn-naar-Gods-beeld en Hij richt daarop ook het vrouwelijk-zijn. Je ziet in het verhaal de samaritaanse vrouw naar dat niveau toegroeien, nadat ze eerst te veel vrouw was.
Zou deze waarheid in Christus niet de boodschap voor onze tijd zijn? Dat we midden in de kloof gaan staan, die man.
nen en vrouwen in onze samenleving scheidt en zeggen: waarin de sexen onderling ook mogen verschillen, - dat wat ze gemeen hebben is altijd meer, veel meer'. In zekere zin is het verschil tussen mannen en vrouwen niet interessant en moeten we met Paulus zeggen: in Christus is noch mannelijk, noch vrouwelijk (Gal. 3 : 28). Met .deze boodschap halen we de hele man-vrouw-verhouding uit de strijdsfeer waarin ze zo heilloos is terecht gekomen.
Ik vrees, dat in Van Bruggen's publicatie dat wat in de Schrift in een bijzin gezegd wordt, tot hoofdzin geworden is, althans die indruk achterlaat. Zijn overnadruk op verschil en ondergeschiktheid van de vrouw doet hem m.i. ook voorbijzien aan het relativerende van Paulus' opmerking in de vss 11 en 12. 'En toch, in den Here is evenmin de vrouw zonder man iets, als de man zonder vrouw. Want gelijk de vrouw uit de man is, zo is ook de man door de vrouw'. Van Bruggen vat de boodschap van dit laatste samen in de woorden: geen man zonder moeder, (pag. 71 v.). Dat lijkt voor de hand te liggen, maar het brengt ons toch in een door Paulus niet bedoelde geveelswereld.
Zelfs de meest heerszuchtige man immers kan nog sentimenteel vertederd worden, als het beeld van z'n moeder opgeroepen wordt. De moeder-figuur lijkt me hier niet ter zake. M.i. laat de tegen opmerking in de vss 11 en 12 zien, dat ook Paulus' betoog zich beweegt op het spanningsveld van nevengeschiktheid en ondergeschiktheid. Nadat hij iets over ondergeschiktheid gezegd heeft voelt hij behoefte iets nevenschikkends daarnaast te zetten.
Het boekje, ten slotte, is knap geschreven.
Van Bruggen heeft een maxime achtige schrijftrant: puntige zinnen die op het onthouden zijn aangelegd, Het betoog verloopt doorgaans zeer intelligent en heeft ook sterke, overtuigende passages. Maar wat de hoofdstrekking betreft, zeg ik met Husaï de Arkiet: deze keer is de raad van Achitofel niet goed, (2 Sam. 17: 7).